Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY6874

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-10-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
1290234 CV EXPL 11-33914
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkgever vordert van ontslagen werknemers hoofdelijke veroordeling van onderzoekskosten voor grootschalig onderzoek naar fraude en verdwijning van goederen in het bedrijf van werkgever. De betrokkenheid van de werknemers bij de verduistering van goederen komt vast te staan. Oordeel kantonrechter: alle werknemers hebben onafhankelijk van de anderen maar in sommige gevallen tezamen, onrechtmatig gehandeld jegens de werkgever, terwijl door een samenloop van deze gelijktijdig of achtereenvolgende gepleegde daden de schade (de kosten van het onderzoek) is veroorzaakt. Alle werknemers zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het geheel van deze schade. Niet alle schade staat in zodanig verband tot het onrechtmatig handelen dat deze aan werknemers kan worden toegerekend.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 96
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 632
Burgerlijk Wetboek Boek 7 661
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2013/20
AR-Updates.nl 2012-1094
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

Rolnummer: 1290234 CV EXPL 11-33914

Vonnis van: 30 oktober 2012

F.no.: 460

Vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de besloten vennootschap BCC (ELECTROSPECIAALZAKEN) B.V.

gevestigd te Amstelveen

eiseres

nader te noemen BCC

gemachtigde: mr. M. Heijsteeg

t e g e n

1. [gedaagde 1]

wonende te Amsterdam

gedaagde

nader te noemen [gedaagde 1]

gemachtigde: mr. W.K. Cheng

2. [gedaagde 2]

wonende te Amsterdam

gedaagde

nader te noemen [gedaagde 2]

niet verschenen

3. [gedaagde 3]

wonende te Amsterdam

gedaagde

nader te noemen [gedaagde 3]

in persoon verschenen

4. [gedaagde 4]

wonende te Amsterdam

gedaagde

nader te noemen [gedaagde 4]

gemachtigde: mr. F. Teuben

5. [gedaagde 5]

wonende te Lelystad

gedaagde

nader te noemen [gedaagde 5]

gemachtigde: mr. D. Talsma

6. [gedaagde 6]

wonende te Amsterdam

gedaagde

nader te noemen [gedaagde 6]

gemachtigde: mr. A.P.W. Tonen

7. [gedaagde 7]

wonende te Leiden

gedaagde

nader te noemen [gedaagde 7].

gemachtigde: mr. S.B.J. Hiemstra

Gedaagden worden gezamenlijk gedaagden genoemd.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

- de dagvaardingen van 28 september 2012 en 3 oktober 2012 inhoudende de vordering van

BCC met producties;

- incidentele conclusie tot vrijwaring van [gedaagde 7];

- referteakte van BCC in het incident

- conclusies van antwoord in het incident van [gedaagde 1], [gedaagde 4], [gedaagde 5] en [gedaagde 6];

- het vonnis in het incident van 13 maart 2012 (CV 11-33914), waarbij de gevorderde oproeping in vrijwaring is afgewezen;

- de conclusies van antwoord van [gedaagde 1], [gedaagde 4], [gedaagde 5], [gedaagde 6] en [gedaagde 7];

- het tussenvonnis 24 april 2012, waarin een verschijning van partijen ter terechtzitting is

bevolen.

[gedaagde 3] is in de gelegenheid gesteld om bij akte van antwoord te dienen, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

De zitting heeft op 4 juli 2012 plaatsgevonden. Verschenen voor BCC zijn

[naam] en [naam], beiden werkzaam op de afdeling Security Risk Management, vergezeld van de gemachtigde van BCC. [gedaagde 1], [gedaagde 4], [gedaagde 5], [gedaagde 6] en [gedaagde 7] zijn verschenen, ieder met zijn gemachtigde. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

feiten en omstandigheden

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

1.1. BCC is een winkelketen op het gebied van elektronische apparatuur.

1.2. Gedaagden waren allen in dienst van BCC. [gedaagde 1] als laadploegmedewerker, [gedaagde 2] als chauffeur, [gedaagde 3] als magazijnmedewerker, [gedaagde 4] als bijrijder, [gedaagde 5] als medewerker goederen afhandeling, [gedaagde 6] als chauffeur en [gedaagde 7] als dossierbeheerder.

1.3. Eind 2009 is bij BCC het vermoeden gerezen dat apparaten binnen het distributiecentrum en het laadplatform te Schiphol-Rijk verdwenen. BCC heeft haar afdeling Security Risk Management (SRM) een intern onderzoek laten instellen en die heeft geconstateerd dat er goederen bij herhaling verdwijnen.

1.4. BCC heeft de politie ingeschakeld. De politie heeft meegedeeld dat op dat moment onvoldoende bewijs was voor een strafrechtelijk onderzoek.

