Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY7469

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
09/376-R en 09/377-R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De hypothecaire vordering valt in beginsel niet onder de schuldsaneringsregeling (HR 13 maart 2009, LJN: BG7996). Nu de woning tijdens de schuldsaneringsregeling echter is verkocht en met de opbrengst de hypothecaire vordering inclusief rente niet volledig kon worden voldaan, valt ingevolge artikel 299 lid 3 Fw de restschuld wel onder de schuldsaneringsregeling. Het te weinig betaalde bedrag aan hypotheekrente gedurende de schuldsaneringsregeling, hoeft dus thans niet meer te worden voldaan aan de hypotheekbank en is dus geen nieuwe schuld in de zin van artikel 350 Fw. De bank had dit bedrag ter verificatie kunnen indienen. Wel is bij de berekening van het vrij te laten bedrag rekening gehouden met de verschuldigde hypotheekrente. Achteraf bezien hadden schuldenaren het te weinig aan de bank betaalde bedrag aan de boedel kunnen en moeten afdragen. Nu zij dit niet hebben gedaan is de boedel benadeeld, zodat het te weinig aan de bank betaalde bedrag aangemerkt moet worden als boedelachterstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/68

Uitspraak

tussenvonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

insolventienummers: 09/376-R en 09/377-R

uitspraakdatum: 19 december 2012

Bij vonnis van deze rechtbank van 25 mei 2009 is de schuldsanering uitgesproken ten aanzien van:

[A],

geboren op [1963] te [plaats],

en

[B],

geboren op [1969] te [plaats],

beiden wonende te [adres],

- hierna te noemen: de schuldenaren.

De bewindvoerder heeft verzocht de schuldsaneringsregeling te beëindigen. Het verzoek tot beëindiging is behandeld ter terechtzitting van 7 november 2012 en 12 december 2012. Ter zitting van 12 december 2012 zijn de bewindvoerder en de schuldenaren verschenen.

Uit de verslaglegging van de bewindvoerder en hetgeen deze ter zitting heeft verklaard is het volgende gebleken. De schuldenaren hebben (uiteindelijk) aan de voor hen uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen voldaan, met uitzondering van een betalingsachterstand in de maandtermijnen, voortvloeiend uit de met ELQ gesloten hypothecaire leningsovereenkomst. Van deze achterstand, die is ontstaan gedurende de eerste zeven maanden van de schuldsanering, is de bewindvoerder pas kortelings gebleken. De woning van de schuldenaren waarop het recht van hypotheek van ELQ rustte, is op 21 januari 2010 na verkoop overgedragen. Daarmee is het recht van hypotheek komen te vervallen en ELQ heeft haar resterende vordering uit hoofde van de leningsovereenkomst ter verificatie ingediend.

Door de vorige bewindvoerder is met de schuldenaren afgesproken dat zij, totdat de woning verkocht zou zijn, maandelijks een bedrag van € 750,- aan ELQ zouden overmaken ter gedeeltelijke voldoening van de maandelijkse rentetermijnen. Volgens de gegevens van de bewindvoerder hebben zij gedurende zeven maanden bij elkaar echter slechts € 3.238,- voldaan. De rechter-commissaris heeft de bewindvoerder te kennen gegeven dat de uit één en ander voortvloeiende betalingsachterstand van

€ 2.012,- gezien moet worden als een nieuwe schuld aan ELQ.

De schuldenaren hebben ter zitting bevestigd de voornoemde afspraak met de voormalig bewindvoerder te hebben gemaakt. Zij hebben hier niet (geheel) aan voldaan. Van de zeven maanden dat de afspraak van kracht was, hebben zij vijf maal € 750,- voldaan. Daarnaast hebben zij nog één maal € 400,- en één maal € 200,- aan ELQ voldaan. In totaal hebben schuldenaren verklaard € 4.350,- te hebben voldaan terwijl zij volgens afspraak (7 x € 750,-) € 5.250,- hadden moeten voldoen, aldus steeds de schuldenaren.

