Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY7816

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
07-01-2013
Zaaknummer
CV12-20561
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art 6:89 BW klacht binnen bekwame tijd ingediend. Vervaltermijn 8:1835 BW niet verstreken. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een vertraging van drie uur of meer, in het geval van een boeking die betrekking heeft op aansluitende vluchten, moet worden gekeken naar de bestemming van de laatste vlucht. Beroep op buitengewone omstandigheid, bestaande uit een congestie in het luchtverkeer rondom de luchthaven van Amsterdam, wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen. Compensatie op grond van artikel 7, eerste lid van de verordening, niet gerelateerd te worden aan de hoogte van de prijs van het vliegticket. Voor matiging bestaat geen grond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/154

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

Rolnummer: 1361352 CV EXPL 12-20561

Vonnis van: 27 december 2012

F.no.: 694

Vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[naam eiser]

wonende te [--]

eiser

nader te noemen de passagier

procederend in persoon

t e g e n

SOCIEDAD ANÓNIMA IBERIA LÏNEAS AËREAS DE ESPAÑA SOCIEDAD ANÓNIMA OPERADORA

gevestigd te Amsterdam

gedaagde

nader te noemen de vervoerder

gemachtigden: mrs. A. Rodríguez González en [naam]

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

- de dagvaarding van 20 juni 2012 inhoudende de vordering van de passagier, met producties;

- de conclusie van antwoord van de vervoerder, met producties;

- het tussenvonnis van 16 augustus 2012;

- de conclusie van repliek tevens akte houdende overlegging van producties van de passagiers;

- de conclusie van dupliek van de vervoerder, met producties;

- de akte houdende uitlating producties van de passagier.

Daarna is vonnis bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden

1.De feiten

Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat vast:

1.1.De passagier heeft bij de vervoerder twee vluchten geboekt van Amsterdam via Madrid naar Lima. Volgens schema zou de vlucht Amsterdam - Madrid onder vluchtnummer IB 3249 plaatsvinden op 15 september 2011 met als vertrektijd 19:10 uur en aankomsttijd om 21:45 uur. Aansluitend zou de passagier via de vlucht IB 6659 Madrid - Lima reizen.

1.2.De eerstgenoemde vlucht heeft een vertraging opgelopen, waardoor de passagier de aansluitende vlucht heeft gemist. De vervoerder heeft de passagier omgeboekt op de vlucht Madrid – Bogota - Lima (AV0011). De passagier is in Lima aangekomen met een vertraging van 21 uur ten opzichte van de oorspronkelijk geplande aankomsttijd.

1.3.De passagier heeft onder meer door het invullen van een ‘complaint form’ op 16 september 2011 bij de vervoerder geklaagd over de vertraging en op grond van Verordening 261/2004 aanspraak gemaakt op compensatie. De vervoerder heeft de aanspraak van de hand gewezen.

Vordering en verweer

2.De passagier vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:

a.€ 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

b. € 150,00 aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met de wettelijke rente;

c.de proceskosten, inclusief nakosten.

3.De passagier baseert zijn vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening). De passagier stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vluchten gehouden is hem te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00. Hij wijst daarbij op de beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) in het arrest van 19 november 2009 in de gevoegde zaken van Sturgeon-Condor en Bock-Air France met nummers C-402/07 en C-432/07 (hierna: het Sturgeon-arrest).

4.De vervoerder verweert zich tegen deze vordering, welke verweren voor zover relevant in het onderstaande worden opgenomen en beoordeeld.

Beoordeling

Klachtplicht / vervaltermijn

5.De kantonrechter heeft eerst te beslissen op de vraag of de passagier gelet op het bepaalde in artikel 6:89 BW in zijn vordering kan worden ontvangen, althans of artikel 6:89 BW aan toewijzing van de vordering in de weg staat.

6.Ingevolge artikel 6:89 BW kan een schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd.

7.De passagier is op 16 september 2011 in Lima aangekomen. Vaststaat dat de passagier op diezelfde dag een ‘complaint form’ heeft ingevuld en hierin heeft verzocht om compensatie. Vervolgens heeft hij dit verzoek onder meer bij brief van 25 oktober 2011 herhaald.