1.5. BCC heeft in overleg met de politie haar interne onderzoek voortgezet. Daarbij heeft zij de hulp van externe deskundigen ingeroepen.

1.6. BCC heeft Interseco opdracht verstrekt onderzoek te doen naar de verduisteringen en de gevolgde werkwijzen. Interseco heeft tussen 18 januari 2010 en 17 februari 2010 onder meer tactisch onderzoek en interviews verricht en observaties gehouden. Daarvoor heeft Interseco een bedrag van € 41.756,40 exclusief BTW in rekening gebracht.

1.7. BCC heeft FSN Facility Services Nederland (verder FSN) opdracht verstrekt om in de periode 13 januari 2010 tot 10 februari 2010 met behulp van camera’s in het distributiecentrum en bij het laadplatform video-opnames te maken. FSN heeft facturen toegezonden van in totaal € 7.632,70 exclusief BTW (zonder de vierkanaals digitale harddiskrecorder).

1.8. Voor het monteren en verwijderen van de onder 1.7 bedoelde camera’s heeft BCC een hoogwerker gehuurd van Instant Holland. De kosten daarvoor bedroegen € 1.380,00 exclusief BTW.

1.9. In de periode van 20 januari 2010 tot en met 19 februari 2010 heeft BCC Preview Safety en Security ingeschakeld om camerabeelden te bekijken en betrokkenen te interviewen. Preview Safety en Security heeft twee facturen ten bedrage van in totaal € 2.575,00 exclusief BTW bij BCC in rekening gebracht.

1.10. BCC heeft Ericom de opdracht verstrekt om bij een woning in Osdorp te posten. De daarvoor in rekening gebrachte kosten bedragen € 210,00 exclusief BTW

(€ 249,00 inclusief BTW).

1.11. BCC heeft de voornoemde rekeningen van de door haar ingeschakelde deskundigen voldaan.

1.12. Op 10 februari 2010 heeft BCC gedaagden elk afzonderlijk gehoord. Uitgezonderd [gedaagde 5] en [gedaagde 7] hebben gedaagden tijdens dat verhoor het (mede)plegen van verduistering tegen BCC toegegeven. Alle gedaagden zijn die dag – schriftelijk bevestigd op 11 februari 2010 – op staande voet ontslagen en tegen hen is aangifte gedaan bij de politie.

1.13. Op 10 februari 2010 zijn nog drie andere medewerkers gehoord, namelijk [naam][naam] en [naam]. Zij zijn meegenomen voor verhoor naar het politiebureau en nadien twee weken geschorst door BCC. Tegen hen is geen aangifte gedaan.

Vordering

2. BCC vordert dat gedaagden, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

Primair

a. hoofdelijk veroordeeld zullen worden tot betaling van € 87.043,96 aan hoofdsom, waarop in mindering strekt het nog resterende salaris per gedaagde;

b. betaling van € 1.500,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

c. betaling van de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 16 februari 2010;

e. hoofdelijk zullen worden veroordeeld in de proceskosten van BCC, te voldoen binnen 14 dagen na datum van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen die termijn is betaald.

Subsidiair, voor het geval de hoofdelijke veroordeling niet wordt toegewezen

a. gedaagden elk afzonderlijk te veroordelen tot betaling van € 12.434,85, waarop in mindering strekt het nog resterende salaris per gedaagde;

b. betaling van 1/7 deel van de wettelijke rente over de primaire hoofdsom althans de subsidiaire hoofdsom,

c. betaling van 1/7 deel van € 1.500,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

d. betaling van 1/7 deel van de proceskosten, te voldoen binnen 14 dagen na datum van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen die termijn is betaald.

3. BCC stelt dat gedaagden zich schuldig hebben gemaakt aan verduistering van zaken van BCC en dat zij daarvoor, uitgezonderd [gedaagde 2], strafrechtelijk zijn veroordeeld. Gedaagden hebben zich daarom niet als goed werknemers gedragen en dus zijn zij toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van hun arbeidsovereenkomst, althans hebben zij onrechtmatig gehandeld jegens BCC. Gedaagden zijn dan ook schadeplichtig jegens BCC. Gedaagden zijn als groep maar ook ieder afzonderlijk aansprakelijk. Gedaagden hebben gedurende een langere periode met elkaar in groepsverband zaken van BCC gestolen. Zij werkten met elkaar samen, zonder elkaar konden gedaagden de verduisteringen niet bewerkstelligen. Gedaagden hadden de mogelijkheid zich uit de groep terug te trekken, maar hebben dat nagelaten. BCC meent dan ook dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn, althans ieder voor een gelijk deel.