De schuldenaren hebben voorts verklaard dat hun boekhouder destijds mogelijk rekening heeft gehouden met het gehele uit hoofde van de geldlening aan ELQ verschuldigde bedrag aan hypotheekrente bij de belastingaangifte, zodat mogelijk teveel teruggaaf is ontvangen. De teruggaaf is deels, voor een bedrag groot € 3.966,-, op de boedelrekening gestort. De schuldenaren hebben toegezegd zo spoedig mogelijk een nieuwe aangifte op basis van de juiste gegevens te zullen doen.

De bewindvoerder heeft toegezegd het genoemde bedrag aan teruggaaf op de boedel te houden totdat de Belastingdienst op de nieuwe aangifte heeft beslist. Indien geen gewijzigde beschikking volgt, komt het bedrag aan de boedel toe en zal het betrokken worden in de uitdeling aan de geverifieerde schuldeisers.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vaststaat dat de woning van sanieten gedurende de schuldsaneringsregeling onderhands is verkocht.

De voormalige bewindvoerder heeft in de periode dat sanieten het huis nog bewoonden in de berekening van het vrij te laten bedrag rekening gehouden met de hypotheekrente en sanieten opgedragen € 750,00 (te weten een lager bedrag dan waarmee rekening is gehouden) per maand aan hypotheekrente aan ELQ te betalen. Indien sanieten derhalve hadden voldaan aan de afspraak met de voormalige bewindvoerder dan hadden zij gedurende zeven maanden in totaal € 5.250,-- aan ELQ betaald. Onweersproken is gebleven dat zij niet dit hele bedrag aan ELQ hebben voldaan. Dit kan schuldenaren worden verweten, nu hiermee rekening is gehouden bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag.

De hypothecaire vordering valt in beginsel niet onder de schuldsaneringsregeling (HR 13 maart 2009, LJN: BG7996). Nu de woning tijdens de schuldsaneringsregeling echter is verkocht en met de opbrengst van de woning de hypothecaire geldlening inclusief rente niet volledig kon worden voldaan, valt ingevolge artikel 299 lid 3 Fw de restschuld wel onder de schuldsaneringsregeling. Het te weinig betaalde bedrag aan hypotheekrente gedurende de schuldsaneringsregeling, hoeft zij dus thans niet meer te voldoen aan ELQ en is dus geen nieuwe schuld in de zin van artikel 350 lid 3 sub d Fw. ELQ had dit bedrag ter verificatie kunnen indienen.

Wel is echter bij de berekening van het vrij te laten bedrag in de eerste zeven maanden van schuldsaneringsregeling rekening gehouden met de omstandigheid dat sanieten € 750,00 zouden overmaken aan ELQ. Achteraf bezien hadden sanieten het te weinig aan ELQ betaalde bedrag aan de boedel kunnen en moeten afdragen. Nu schuldenaren dit niet hebben gedaan, is de boedel hierdoor benadeeld, zodat het te weinig aan ELQ betaalde bedrag aangemerkt moet worden als boedelachterstand.

Volgens de gegevens van de bewindvoerder hebben de schuldenaren € 3.238,- aan ELQ voldaan. De rechtbank gaat er dan ook thans van uit dat sprake is van een boedelachterstand ten bedrage van € 2.012,- waarvoor de schuldenaren gedurende een hierna te bepalen termijn de gelegenheid zullen krijgen deze alsnog in te lopen. Voor zover schuldenaren met bewijsstukken aan de bewindvoerder aantonen dat zij gedurende de periode van 25 mei 2009 tot 21 januari 2010 méér dan het door de bewindvoerder genoemde bedrag van € 3.238,- aan ELQ hebben voldaan, dient de boedelachterstand overeenkomstig te worden verminderd.

Eén en ander leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING

De rechtbank:

- houdt de behandeling van de voordracht tot tussentijdse beëindiging van de schuldsanering pro forma aan tot 19 juni 2013 te 13:25 uur, ter gelegenheid van welke behandeling de bewindvoerder en de schuldenaren niet behoeven te verschijnen,

- bepaalt dat, zodra uit de verslaglegging van de bewindvoerder blijkt dat geen achterstand in de boedelachterstand meer bestaat, de behandeling van de beëindiging van de schuldsanering geagendeerd zal worden en aan de schuldenaren de schone lei zal worden verstrekt,

- bepaalt dat hoger beroep van dit vonnis slechts tegelijk met hoger beroep tegen het eindvonnis kan

worden ingesteld.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2012.