8.Nu vaststaat dat de passagier op de dag van aankomst direct heeft geklaagd, volgt daaruit dat de klacht binnen bekwame tijd is gedaan. Ook het standpunt van de vervoerder dat de passagier vervolgens te lang heeft gewacht met het instellen van een vordering wordt verworpen. Op de voet van artikel 8:1835 BW vervalt iedere vordering terzake van een dergelijke overeenkomst door verloop van twee jaren na de dag volgend op de dag van aankomst van het luchtvaartuig ter bestemming, de dag waarop het luchtvaartuig had moeten aankomen of van de onderbreking van het luchtvervoer. Deze termijn was op het moment van het indienen van de onderhavige vordering nog niet verstreken. De vordering is immers ingesteld bij dagvaarding van 20 juni 2012, terwijl de passagier op 16 september 2011 op zijn eindbestemming is aangekomen.

9.Dit alles leidt ertoe dat naar het oordeel van de kantonrechter de passagier in zijn vordering kan worden ontvangen en dat zijn aanspraak wegens termijnoverschrijding niet is vervallen.

Eindbestemming

10.De vervoerder erkent dat ingevolge het Sturgeon-arrest de forfaitaire vergoeding van artikel 7 van de Verordening in beginsel ook verschuldigd is in het geval van een vertraging van drie uur of langer.

11.De vervoerder voert evenwel aan dat er geen sprake is van een vertraging van drie of langer. De twee vluchten met nummers IB 3249 en IB 6659 moeten volgens haar ieder afzonderlijk worden beschouwd. Vlucht IB 3249 van Amsterdam naar Madrid was weliswaar vertraagd, maar minder dan drie uur. Volgens de vervoerder was de vlucht IB 6659 niet vertraagd, maar heeft de passagier deze vlucht gemist vanwege de eerdergenoemde vertraging.

12.De kantonrechter volgt de vervoerder niet in dit verweer. In het Sturgeon-arrest heeft het HvJ EU, met verwijzing naar artikel 5, lid 1, sub c-iii, van de Verordening, vastgesteld dat passagiers die als gevolg van een annulering drie of meer uren tijd verliezen ten opzichte van de oorspronkelijke planning, recht hebben op de forfaitaire compensatie van artikel 7 van de Verordening (r.o. 57). Vervolgens heeft het HvJ EU, kort gezegd, overwogen dat op grond van het beginsel van gelijke behandeling passagiers die als gevolg van vertraging een vergelijkbaar tijdverlies van drie uur of meer lijden, eveneens aanspraak kunnen maken op de forfaitaire compensatie van artikel 7 van de Verordening (r.o. 58 t/m 60). R.o. 61 van het Sturgeon-arrest luidt als volgt:

“In deze omstandigheden dient te worden vastgesteld dat de passagiers. van vertraagde vluchten aanspraak kunnen maken op de in artikel 7 van de verordening nr. 261/2004 bedoelde compensatie wanneer zij door dergelijke vluchten drie of meer uren tijd verliezen, dat wil zeggen wanneer zij hun eindbestemming (onderstreping kantonrechter) drie of meer uren na de door de luchtvaartmaatschappij oorspronkelijk geplande aankomsttijd bereiken.”

13.Het begrip “eindbestemming” is in artikel 2, sub h, van de Verordening, voor zover relevant, als volgt gedefinieerd:

“de bestemming die vermeld staat op het bij de incheckbalie aangeboden ticket of, in geval van rechtstreeks aansluitende vluchten, de bestemming van de laatste vlucht. (…)”

14.De kantonrechter is van oordeel dat uit r.o. 61 van het Sturgeon-arrest, waarin expliciet wordt verwezen naar de eindbestemming, in samenhang met de definitie van dat begrip zoals gegeven in de Verordening, voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een (op financiële compensatie rechtgevende) vertraging van drie uur of meer, in het geval van een boeking die betrekking heeft op aansluitende vluchten, moet worden gekeken naar de bestemming van de laatste vlucht. Een en ander is ook in overeenstemming met artikel 7.1 van de Verordening, waarin voor de bepaling van de afstand wordt aangeknoopt bij ‘de laatste bestemming’. Dat betekent in het onderhavige geval dat gekeken moet worden naar het verschil tussen de geplande aankomsttijd in Lima en de daadwerkelijk aankomsttijd. Nu dit verschil ruim 21 uur bedraagt, kan de passagier in beginsel aanspraak maken op de compensatie als bedoeld in artikel 7 van de Verordening. Voor verlaging van een (eventuele) vergoeding met 50% op grond van het bepaalde in artikel 7 lid 2 van de Verordening is gezien het feit dat het gaat om een vertraging van meer dan 4 uur geen plaats.