4. BCC heeft vermogensschade geleden. Niet alleen is apparatuur gestolen en verdwenen, maar BCC heeft kosten moeten maken teneinde de verduistering opgehelderd te krijgen. De kosten waren noodzakelijk om de aansprakelijkheid vast te stellen en verdere schade te beperken. Deze kosten had BCC niet gehad als niet zou zijn verduisterd en deze kosten vallen niet onder het normale bedrijfsrisico. BCC heeft een diepgaand rechercheonderzoek moeten verrichten om te achterhalen wie achter de verduisteringen zaten. Omdat zij niet de kennis, de middelen en de mankracht had voor de omvang van het onderzoek heeft zij externe deskundige hulp moeten inroepen. Ook heeft zij uitzendkrachten moeten inlenen en krachten van andere afdelingen in moeten zetten op het distributiecentrum en de laadploeg. De uren die BCC intern aan recherche heeft moeten inzetten komen eveneens als schade voor vergoeding in aanmerking. BCC houdt zich het recht voor om de schade aan gestolen apparatuur in een later stadium te verhalen.

5. BCC heeft de door haar geleden schade deels verrekend met resterend salaris. Daartoe was zij op grond van artikel 7:632 BW bevoegd en daarvoor zij heeft in de meeste gevallen ook toestemming van de gedaagden gekregen.

6. BCC heeft buitengerechtelijke incassowerkzaamheden verricht, die voor rekening van gedaagden dienen te komen.

Verweer [gedaagde 1]

7. [gedaagde 1] ontkent niet dat hij apparatuur van BCC heeft verduisterd. [gedaagde 1] betwist de groepsaansprakelijkheid. Hij kende slechts [gedaagde 3] en [gedaagde 4] en had met de andere gedaagden geen band. [gedaagde 1] kan dus slechts op zijn individuele handelen worden afgerekend. Daarbij moet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid er rekening mee worden gehouden dat [gedaagde 1] geen significante rol heeft gehad bij de verduistering, dat hij een verstandelijke beperking en schuldenproblematiek heeft. Ook moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat BCC een groot en financieel krachtig bedrijf is.

8. [gedaagde 1] bewist de hoogte van de gevorderde schadevergoeding. BCC heeft ten onrechte het rechercheonderzoek uitbesteed aan Interseco, Preview Safety en Security en FSN. BCC beschikt immers over een afdeling Security Risk Management, die zich onder meer bezig houdt met interne criminaliteit. Die afdeling had zelf de betreffende werkzaamheden kunnen verrichten. De kosten zijn onnodig gemaakt. De urenspecificatie bij de verschillende facturen zijn te algemeen en ondeugdelijk. Niet valt in te zien dat de uren die in rekening zijn gebracht na het ontslag van [gedaagde 1] op 10 februari 2010 voor zijn rekening zouden moeten komen. [gedaagde 1] heeft elke factuur nader betwist. [gedaagde 1] meent dat de kosten die zien op drie medewerkers die niet strafrechtelijk zijn vervolgd kosten zijn die tot het normale bedrijfsrisico behoren en voor BCC dienen te blijven. Hetzelfde geldt voor de gevorderde uren van de afdelingen logistiek, ICD en SRM. Die uren vallen onder de taken van de betreffende afdelingen. De schadebegroting door BCC is buitenproportioneel hoog en dient te worden gematigd.

Verweer [gedaagde 4]

9. [gedaagde 4] ontkent niet dat hij heeft verduisterd, maar betwist dat sprake is van groepsaansprakelijkheid. Van een doorlopend of voortgezet handelen in groepsverband is geen sprake geweest. [gedaagde 4] kan alleen voor de schade die als gevolg van zijn individuele handelen is veroorzaakt aansprakelijk worden gesteld. Voor zover het bestaan van een groep wordt aangenomen, behoorde hij tot een groep van drie personen, zodat slechts de door die groep veroorzaakte schade voor rekening van [gedaagde 4] kan komen. Op gronden van redelijkheid en billijkheid dient die schade te worden gematigd. Het aandeel van [gedaagde 4] bij de verduisteringen was gering. [gedaagde 4] heeft geen initiatief genomen, hij handelde slechts op basis van opdracht van zijn leidinggevende. Hij was erg beïnvloedbaar omdat hij veel schulden had en net vader was geworden. [gedaagde 4] was de jongste van de daders en was slechts bijrijder.

