Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY8250

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
11-01-2013
Zaaknummer
13-707101-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. EAB vervolging, Frankrijk. Evenredigheid uitvaardigen EAB wegens de psychische gezondheidstoestand van de OP.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/707101-12

RK nummer: 12/3471

Datum uitspraak: 26 juni 2012

TUSSEN-UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 mei 2012 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 12 december 2011 (ontvangen op 25 april 2012) door de Substituut van de Procureur van het Parket van de Rechtbank van Lille (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [plaats] op [1975],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvend op het adres [adres], [postcode] [plaats],

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 12 juni 2012. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Bosman.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. I.J.K. van der Meer, advocaat te Amsterdam.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een Arrestatiebevel van 29 november 2011, uitgevaardigd door de vice-voorzitter belast met gerechtelijke vooronderzoeken bij de Rechtbank van Lille (Frankrijk), referentienummer 09/304, onderzoek nr. JIRSAC/09/3.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan naar het recht van Frankrijk strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en in de bijlage bij het EAB (gedetailleerde uiteenzetting van de feiten die [opgeëiste persoon] verweten worden). Hiervan worden door de griffier gewaarmerkte fotokopieën als bijlagen aan deze uitspraak gehecht.

De raadsvrouw heeft betoogd, zakelijk weergegeven, dat – behalve het feit dat ziet op het transport dat is onderschept op 18 februari 2001 – de feiten onvoldoende specifiek zijn omschreven, zodat de overlevering voor deze feiten op grond van artikel 2 OLW moet worden geweigerd. Controle op de naleving van het specialiteitsbeginsel is daardoor niet mogelijk. De raadsvrouw heeft ook betoogd dat sprake is van ongenoegzaamheid van de stukken, vanwege het feit dat de verdenking zoals beschreven in het EAB, grotendeels is gebaseerd op verklaringen van de opgeëiste persoon, terwijl aan de onderliggende verhoren een gebrek kleeft dat zodanig ernstig is dat er tot bewijsuitsluiting zou moeten worden besloten. Ook de Salduz-norm is niet nageleefd, aldus de raadsvrouw.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten genoegzaam zijn omschreven in het EAB.

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen. De omschrijving van de feiten in het EAB voldoet naar het oordeel van de rechtbank aan de hiervoor genoemde vereisten, zodat geen sprake is van de door de raadsvrouw gestelde ongenoegzaamheid. Hierbij merkt de rechtbank op dat vermelding van de gronden van de verdenking niet is vereist. Het is dan ook niet aan deze rechtbank om te toetsen of er voldoende gronden zijn voor de beschreven verdenking, dan wel om de rechtmatigheid van deze gronden te beoordelen. Het verweer wordt verworpen.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder de nummers 1 en 5, te weten:

deelneming aan een criminele organisatie

en

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Uit de aanvullende brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit volgt dat op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De raadsvrouw heeft betoogd, zakelijk weergegeven, dat de opgeëiste persoon zich op het standpunt stelt dat hij onschuldig is aan de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. De overlevering dient daarom te worden geweigerd. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw om aanhouding van de zaak zodat nadere stukken kunnen worden overgelegd ter onderbouwing van het onschuldverweer.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon zijn onschuld niet aanstonds tijdens het verhoor ter zitting heeft kunnen aantonen. De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering. Voor aanhouding van de zaak, om de opgeëiste persoon de gelegenheid te bieden zijn onschuldverweer nader te onderbouwen, biedt de Overleveringswet geen mogelijkheid. Het verweer wordt verworpen.

6. De garantie als bedoeld in artikel 6, lid 1 OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) zal kunnen worden omgezet.

Het Hoofd Bureau Internationale samenwerking Strafrecht van het Ministerie van Justitie te Parijs (Frankrijk) heeft de volgende garantie gegeven:

In antwoord op uw verzoek heb ik de eer u mede te delen dat het Franse Ministerie van Justitie de garantie verleent volgens welke, als de heer [opgeëiste persoon] veroordeeld zou worden tot een definitieve vrijheidsstraf voor de feiten waarvoor zijn uitlevering verzocht is, hij zijn straf in Nederland kan uitzitten en wel in het kader van de aanpassing daarvan door de gerechtelijke autoriteiten van Nederland via de omzetprocedure beschreven bij artikel 11 van bovengenoemde overeenkomst.

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het VOGP volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. Aan deze voorwaarde is voldaan.

De feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A, B en C van de Opiumwet

gegeven verbod

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A, B en C van de Opiumwet

gegeven verbod

en

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf

als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, of 11,

derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

De raadsvrouw heeft verzocht, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank zal oordelen dat de terugkeergarantie zich eveneens uitstrekt over een eventueel opgelegde geldboete zonder vervangende hechtenis. De terugkeergarantie zou anders een loze belofte zijn omdat de Franse autoriteiten in die situatie pas meewerken aan de terugkeer van de opgeëiste persoon als hij de geldboete heeft betaald. Gelet op de slechte financiële positie van de opgeëiste persoon zou hij een hoge gelboete echter nooit kunnen betalen.

De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hiervoor reeds is aangegeven, ziet de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid OLW op de situatie dat een veroordeling volgt van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de wet geen ruimte biedt om hieraan nadere eisen te stellen. De rechtbank kan dus niet bepalen dat de hiervoor genoemde garantie ook geldt in het geval een geldboete zou worden opgelegd in de uitvaardigende staat. Het verweer wordt verworpen.

7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

- het onderzoek is in Frankrijk gestart;

- de mededaders zijn al in Frankrijk vervolgd;

- de bewijsmiddelen en de in beslaggenomen goederen bevinden zich in Frankrijk.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Franse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Niet zou zijn gebleken dat de verzochte overlevering aan de Franse autoriteiten en de verdere vervolging in Frankrijk de voorkeur verdient, boven de mogelijke afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten. De raadsvrouwe heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd:

- de aan de opgeëiste persoon verweten handelingen zijn alle in Nederland verricht;

- de chauffeur is een Nederlander, de opdrachtgever een Nederlander en alle bewijzen bevinden of bevonden zich in Nederland;

- er is drie jaar na dato kennelijk geen zicht op aanhouding van de Engelse verdachten;

- de Franse autoriteiten zijn van mening dat er niet direct sprake is van een verstoring van de Franse rechtsorde;

- de getuigen bevinden zich op Nederlandse bodem;

- de opgeëiste persoon heeft groot belang bij berechting in Nederland vanwege zijn persoonlijke omstandigheden, kort gezegd: de opgeëiste persoon is een Nederlander met een jong gezin met drie kinderen en een zeer broze psychische gezondheid.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd levert geen grond op om tot een ander oordeel te komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

8. Evenredigheid

De raadsvrouw heeft voorts betoogd, zakelijk weergegeven, dat uitvaardiging van het EAB onredelijk bezwarend is voor de opgeëiste persoon omdat er sprake is van zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden. De overlevering moet daarom worden geweigerd. Onder verwijzing naar overgelegde stukken van onder andere de huisarts, de psychiatrisch arts en de behandelend psycholoog heeft de raadsvrouw gewezen op de uitermate slechte psychische gezondheid van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon is in februari 2009 in elkaar geslagen in het kader van onderhavige zaak en heeft een Post Traumatische Stress Stoornis opgelopen. Deze stoornis dient behandeld te worden, te meer nu de opgeëiste persoon ernstig depressief is geworden. De psychiater heeft medicijnen voorgeschreven die onder begeleiding ingenomen moeten worden. Het duurt nog een aantal weken voor hij op de juiste dosis zit; dat moet begeleid worden door een psychiater. Daarnaast zal de psychiatrische thuiszorg hem dagelijks moeten zien en is hij doorverwezen voor intensieve psychotherapeutische behandeling. Uit het psychiatrisch rapport volgt dat als de opgeëiste persoon niet nu behandeld wordt, hij waarschijnlijk verder zal decompenseren, waarbij de kans bestaat dat hij een suïcidepoging onderneemt. Deze behandeling kan hij niet krijgen in een Frans huis van bewaring. Een eventuele overlevering zou funest zijn voor de gezondheid van de opgeëiste persoon, terwijl er praktisch niets aan in de weg staat om de strafvervolging door Nederland te laten overnemen. Er zijn alternatieven voorhanden die minder bezwarend zijn voor de opgeëiste persoon, aldus de raadsvrouw.

De officier van justitie heeft aangegeven dat zij acht heeft geslagen op de stukken met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon en dat zij de situatie van de opgeëiste persoon onderkent. De officier van justitie heeft zich echter op het standpunt gesteld dat deze omstandigheden niet kunnen leiden tot weigering van de overlevering. In dit verband – en in het kader van de vordering van artikel 13, tweede lid OLW – heeft de officier van justitie nog opgemerkt dat blijkens de door de Franse autoriteiten op 4 juni 2012 verstrekte informatie al in 2009 overleg is geweest tussen de Franse en de Nederlandse autoriteiten en dat er toen kennelijk is gekozen voor strafvervolging in Frankrijk. De officier van justitie heeft aangegeven nog altijd achter die keuze te staan, zeker nu er in Frankrijk al lange tijd onderzoek is verricht in deze zaak.

