Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY7600

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
02-01-2013
Zaaknummer
517354 / HA RK 12-181
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Het verzoek berust in de kern op de gedachte dat de rechter op grond van artikel 133 lid 4 Rv een akte van niet dienen had moeten verlenen en dat de beslissing van de rechter om deze akte niet te verlenen zozeer onbegrijpelijk is en in het nadeel van verzoeker is dat hieruit de schijn van partijdigheid volgt. Naar het oordeel van de wrakingskamer is die beslissing echter niet onbegrijpelijk. Iedere (processuele) beslissing van een rechter kan in het voor- of nadeel van een van de procespartijen uitpakken. Dit enkele feit is onvoldoende om van een schijn van vooringenomenheid te kunnen spreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/509
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking op het op 18 mei 2012 ingekomen en onder zaaknummer

517354 / HA RK 12-181 ingeschreven verzoek van:

[ ],

wonende te [ ],

verzoeker,

advocaat mr. Y. Moszkowicz te Utrecht,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. [ ], kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

- het verzoek tot wraking als neergelegd in een akte van 16 mei 2012;

- een vonnis van de rechter van 27 februari 2012;

- de aantekeningen van de griffier van de zitting van 12 april 2012;

- een brief van mr. Moszkowicz van 2 mei 2012, gericht aan de rechter;

- een brief van de griffier van 10 mei 2012, gericht aan mr. Moszkowicz;

- de schriftelijke reactie van de rechter van 22 mei 2012;

- een pleitnota van mr. Moszkowicz.

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 27 juni 2012 alwaar mr. Moszkowicz en de rechter zijn gehoord. De uitspraak is bepaald op 11 juli 2012.

1. Feiten

a) Verzoeker is gedaagde partij in een bij de rechter aanhangige procedure met nummer [ ]. Verzoeker is in die procedure tevens eiser in reconventie.

b) Op 27 februari 2012 heeft de rechter een zogenaamd instructie tussenvonnis gewezen waarin een comparitie van partijen is gelast. In dit vonnis is onder 4 het volgende opgenomen:

De gedaagde partij heeft een tegeneis ingesteld. De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld schriftelijk op de tegeneis te antwoorden. Dit antwoord moet uiterlijk zeven dagen voorafgaand aan de bijeenkomst met partijen zijn ingediend bij de griffie van de sector kanton van de rechtbank. De eisende partij moet tegelijkertijd een kopie rechtstreeks naar de (gemachtigde van de) gedaagde partij zenden.

c) De comparitie is bepaald op 12 april 2012.

d) Zowel de griffie van de rechtbank als mr. Moszkowicz hebben op 10 april 2012 een conclusie van antwoord in reconventie ontvangen.

e) Tijdens de comparitie van 12 april 2012 heeft mr. Moszkowicz de rechter verzocht een zogenaamde akte niet dienen te verlenen omdat de conclusie van antwoord in reconventie niet ten minste zeven dagen voorafgaand aan de comparitie aan hem is toegezonden. De rechter heeft dit verzoek niet ingewilligd.

f) Uit een na de comparitie aan partijen toegezonden rolbericht volgt dat gedaagde in reconventie in de gelegenheid is gesteld voor de rolzitting van 7 mei 2012 een conclusie van antwoord in reconventie te nemen. Bij brief van 2 mei 2012 van mr. Moszkowicz, gericht aan de rechter, is hiertegen geprotesteerd.

g) Bij brief van de griffier van 10 mei 2012 is onder meer als volgt gereageerd op de brief van 2 mei 2012 van mr. Moszkowicz:

Tevens verzoekt u om herziening van de beslissing tot toelating van de conclusie van antwoord in reconventie en van de (afwijzende) beslissing op uw verzoek om akte van niet dienen daarvan. Deze zaak heeft voorafgaande aan de comparitie nimmer op de rol gestaan voor het nemen van een schriftelijke conclusie van antwoord in reconventie. Evenmin was er sprake van een verplichting tot het indienen van een schriftelijke conclusie van antwoord voorafgaande aan de comparitie. Uw wederpartij mocht tijdens de comparitie in elk geval mondeling concluderen voor antwoord in reconventie. Daarom kon tijdens de comparitie een verzoek om akte niet-dienen van antwoord in reconventie niet worden toegewezen.

Mede omdat u tijdens de comparitie hebt aangevoerd dat u onvoldoende kans had gezien om voorafgaande aan de comparitie kennis te nemen van de inhoud van de schriftelijke conclusie van uw wederpartij, heeft de kantonrechter beslist dat nog een schriftelijke conclusiewisseling zal volgen.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

Het verzoek tot wraking is – samengevat weergegeven – gebaseerd op de volgende gronden. De conclusie van antwoord in reconventie is niet overeenkomstig het instructie tussenvonnis van 27 februari 2012 ten minste zeven dagen voorafgaand aan de comparitie aan mr. Moszkowicz toegezonden. Dit is niet alleen in strijd met het vonnis maar tevens in strijd met het rolreglement Kantonzaken (waarin is bepaald dat een schriftelijk antwoord in reconventie uiterlijk zeven werkdagen voorafgaand aan de comparitie ontvangen moet zijn) alsmede in strijd met de goede procesorde. Op deze gronden is de rechter primair verzocht een akte niet dienen te verlenen (artikel 133 lid 4 Rv). Subsidiair is verzocht geen acht te slaan op de desbetreffende conclusie vanwege strijd met het vereiste van concentratie van verweer (artikel 128 Rv). Tijdens de comparitie heeft de rechter kenbaar gemaakt dat dit laatste verzoek “niet steekhoudend zou zijn”. Uit het na de comparitie verstrekte rolbericht bleek dat gedaagde in reconventie alsnog de gelegenheid kreeg om de conclusie van antwoord in reconventie te nemen. Deze procesbeslissing van de rechter is in het voordeel van de partij die niet conform de wet en het procesreglement heeft gehandeld en heeft processueel grote gevolgen. De beslissing van de rechter is dan ook zozeer onbegrijpelijk dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat sprake is van de schijn van partijdigheid, zowel vanuit subjectief als vanuit objectief perspectief. Ook de uitlatingen ter zitting van de rechter vormen een reden voor de schijn van partijdigheid.

3. De reactie van de rechter

De rechter heeft allereerst aangevoerd dat gelet op het bepaalde in artikel 37 Rv het wrakingsverzoek niet tijdig is gedaan omdat het berust op feiten en omstandigheden die sinds 12 april 2012 aan verzoeker bekend zijn. De bepaling in het tussenvonnis dat de desbetreffende conclusie uiterlijk zeven dagen voorafgaand aan de comparitie moet zijn ingediend, heeft geen andere strekking dan om de wederpartij voldoende gelegenheid te bieden de conclusie te bestuderen. De sanctie op het niet of te laat indienen van de conclusie is dat de wederpartij ook na de comparitie de gelegenheid kan krijgen om te reageren. In dit geval is op deze wijze beslist door het inlassen van een extra schriftelijke ronde. Een inhoudelijke reactie op de “uitlatingen ter zitting” kan niet worden gegeven omdat niet bekend is op welke specifieke uitlatingen wordt gedoeld. Een wrakingsverzoek is niet bedoeld om de wederpartij de mogelijkheid te ontnemen om te reageren op een ingestelde tegenvordering. Er is geen sprake van partijdigheid dan wel de schijn van partijdigheid.

4. De gronden van de beslissing

4.1 De rechtbank is van oordeel dat het wrakingsverzoek niet te laat is ingediend. Aannemelijk is immers dat verzoeker pas na ontvangst van de brief van de griffier van 10 mei 2012 een volledig beeld had van de door de rechter ingenomen standpunten, terwijl het verzoek tot wraking bij de (centrale balie van de) rechtbank is binnengekomen op 18 mei 2012.

4.2 Op grond van het bepaalde in artikel 36 Rv dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter niet onpartijdig is dan wel een vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is.

4.3 Het verzoek berust in de kern op de gedachte dat de rechter op grond van artikel 133 lid 4 Rv een akte van niet dienen had moeten verlenen en dat de beslissing van de rechter om deze akte niet te verlenen zozeer onbegrijpelijk en in het nadeel van verzoeker is dat hieruit de schijn van partijdigheid volgt.

4.4 Het gesloten systeem van rechtsmiddelen biedt geen ruimte voor een beoordeling van de juistheid van een door de rechter genomen (processuele) beslissing. Grond voor wraking bestaat alleen als voor die beslissing geen andere redelijke verklaring kan worden gegeven dan dat deze voortvloeit uit vooringenomenheid van de rechter.

4.5 De wrakingskamer is van oordeel dat van het vorenstaande in dit geval geen sprake is en overweegt daartoe als volgt. Een conclusie (in dit geval een conclusie van antwoord in reconventie) wordt in het onderhavige geval waarin een comparitie is gelast genomen op de terechtzitting. De rechter heeft aangevoerd dat de termijn van zeven dagen zoals opgenomen in het tussenvonnis van 27 februari 2012 is bedoeld om de wederpartij in de gelegenheid te stellen zich voor te bereiden op de conclusie en op eventuele andere stukken die in het geding worden gebracht. Wordt die termijn niet in acht genomen – en heeft de wederpartij zich derhalve onvoldoende kunnen voorbereiden – dan wordt die wederpartij na de comparitie alsnog in de gelegenheid gesteld te reageren op de conclusie. In dit geval is op deze wijze door de rechter beslist. Omdat uitgangspunt is dat een conclusie op de terechtzitting wordt genomen, is in dit geval artikel 133 lid 4 Rv niet van toepassing. De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat het niet verlenen van een akte niet dienen niet als een beslissing kan worden aangemerkt die zozeer onbegrijpelijk is dat daaruit een schijn van vooringenomenheid kan worden afgeleid. Iedere (processuele) beslissing van een rechter kan in het voor- of nadeel van een van de procespartijen uitpakken. Dit enkele feit is echter onvoldoende om van een schijn van vooringenomenheid te kunnen spreken.

4.6 De wrakingskamer is vervolgens van oordeel dat hetgeen hiervoor is overwogen eveneens geldt voor de beslissing van de kantonrechter het verzoek om op grond van artikel 128 Rv geen acht te slaan op de conclusie van antwoord niet in te willigen.

4.7 Verzoeker heeft daarnaast gesteld dat de schijn van vooringenomenheid kan worden afgeleid uit door de rechter gedane uitlatingen ter zitting. In dit kader heeft verzoeker aangevoerd dat de rechter ter comparitie zou hebben gezegd dat het hiervoor onder 4.6 bedoelde verzoek “niet steekhoudend” zou zijn. Mocht al vaststaan dat de rechter deze uitlating heeft gedaan, dan vormt dit geen grond voor wraking.

4.8 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de onpartijdigheid bij de rechter ontbreekt niet objectief gerechtvaardigd is. De beslissing is dan ook als volgt.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat de procedure met zaaknummer [ ] wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.

Aldus gegeven door mrs. R.H. de Vries, voorzitter en M.W. van der Veen en R.A. Overbosch, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juli 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv, geen voorziening open.