10. [gedaagde 4] betwist de hoogte van de gevorderde schade. Niet is vast komen te staan wat de omvang is van de door gedaagde aangerichte schade. Die omvang is van belang om te bepalen of het onderzoek dat door BCC is ingesteld noodzakelijk en redelijk is geweest. Voor zover dit niet het geval zou zijn dan ontbreekt het causale verband. Voor zover de omvang van het onderzoek gerechtvaardigd is, is de gevorderde schadevergoeding niet geheel aan [gedaagde 4] toe te rekenen. Zo zijn de gevorderde kosten die na het ontslag en dus na 11 februari 2010 zijn gemaakt niet toerekenbaar. Ook is een deel van de gevorderde schade toe te rekenen aan BCC zelf, omdat zij onnodig lang gebruik heeft gemaakt van diensten van externe bedrijven en heeft BCC, hoewel daarvan op de hoogte, de verduisteringen langer laten doorgaan dan nodig. Daarnaast zijn externe bedrijven ingeschakeld voor werkzaamheden die BCC zelf had kunnen verrichten. Zij beschikt immers over een afdeling Security Risk Management. De schade had derhalve beperkt kunnen worden. [gedaagde 4] heeft elke factuur/schadepost nader betwist.

Verweer [gedaagde 5]

11. [gedaagde 5] betwist dat hij heeft verduisterd of anderszins toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn arbeidsovereenkomst of onrechtmatig heeft gehandeld jegens BCC. [gedaagde 5] heeft goederen die wegens een defect vernietigd zouden worden meegenomen en weggegeven. Omdat de goederen vernietigd zouden worden was sprake van res nullius. BCC is niet benadeeld. [gedaagde 5] betwist met klem dat hij de verdenking van verduistering heeft toegegeven ten overstaan van de politie. [gedaagde 5] ontkent dat hij heeft deel uitgemaakt van een groep die verduisterde. Hij heeft slechts met [gedaagde 7] te maken gehad. In ieder geval is hij zich niet bewust geweest dat hij onderdeel van een groep zou zijn geweest. BCC heeft geen schade geleden als gevolg van het handelen van [gedaagde 5].

12. [gedaagde 5] betwist de hoogte van de gevorderde schade. De kosten voor het door BCC verrichte onderzoek zijn buitenproportioneel hoog en zijn niet ten behoeve van het handelen van [gedaagde 5] gemaakt. BCC heeft geenszins voldaan aan haar schadebeperkingsplicht. De opdrachtverlening aan de externe bedrijven zijn niet helder en de kosten zijn ondeugdelijk gespecificeerd. De kosten met betrekking tot de ingehuurde (uitzend) krachten op de afdeling distributiecentrum en laadploeg regardeert [gedaagde 5] niet. Hij was namelijk werkzaam op de afdeling Technische dienst. Bovendien komen deze kosten voor rekening en risico van BCC. Het vorderen van kosten voor vier werknemers van de afdeling logistiek, ICD en SRM door BCC is in strijd met de redelijkheid en billijkheid althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De daarop betrekking hebbende specificatie is ook niet na te gaan.

13. [gedaagde 5] betwist buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente te zijn verschuldigd.

Verweer [gedaagde 6]

14. [gedaagde 6] betwist dat hij aansprakelijk is voor de door BCC gestelde schade. Hij heeft niet verduisterd en evenmin tot een groep behoord die georganiseerd goederen heeft verduisterd van BCC. [gedaagde 6] betwist de juistheid van de door BCC overgelegde verklaring. [gedaagde 6] erkent dat hij door de strafrechter is veroordeeld en dat het vonnis onherroepelijk is geworden, maar hij is ten onrechte veroordeeld. De veroordeling ziet uitsluitend op de gebeurtenissen van 6 februari 2010.

15. Voor zover [gedaagde 6] in enige vorm aansprakelijk wordt gehouden voor een deel van de kosten, meent hij dat de opgegeven kosten niet voldoende duidelijk zijn gespecificeerd of toegelicht en zodoende de dubbele redelijkheidstoets niet kunnen doorstaan. [gedaagde 6] bestrijdt de noodzaak van het huren van de hoogwerker voor negen dagen en bestrijdt de hoogte van de factuur voor het huren daarvan. De kosten met betrekking tot de ingehuurde (uitzend) krachten op de afdeling distributiecentrum en laadploeg komen voor risico van BCC. Omdat [gedaagde 6] niet aansprakelijk is komt BCC geen beroep toe op verrekening met nog verschuldigd salaris.

Verweer [gedaagde 7]

16. [gedaagde 7] erkent de veroordeling maar ontkent dat hij deel uitmaakte van een groep die met elkaar apparatuur van BCC verduisterde. Hij werkte enkel samen met [gedaagde 5], waarvan [gedaagde 7] wist dat die betrokken was bij verduisteringen. Het lag op de weg van BCC om aan te tonen voor welke onrechtmatige daden [gedaagde 7] aansprakelijk is.

17. [gedaagde 7] betwist de hoogte van de gestelde schade. De gemaakte kosten zijn buitenproportioneel en het is niet redelijk om [gedaagde 7] gezien de toegebrachte schade aansprakelijk te stellen voor het gehele onderzoek. BCC heeft voorts nodeloos het onderzoek uit handen gegeven aan externen en daarvoor onnodig kosten gemaakt. Alle kosten gemaakt na 11 februari 2010 komen voor rekening van BCC. [gedaagde 7] heeft elke factuur nader betwist en de aansprakelijkheid voor de gevorderde kosten voor de afdeling logistiek, ICD en SRM als onvoldoende onderbouwd bestreden, terwijl de kosten voor de afdeling distributiecentrum en laadploeg in de ogen van [gedaagde 7] voor rekening van BCC dienen te blijven. Het is gelet op zijn kleine rol niet redelijk als de schade op hem wordt verhaald, althans, dit leidt alsdan tot onaanvaardbare gevolgen. [gedaagde 7] heeft inmiddels een nieuwe baan en de kans is groot dat BCC bij hem verhaal zal halen, terwijl de andere gedaagden vermoedelijk geen intern verhaal bieden. [gedaagde 7] verzoekt de kantonrechter de schade te matigen.

Beoordeling

18. [gedaagde 2] is niet verschenen in het geding. BCC heeft ter zitting verklaard dat met hem een betalingsregeling is overeengekomen, waarbij is overeengekomen dat hij ongeacht het vonnis 1/7 deel van de gevorderde schade zal vergoeden. Indien hij daaraan niet zal voldoen zal het vonnis worden betekend en tenuitvoergelegd. [gedaagde 2] wordt verstek verleend en de vordering wordt, voor zover deze niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, toegewezen.

19. [gedaagde 3] is verschenen maar heeft niet geantwoord, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld. Voor zover de vordering niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, wordt deze toegewezen.

20. De kantonrechter zal de stellingen en de verweren van [gedaagde 1], [gedaagde 4], [gedaagde 5], [gedaagde 6] en [gedaagde 7] gezamenlijk behandelen. Voor zover één van de gedaagden zich verweerd heeft, waar de ander dat niet heeft gedaan, heeft te gelden dat, voor zover het verweer terecht naar voren is gebracht, de vordering op dat betreffende punt jegens alle overige gedaagden onrechtmatig voorkomt. De goede procesorde verlangt dat.

21. Vaststaat dat alle gedaagden zich schuldig hebben gemaakt aan het (mede) plegen van verduistering van apparatuur van hun werkgever BCC. Als onvoldoende weersproken is immers ter zitting vast komen te staan dat gedaagden, afgezien van [gedaagde 2], allen strafrechtelijk onherroepelijk voor deze bewezen verklaarde feiten zijn veroordeeld. De stelling van [gedaagde 5] dat hij slechts overtollige zaken heeft meegenomen, is dan ook niet relevant. BCC heeft gesteld dat [gedaagde 2] jegens BCC heeft erkend dat hij heeft verduisterd en dat hij een regeling met BCC is overeengekomen voor de betaling van de schade. Daarmee staat vast dat elke gedaagde op zich toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens BCC. Gedaagden zijn dan ook aansprakelijk voor de schade die BCC als gevolg van het handelen van elke gedaagde heeft geleden. Of gedaagden ook als groep aansprakelijk kunnen worden gehouden voor iedere verduistering is voor deze zaak niet relevant, nu in deze procedure BCC slechts veroordeling van de kosten vordert die zij heeft moeten maken voor de vaststelling van de aansprakelijkheid van gedaagden en het beperken van haar schade (en heeft zich het recht voorbehouden om overige vermogensschade te verhalen). Overwogen wordt als volgt.

22. BCC heeft een onderzoek ingesteld naar aanleiding van het gerezen vermoeden dat (grootschalig) werd verduisterd. Aannemelijk is dat BCC aanvankelijk niet wist wie daarvoor verantwoordelijk was en vast staat dat het verrichte onderzoek duidelijkheid over de aansprakelijkheid van gedaagden heeft gegeven. Het onderzoek is tevens noodzakelijk geweest verdere schade te beperken. De kosten voor het onderzoek zouden dan ook niet gemaakt zijn als gedaagden niet zouden hebben verduisterd. Het onderzoek is bovendien als gevolg van het onrechtmatige handelen van elk van de onderhavige gedaagden in gang gezet, terwijl het onderzoek heeft uitgewezen dat elke gedaagde zich heeft schuldig gemaakt aan het (mede) plegen van verduisteringen en dus het onrechtmatige handelen van elk der gedaagden jegens BCC. Hiermee is het causale verband gegeven. Er is aldus sprake van dat alle gedaagden – in ieder geval onafhankelijk van de anderen maar in sommige gevallen tezamen – onrechtmatig hebben gehandeld jegens BCC, terwijl door een samenloop van deze gelijktijdig of achtereenvolgende gepleegde daden de schade (de kosten van het onderzoek) is veroorzaakt. Alle gedaagden zijn derhalve voor het geheel van deze schade hoofdelijk aansprakelijk met dien verstande dat betaling door de één, de anderen bevrijdt. Voor zover gedaagden zich hebben beroepen op hun geringe rol bij de verduisteringen, is dit niet van belang voor de hoofdelijkheid. Hooguit kan dit relevant zijn voor de interne draagplicht tussen eisers, wat er ook van zij.