Formele rechtskracht

15.Het standpunt van de vervoerder dat er formele rechtskracht uitgaat van eerdere beslissingen van de IVW / ILT, waarin zij in vergelijkbare gevallen heeft geoordeeld dat er geen recht bestaat op compensatie omdat het om de twee afzonderlijke vluchten gaat, wordt verworpen. Tussen partijen staat immers vast dat de IVW / ILT over de onderhavige zaak geen beslissing heeft gegeven. Van formele rechtskracht in deze procedure van een tussen andere partijen geldende beslissing kan geen sprake zijn.

Buitengewone omstandigheid

16.Ten aanzien van het beroep van de vervoerder op buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening wordt het volgende overwogen. Artikel 5 lid 3 van de Verordening bepaalt dat een luchtvaartmaatschappij niet verplicht is compensatie te betalen indien hij kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste jurisprudentie van het HvJEU (Wallentin-Hermann C-549/07 en Air Baltic C-294/10) moet de vervoerder aantonen dat de omstandigheden hoe dan ook niet voorkomen hadden kunnen worden door het treffen van aan de situatie aangepaste maatregelen. De vervoerder moet aantonen dat hij zelfs met inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen – behoudens indien hij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van zijn onderneming had gebracht – kennelijk niet had kunnen vermijden dat de buitengewone omstandigheden waarmee hij werd geconfronteerd tot annulering dan wel vertraging van de vlucht leidden. Bij de beoordeling van de vraag of er in deze zaak sprake is van buitengewone omstandigheden, dient derhalve voorop te worden gesteld dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van deze omstandigheden bij de vervoerder ligt.

17.De vervoerder heeft aangevoerd dat de vertraging van vlucht IB 3249 van Amsterdam naar Madrid te wijten is aan buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen had kunnen worden, bestaande uit een congestie in het luchtverkeer rondom de luchthaven van Amsterdam. De kantonrechter overweegt dat het, gezien de betwisting van het beroep op een buitengewone omstandigheid door de passagier, op de weg van de vervoerder had gelegen om dit beroep met concrete feiten en omstandigheden, en bij voorkeur met onderliggende stukken, te onderbouwen. Nu de vervoerder dit heeft nagelaten, wordt het beroep op een buitengewone omstandigheid als onvoldoende onderbouwd verworpen.

Matiging

18.Anders dan de vervoerder aanvoert, dient de compensatie op grond van artikel 7, eerste lid van de verordening, niet gerelateerd te worden aan de hoogte van de prijs van het vliegticket. De compensatie wordt conform artikel 7 van de verordening vastgesteld op een vast bedrag dat enkel afhankelijk is van de vliegafstand. Het verweer van de vervoerder op dit punt wordt afgewezen.

19.Gelet op het bovenstaande zal de vordering van de passagier worden toegewezen.

20.De wettelijke rente over de hoofdsom is toewijsbaar vanaf 30 september 2011. De vervoerder is immers wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment dat zij in verzuim is geraakt. Ingevolge artikel 6:82 BW treedt verzuim in wanneer de vervoerder in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld. Blijkens de door de passagier overgelegde producties is de vervoerder voor het eerst op 16 september 2011 in gebreke gesteld, zodat de vervoerder met inachtneming van een redelijke termijn van 14 dagen op 30 september 2011 in verzuim is geraakt.

21.Nu de passagier buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht om betaling van zijn vordering te verkrijgen zullen de gevorderde buitengerechtelijke kosten worden toegewezen. Voor zover rente is gevorderd over buitengerechtelijke incassokosten wordt deze rente afgewezen nu ter zake onvoldoende is gesteld.

22.De vervoerder zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De gevorderde rente over de proceskostenveroordeling en de nakosten worden afgewezen. De passagier kan, indien nodig, een bevelschrift vragen op grond van het bepaalde in artikel 237 vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

BESLISSING

De kantonrechter:

I.veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van:

-€ 600,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2011 tot aan de voldoening;

-€ 150,00 aan buitengerechtelijke incassokosten.

II.veroordeelt de vervoerder in de proceskosten, aan de zijde van de passagiers tot op heden begroot op:

-griffierecht: € 207,00

-kosten dagvaarding: € 90,64

--------------

Totaal: € 297,64

inclusief eventueel verschuldigde BTW;

III.verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

IV.wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. T.M.A. van Löben Sels, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 december 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter