Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY8875

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
18-01-2013
Zaaknummer
AWB 12-521 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag bewonersvertegenwoordiger van de commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol (CROS).

Interpretatie artikel 3, eerste lid onder b van de Regeling CROS.

Onder gemeentebestuur in de zin van de Regeling dient te worden verstaan; ieder gemeentelijk orgaan dat, anders dan als ambtenaar (al dan niet mede) beslissingsbevoegdheid heeft. De rechtbank is van oordeel dat hieronder ook individuele leden van zulk een orgaan behoren, nu deze individuele leden gezamenlijk de beslissingmacht van het orgaan uitoefenen. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat een individueel raadslid dient te worden aangemerkt als bestuurder is in de zin van de Regeling. Deze uitleg doet recht aan de bedoeling van deze regelgeving, namelijk het voorkomen dat er in één persoon een botsing van belangen kan ontstaan doordat zij enerzijds als bewonersvertegenwoordiger optreedt en anderzijds deel uitmaakt van het bestuur van de gemeente die afzonderlijk in de CROS is vertegenwoordigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/521 AW

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. W.F. Roelink,

en

de Commissie Regionaal Overleg luchthaven Schiphol (CROS),

verweerder,

gemachtigde mr. H.J. van der Veen.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser per 1 mei 2012 ontslagen als bewonersvertegenwoordiger bij de CROS.

Bij besluit van 23 december 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2012.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde. Tevens is [A], [functie] van de CROS, namens verweerder verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden

1.1. Eiser is in september 2005 door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ouder-Amstel benoemd als bewonersvertegenwoordiger in de CROS. In het voorjaar van 2010 is eiser verkozen en benoemd tot raadslid van de gemeente Ouder-Amstel.

1.2. Eiser is mondeling door de voorzitter van de CROS op de hoogte gesteld dat een combinatie van het raadslidmaatschap en het zijn van bewonersvertegenwoordiger volgens de Regeling CROS (de Regeling) onverenigbaar is. Eiser heeft tijdens de plenaire vergadering van 22 april 2010 aangegeven dat hij geen bezwaar ziet in de combinatie van deze functies. De kwestie is vervolgens onderzocht door een werkgroep. De werkgroep heeft geconstateerd dat een raadslid op grond van artikel 125 van de grondwet ook een bestuurder is en dat een raadslid daardoor niet mede bewonersvertegenwoordiger kan zijn. Op

2 december 2010 is dit punt in de plenaire vergadering besproken. Bij brief van 8 april 2011 heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu zijn zienswijze op artikel 3, eerste lid onder b van de Regeling gegeven.

1.3. Bij het primaire besluit heeft de voorzitter van de CROS eiser per 1 mei 2012 ontslagen als bewonersvertegenwoordiger. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.4. Bij brief van 5 oktober 2011 heeft de burgemeester, na verzoek van de voorzitter van de CROS, eiser namens de gemeente formeel voor ontslag voorgedragen.

1.5. Bij het bestreden besluit heeft de waarnemend voorzitter van de CROS, na advies van de adviescommissie, het beroep ongegrond verklaard en het ontslag van eiser gehandhaafd op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende relevante regelgeving.

2.1. Blijkens artikel 8:34, eerste lid, van de Wet luchtvaart is er een commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol. Blijkens het tweede lid bestaat de CROS, onder meer, uit een onafhankelijke voorzitter en uit vertegenwoordigers van de gemeenten van de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht.

2.2. Artikel 8.35 van de Wet luchtvaart zegt dat de CROS tot taak heeft om door overleg een gebruik van de luchthaven te bevorderen dat zoveel mogelijk recht doet aan de belangen van de betrokken partijen.

2.3. Op grond van artikel 3, eerste lid, onder b van de Regeling worden in de CROS, naaste de onafhankelijke voorzitter, voor ieder cluster van gemeenten, ten minste één en ten hoogste twee vertegenwoordigers benoemd; indien twee vertegenwoordigers worden benoemd, betreft het een bestuurder van een van de gemeenten en een inwoner van een van de gemeenten die niet tevens bestuurder van die gemeente is.

2.4. Uit artikel 3, tweede lid van de Regeling volgt dat ontslag moet worden verleend bij beëindiging of verlies van de hoedanigheid op grond waarvan de benoeming heeft plaatsgevonden.

2.5. Artikel 8.37, eerste lid, van de Wet luchtvaart bepaalt dat de voorzitter van de CROS door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat wordt benoemd, geschorst en ontslagen. Blijkens het tweede lid wordt elk ander lid van de commissie benoemd, geschorst en ontslagen door de voorzitter op voordracht van het orgaan of de organisatie die het lid vertegenwoordigd.