23. Beoordeeld zal vervolgens moeten worden of de door BCC gemaakte onderzoekskosten de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan en aan gedaagden kunnen worden toegerekend.

24. BCC heeft op enig moment redelijkerwijs het onderzoek naar de verdwijningen van haar apparatuur uit handen gegeven aan externe deskundigen met het doel te kunnen vaststellen of het gerezen vermoeden van verduistering klopte, door wie werd verduisterd, wanneer en op welke schaal. Hoewel BCC beschikt over een afdeling SRM, die zich naar eigen zeggen mede bezig houdt met het ontdekken van verduistering door personeel en het voorkomen en bestrijden ervan, heeft BCC aannemelijk gemaakt dat de omvang van het onderzoek de capaciteit en expertise van haar afdeling te boven ging. Zo waren er meerdere afdelingen bij de ongeregeldheden betrokken en heeft de politie naar aanleiding van de resultaten van het door de afdeling SRM verrichte interne onderzoek meegedeeld niet voldoende bewijs te hebben voor strafrechtelijke vervolging. Het plaatsen van (extra) camera’s en recorders met onder meer een hoogwerker bij het distributiecentrum en het laadplatform valt redelijkerwijs niet binnen normale interne onderzoekshandelingen, terwijl het evenmin onredelijk was om die camera’s en recorders te plaatsen. Het onderzoek was erop gericht om te achterhalen welke personen verduisterden, hetgeen uiteindelijk geresulteerd heeft in zeven verdachte personen. Op basis van dit onderzoek is tegen alle gedaagden aangifte gedaan bij de politie, waarna zij strafrechtelijk zijn vervolgd en veroordeeld (met uitzondering van [gedaagde 2]).

25. De kantonrechter zal per BCC gevorderde post beoordelen in hoeverre deze redelijk zijn en redelijkerwijs aan gedaagden kunnen worden toegerekend.

Interseco

26. Interseco heeft in de periode van 18 januari 2010 tot en met 11 maart 2010 onderzoekswerkzaamheden verricht. Gedaagden hebben aangevoerd dat de kosten na het ontslag geen betrekking meer kunnen hebben gehad op hun onrechtmatige gedragingen, daargelaten enkele afrondingsuren. BCC heeft daarop weliswaar gesteld dat Interseco nadien nog verslagen heeft gemaakt, aangifte heeft gedaan en andere afrondingskosten heeft gemaakt, maar deze stelling wordt niet gestaafd met de specificatie van Interseco. Achter de betreffende uren is immers de omschrijving ‘observatie tactisch BCC’, ‘tactisch onderzoek’ of in het geheel geen omschrijving opgenomen. Het causale verband tussen de uren die na 11 februari 2010 in rekening zijn gebracht en de onrechtmatige gedragingen van gedaagden is onvoldoende onderbouwd (11 u tactisch onderzoek, 10 u observatie) en derhalve niet aan gedaagden toe te rekenen. Hetzelfde geldt voor de uren van [naam] (6,50) op 9 februari 2010 (€ 2.078,12 exclusief BTW tactisch onderzoek, € 1.080,00 exclusief BTW observatie). Overigens is de rekening voldoende gespecificeerd en niet onredelijk hoog. Het lag in de rede dat Interseco de bedrijfsprocessen van BCC moest inventariseren alvorens zij kon onderzoeken of werd verduisterd en door wie. Dat betekent dat een bedrag van € 38.598,28 exclusief BTW voor toewijzing gereed ligt.

Preview Safety en Security

27. BCC heeft blijkbaar gebruik gemaakt van de kennis van Preview Safety en Security. Gelet op rechtsoverweging 21 komt de kantonrechter dit niet onredelijk voor en zijn de kosten niet onredelijk hoog. De kosten ad € 2.575,00 exclusief BTW zijn in redelijkheid aan gedaagden toe te rekenen. Na de verleende ontslagen heeft Preview Safety en Security nog 5 uur in rekening gebracht. Deze bestede uren ter afronding van het onderzoek en ook de daaraan verbonden kosten zijn evenmin onredelijk.