De rechtbank overweegt als volgt.

In haar eerder bij uitspraak van 4 maart 2009 gegeven oordeel (LJN: BH6183), heeft de rechtbank geoordeeld dat, gelet op de stelselevenredigheid van het Kaderbesluit, een beroep op de onevenredigheid van een Europees Aanhoudingsbevel slechts onder bijzondere omstandigheden kan slagen. In deze uitspraak is verwezen naar een Aanbeveling aan de Lidstaten door de Raad van de Europese Unie in het Handbook on how to issue a European Arrest Warrant (8216/1/08 REV 2 COPEN 70 EJN 26 EUROJUST 31). Daarin staat onder meer:

"(3. Criteria to apply when issuing an EAW – principle of proportionality) Considering the severe consequences of the execution of an EAW as regards restrictions on physical freedom and the free movement of the requested person, the competent authorities should, before deciding to issue a warrant, bear in mind, where possible, considerations of proportionality by weighing the usefulness of the EAW in the specific case against the measure to be applied and its consequences. (-)"

Tevens is in de uitspraak van 4 maart 2009 overwogen dat de nationale rechter alle bepalingen van nationaal recht in aanmerking moet nemen en deze zo veel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van het kaderbesluit. De hiervoor genoemde Aanbeveling is dan ook mede richtinggevend voor de rechtbank.

De raadsvrouw heeft de stelling dat de psychische gezondheid van de opgeëiste persoon uitermate slecht is, genoegzaam onderbouwd. Uit de overgelegde medische informatie blijkt dat het voor de opgeëiste persoon van zeer groot belang is dat hij door een psychiater wordt begeleid, dat hij psychotherapeutisch behandeld wordt en dat de psychiatrische thuiszorg hem dagelijks moet zien. Bovendien blijkt uit de medische informatie dat de kans bestaat dat de opgeëiste persoon een suïcidepoging onderneemt, wanneer hij de psychotherapeutische behandeling niet ondergaat. Daarbij is van belang dat de Post Traumatische Stress Stoornis van de opgeëiste persoon het gevolg is van gebeurtenissen in februari 2009 die direct verband houden met zaken waarvoor de overlevering wordt verzocht. De opgeëiste persoon heeft hiervan aangifte gedaan (mishandeling en bedreiging) en deze aangifte is door de raadsvrouw overgelegd.

De rechtbank gaat er vanuit dat de hiervoor genoemde zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon ten tijde van het uitvaardigen van het EAB niet bekend waren bij de Franse uitvaardigende justitiële autoriteit. Gelet op het hiervoor beschreven principe van evenredigheid sluit de rechtbank niet uit dat de uitvaardigende justitiële autoriteit, als hij op de hoogte zou zijn geweest van de bijzondere persoonlijke (medische) omstandigheden van de opgeëiste persoon, gekozen zou hebben voor het voor de opgeëiste persoon minder bezwarende middel van overdracht van strafvervolging aan Nederland in plaats van het uitvaardigen van een EAB. Daarom ziet de rechtbank aanleiding om het onderzoek te schorsen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de Franse uitvaardigende justitiële autoriteit te informeren over de bijzondere persoonlijke (medische) omstandigheden van de opgeëiste persoon, en om in dat licht bij de Franse uitvaardigende justitiële autoriteit de mogelijkheid van overname van de strafvervolging door Nederland te onderzoeken.

5. Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd in afwachting van de reactie van de Franse uitvaardigende justitiële autoriteit op hetgeen de officier van justitie haar zal voorleggen.

Verzoekt de officier van justitie om:

- de Franse uitvaardigende justitiële autoriteit te informeren over de bijzondere persoonlijke (medische) omstandigheden van de opgeëiste persoon, waarbij de intensieve psychische / psychiatrische behandeling en begeleiding van de opgeëiste persoon van groot belang zijn;

- bij de Franse uitvaardigende justitiële autoriteit te polsen of hij in overweging zou willen nemen om – in het licht van de bijzondere persoonlijke omstandigheden en met het oog op de proportionaliteit en subsidiariteit– een verzoek te doen aan de Nederlandse autoriteiten om tot strafvervolging van de opgeëiste persoon over te gaan.

Beveelt de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw.

Aldus gedaan door

mr. C.W. Bianchi, voorzit¬ter,

mrs. M.J. Diemer en P. Rodenburg, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 26 juni 2012.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.