2.6. Artikel 125, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat de gemeenteraad aan het hoofd van de gemeente staat. Blijkens het tweede lid maken het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester ook deel uit van het bestuur van de gemeente.

2.7. Blijkens artikel 5 van de Gemeentewet wordt onder het gemeentebestuur ieder bevoegd orgaan van de gemeente verstaan.

3. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling van het geschil.

3.1. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of de CROS een bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank beantwoordt deze vraag om de volgende redenen bevestigend. De CROS is een overheidsorgaan, dat is ingesteld door de Wet luchtvaart. Blijkens de Wet luchtvaart is de CROS een publiekrechtelijk adviesorgaan en worden de leden van de CROS direct of indirect door overheidsorganen benoemd. De CROS heeft als bestuursorgaan in de zin van de Awb het primaire besluit en het bestreden besluit genomen. Dit betreffen besluiten op rechtsgevolg gericht en zijn dus besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Daarom is eiser ontvankelijk in zijn bezwaar en beroep.

3.2. In geschil is de vraag of verweerder een juiste interpretatie heeft gegeven van artikel 3, eerste lid onder b van de Regeling en zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser ontslag diende te worden verleend.

3.3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de Regeling niet valt af te leiden dat de hoedanigheid van raadslid onverenigbaar is met de hoedanigheid van bewoners-vertegenwoordiger van de CROS. Volgens eiser berust het ontslagbesluit dan ook niet op een juiste juridische grondslag.

3.4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser zijn hoedanigheid van bewonersvertegenwoordiger heeft verloren op het moment dat hij werd benoemd als raadslid, nu een bewonersvertegenwoordiger, blijkens de Regeling, een inwoner van één van de gemeenten is die niet tevens bestuurder is en de gemeenteraad op grond van artikel 125 van de Grondwet is aan te merken als het bestuur van de gemeente.

3.5. De rechtbank overweegt dat uit artikel 8.35 van de Wet luchtvaart en artikel 3, eerste lid, onder b van de Regeling blijkt dat de wetgever de bedoeling heeft gehad om een orgaan te creëren dat door het overleg tussen verschillende partijen kan komen tot beslissingen die zoveel mogelijk recht doen aan de belangen van alle betrokken partijen. De rechtbank overweegt dat daarin besloten ligt dat, in het geval dat namens de gemeente twee vertegenwoordigers worden benoemd, zowel een bestuurder als een inwoner niet tevens bestuurder als vertegenwoordigers dient te worden aangewezen. De rechtbank is – met verweerder – van oordeel dat uit het deze regelgeving klaarblijkelijk volgt dat een bewonersvertegenwoordiger onpartijdig en onafhankelijk dient te zijn en dat belangenverstrengeling dient te worden voorkomen, zodat er voldoende rekening met alle betrokken belangen kan worden gehouden.

3.6. De rechtbank overweegt verder dat de Staatssecretaris van infrastructuur en milieu in zijn brief van 8 april 2011 heeft meegedeeld dat artikel 3, eerste lid, onder b, van de Regeling juridisch zo geïnterpreteerd kan worden dat een dubbelfunctie is uitgesloten, nu blijkens artikel 125 van de Grondwet zowel een wethouder als een raadslid onder het begrip bestuurder vallen.

3.7. Gelet op de tekst van de onder 2 genoemde regelgeving, het doel van de wetgever en de interpretatie van de Staatssecretaris, is de rechtbank is van oordeel dat onder gemeentebestuur in de zin van de Regeling dient te worden verstaan; ieder gemeentelijk orgaan dat, anders dan als ambtenaar (al dan niet mede) beslissingsbevoegdheid heeft. De rechtbank is van oordeel dat hieronder ook individuele leden van zulk een orgaan behoren, nu deze individuele leden gezamenlijk de beslissingmacht van het orgaan uitoefenen. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat een individueel raadslid dient te worden aangemerkt als bestuurder is in de zin van de Regeling. Deze uitleg doet recht aan de bedoeling van deze regelgeving, namelijk het voorkomen dat er in een persoon een botsing van belangen kan ontstaan doordat zij enerzijds als bewonersvertegenwoordiger optreedt en anderzijds deel uitmaakt van het bestuur van de gemeente die afzonderlijk in de CROS is vertegenwoordigd.