FSN

28. BCC heeft de door FSN geplaatste camera’s en recorders drie weken na de gegeven ontslagen pas laten verwijderen. De noodzaak daarvan is niet voldoende onderbouwd en is niet gebleken. De kosten zijn tot hooguit een week na de ontslagen te billijken en op die voet redelijkerwijs toe te rekenen aan gedaagden (€ 1.360,00 exclusief BTW). Gelet op de aard van de te onderzoeken feiten en omstandigheden lag het in de rede dat BCC de camera’s buiten kantoortijd, namelijk s’avonds, liet bevestigen. De meerkosten daarvoor zijn niet onredelijk.

29. [gedaagde 4] heeft betwist dat hem de kosten voor het plaatsen van een leenrecorder in verband met een defecte recorder, het afgeven van de gerepareerde recorder en het teruggeven van de recorder aan hem kunnen worden toegerekend. BCC heeft vervolgens geen gegronde reden gegeven. Naar het oordeel van de kantonrechter staan de facturen (F100332: € 126,25, F100334: € 260,00, F100335: € 60,00, telkens exclusief BTW) daarvoor in een te ver verwijderd verband tot de onrechtmatige handelingen van gedaagden en dienen afgewezen te worden.

30. Gelet op het voorgaande is een bedrag van € 6.931,33 exclusief BTW redelijkerwijs toerekenbaar.

Ericom

31. Het verweer van gedaagden dat geen van hen een connectie had met een woning in Osdorp heeft BCC ter zitting erkend, maar toegelicht dat de observatie als onderdeel van het onderzoek toch toe te rekenen is aan gedaagden. De kantonrechter volgt BCC hierin niet en oordeelt dat deze kosten in een te ver verband staan van de onrechtmatige handelingen van gedaagden en derhalve niet aan hen toerekenbaar zijn, zodat dit onderdeel wordt afgewezen.

Instant Holland

32. Nu niet weersproken is dat de voor het onderzoek benodigde camera’s zijn gemonteerd aan hoge plafonds bij het distributiecentrum en het laadplatform, heeft BCC op zich terecht een hoogwerker moeten huren. Gezien de aanleiding van het onderzoek was het begrijpelijk dat BCC de hoogwerker enkele dagen langer huurde om zodoende haar rechercheonderzoek niet prijs te geven aan haar werknemers, maar negen dagen is niet ‘enkele dagen’. BCC had haar schade moeten beperken en had de hoogwerker na drie dagen kunnen laten terughalen, waarmee zij hetzelfde effect zou hebben bereikt. Ook heeft BCC niet nader kunnen uitleggen en heeft dit ook blijkbaar niet met Instant Holland opgenomen, waarom het huurtarief verdubbeld is in maart 2010. De verdubbeling dient voor rekening van BCC te komen. Dat betekent dat aan gedaagden toerekenbaar is een bedrag van € 723,75 exclusief BTW.

Kosten distributiecentrum en laadploeg

33. Vaststaat dat BCC kosten heeft moeten maken ten gevolge van de schorsing van [naam], [naam] en [naam]. De kosten vallen mogelijk binnen het kader van het onderzoek naar de verdenking van de verduisteringen binnen BCC, maar hebben geen betrekking op het onrechtmatige handelen van (één van) de gedaagden. De kosten zien bovendien op een periode die na het ontslag van gedaagden zijn gemaakt. Deze schade staat dan ook niet in zodanig verband met de verduisteringen door gedaagden (mede)gepleegd, dat die schade aan gedaagden toe te rekenen is. Dit gedeelte van de vordering wordt afgewezen.

Kosten inzet uren Logistiek, ICD en SRM

34. Op zichzelf behoren interne kosten door tijdsbeslag van eigen medewerkers met in dit geval know-how op gebied van interne en externe veiligheid, tot de nadelige gevolgen van een onrechtmatige daad en kunnen die, voor zover zij redelijk zijn, voor vergoeding in aanmerking komen (HR 1 juli 1993 LJN ZC1036 de Staat/NCB). BCC vordert vergoeding van loon van medewerkers die volgens BCC aan het rechercheonderzoek zouden hebben meegewerkt. BCC heeft gesteld dat het betreft de medewerkers [naam], [naam], [naam] en [naam] en daarbij een overzicht van uren overgelegd met de benaming ‘inzet uren Logistiek, ICD en SRM’. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is het de kantonrechter niet duidelijk geworden in hoeverre de afdeling Logistiek zich bezig heeft gehouden met het onderzoek, in hoeverre de afdeling ICD (waar die afkorting voor staat is de kantonrechter niet bekend) en in hoeverre de afdeling SRM, of dat deze onderdelen gezamenlijk een grote afdeling zou zijn. Vast staat dat de afdeling SRM werkzaamheden heeft verricht, maar uit het overzicht of de gegeven toelichting blijkt geenszins wie de genoemde personen zijn noch welke werkzaamheden zij verrichten, afgezien van [naam]. Daardoor is niet vast te stellen of de werkzaamheden en zo ja in hoeverre, zijn toe te rekenen aan het onderhavige onderzoek. Ook is niet te beoordelen of mogelijk de kosten ook hadden bestaan indien de verduisteringen niet hadden plaatsgevonden, zoals door gedaagden betoogd. BCC stelt nog dat de kosten in rekening worden gebracht vanaf week 1 vanaf 2010, maar gelet op het overzicht vordert BCC 170 uur gemaakt in 2009 (zonder nader te specificeren).

35. Gelet op het voorgaande komen de uren die [naam] heeft gewerkt aan het onderzoek in 2010 voor vergoeding in aanmerking (250 x € 35,00 = € 8.750,00 bruto). Gedaagden hebben onvoldoende gesteld, hetgeen op hun weg lag, voor het oordeel dat [naam] deze werkzaamheden ook had verricht als de verduisteringen niet zouden hebben plaatsgevonden.

36. De kantonrechter komt tot de slotsom dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een bedrag van € 57.578,36 (BTW is niet gevorderd) aan kosten die BCC redelijkerwijs heeft moeten maken ter vaststelling van de aansprakelijkheid van gedaagden dan wel ter beperking van de schade, waarop in mindering strekt het nog door BCC aan gedaagden verschuldigde salaris. Nu de schade is ontstaan als gevolg van opzettelijk handelen door gedaagden is BCC daartoe bevoegd. De door BCC terzake genoemde bedragen aan salaris zijn onweersproken, zodat van de juistheid daarvan kan worden uitgegaan.

37. Ter zitting is nog betoogd dat BCC verzekerd is tegen de thans gevorderd schade en dat de geleden schade tenminste voor een deel moet zijn vergoed. Nu BCC heeft betwist dat zij verzekerd is tegen dergelijke schade en de stelling overigens niet nader is onderbouwd, wordt daaraan voorbij gegaan.

38. Reeds gelet op de aard van de aansprakelijkheid, namelijk het opzettelijk benadelen van de werkgever, ziet de kantonrechter in de gegeven omstandigheden geen aanleiding om de schadevergoeding te matigen.

39. De wettelijke rente wordt toegewezen als gevorderd. De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. Het versturen van een enkele aanmaning is onvoldoende voor afzonderlijke toewijzing van buitengerechtelijke incassokosten. Overigens is onvoldoende gesteld voor het oordeel dat werkzaamheden zijn verricht anders dan ter voorbereiding van de procedure en ter instructie van de zaak.

40. Nu de primaire vordering voor toewijzing gereed ligt, wordt niet toegekomen aan de subsidiaire vordering.

41. Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding om video- of geluidsbeelden of een transcriptie van het civiele verhoor van [gedaagde 6] in het geding te laten brengen, zoals hij heeft verzocht.

42. Gedaagden worden als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van BCC. Nu gedaagden hoofdelijk verbonden zijn tot waar zij ten principale toe zijn veroordeeld, worden zij ook voor de proceskosten hoofdelijk veroordeeld.

43. Ten aanzien van het incident wordt [gedaagde 7] als in het ongelijk gestelde eiser in het incident veroordeeld in de proceskosten van gedaagden in het incident.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. veroordeelt gedaagden hoofdelijk, waarbij [gedaagde 2] bij verstek wordt veroordeeld, tot betaling aan BCC van € 57.578,36 aan schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2010, waarop in mindering strekt het door BCC aan elk der gedaagden verschuldigde salaris, zijnde

aan [gedaagde 1]: € 1.425,62

aan [gedaagde 2]: € 2.584,10

aan [gedaagde 3]: € 1.546,90

aan [gedaagde 4]: € 881,97

aan [gedaagde 5]: € 1.668,31

aan [gedaagde 6]: € 1.428,31

aan [gedaagde 7]: € 2.104,81

II. veroordeelt gedaagden hoofdelijk, waarbij [gedaagde 2] bij verstek wordt veroordeeld, tot betaling aan BCC van:

-griffierecht: € 851,00

-kosten dagvaarding: € 263,93

-salaris gemachtigde: € 1.200,00

--------------

Totaal: € 2.314,93

één en ander, voor zover verschuldigd, inclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis, als niet binnen die 14 dagen wordt betaald;

III. veroordeelt [gedaagde 7] tot betaling van de proceskosten in het incident te betalen aan en begroot op:

BCC: nihil

[gedaagde 1] € 100,00

[gedaagde 2]: nihil

[gedaagde 3]: nihil

[gedaagde 4]: € 100,00

[gedaagde 5]: € 100,00

[gedaagde 6]: € 100,00

IV. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

V. wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. M.D. Ruizeveld, kantonrechter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 oktober 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.