3.8. De rechtbank is van oordeel dat eiser in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, op het moment dat hij de bestuursfunctie als raadslid heeft aanvaard, zijn hoedanigheid van bewonersvertegenwoordiger, namelijk inwoner niet zijnde bestuurder heeft verloren en op grond daarvan, na voordracht van het orgaan of de organisatie die het lid vertegenwoordigd, door de voorzitter van de CROS kon worden ontslagen. Verweerderheeft derhalve een juiste interpretatie gegeven van artikel 3, eerste lid onder b van de Regeling. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

3.9. Eiser heeft in beroep tevens aangevoerd dat er voor het ontslag geen juridische grondslag aanwezig was, omdat de burgemeester een voordracht voor ontslag heeft gedaan terwijl het college van burgemeester en wethouders daartoe de bevoegdheid had.

3.10. De rechtbank stelt vast dat uit de regelgeving blijkt dat het orgaan of de organisatie dat bevoegd is tot de voordracht tot benoeming tevens het orgaan of de organisatie is dat bevoegd is tot de voordracht tot ontslag. Nu uit het dossier blijkt dat eiser is benoemd na voordracht van het college van burgemeester en wethouders, was het college van burgemeester en wethouders tevens het bevoegde orgaan om de voordacht tot ontslag te verlenen. De rechtbank stelt vast dat de brief van 5 oktober 2011 van de burgemeester van Ouder-Amstel in het midden laat wie het besluit tot voordracht voor ontslag heeft genomen. De rechtbank stelt verder vast dat tussen partijen niet in geschil is dat uit de besluitenlijst van burgemeester en wethouders blijkt dat de voordracht tot ontslag van eiser daar aan de orde is geweest. Nu er in dit geval tevens geen reden is om te twijfelen aan de betrokkenheid van het college van burgemeester en wethouders bij het besluit, gaat de rechtbank er vanuit dat het besluit tot voordacht voor ontslag met instemming van het college van burgemeester en wethouders is genomen. Dat betekent dat er een adequate juridische grondslag voor het ontslag aanwezig was. Deze beroepsgrond faalt dan ook.

3.11. De rechtbank overweegt dat er vraagtekens kunnen worden gezet bij de helderheid respectievelijk de consistentie van de betrokken regelgeving nu de voorzitter van de CROS, in het geval van het verlies van de hoedanigheid van bewonersvertegenwoordiger door het aannemen van een bestuursfunctie in een van de gemeenten, dient over te gaan tot ontslag, maar dit ontslag tegelijkertijd afhankelijk is gesteld van een voordracht daartoe vanwege de gemeente. De rechtbank is echter van oordeel dat het hiervoor overwogene in dit geval geen betekenis heeft, nu de rechtbank heeft vastgesteld dat alle voorwaarden voor het ontslag, inclusief de voordracht daartoe, zijn vervuld.

3.12. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er voorts andere redenen zijn die zich tegen het in stand blijven van het ontslag verzetten.

3.13. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij als bewonersvertegenwoordiger van de CROS altijd goed heeft gefunctioneerd en dat hij nooit is aangesproken op de onafhankelijkheid van zijn handelen.

De rechtbank overweegt dat verweerder noch de rechtbank reden heeft om aan de integriteit van eiser te twijfelen. Het ontslag berust op een wettelijke incompatibiliteit die tot doel heeft een ongewenste combinatie van posities en verantwoordelijkheden, dan wel oneigenlijke belangenverstrengeling of de schijn daarvan, te voorkomen. Het functioneren van eiser is dan ook geen onderdeel van het geschil.

3.14. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de CROS niet bij meerderheid heeft besloten dat het raadslidmaatschap en het lidmaatschap als bewonersvertegenwoordiger van de CROS onverenigbaar is.

De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid om eiser, op grond van artikel 3, eerste lid onder b en tweede lid van de Regeling, te ontslaan exclusief toekomt aan de voorzitter van de CROS. Een peiling onder de CROS leden kan geen grondslag voor het besluit opleveren. De rechtbank merkt hierbij op dat er geen aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat verweerder de peiling onder de CROS leden als grondslag voor het besluit heeft genomen.

3.15. Ten slotte heeft eiser ter zitting meegedeeld dat er namens de gemeenten wethouders in de CROS zitten. De rechtbank vat deze uitlating op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank overweegt dat er niet kan worden gesproken van gelijke gevallen, nu uit artikel 3, eerst lid onder b, van de Regeling blijkt dat er namens ieder cluster van gemeenten een bewonersvertegenwoordiger en een bestuurder wordt benoemd en wethouders worden benoemd in de hoedanigheid van bestuurders.

3.16. Gelet op al het voorgaande slaagt het beroep niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder een juiste interpretatie heeft gegeven van artikel 3, eerste lid onder b van de Regeling en zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser ontslag diende te worden verleend.

3.17. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of voor vergoeding van het betaalde griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J.P Os van den Abeelen, voorzitter,

mrs. L.C. Bachrach en B. de Vos, leden, in aanwezigheid van

mr. S. van Douwen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2012.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D:B

SB