Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY6284

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
13/525620-09 (eindvonnis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vier jaar gevangenisstraf en tbs met verpleging van overheidswege na doodslag.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 16
Wetboek van Strafvordering 37
Penitentiaire beginselenwet
Penitentiaire beginselenwet 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2013, 41
NBSTRAF 2013/41

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/525620-09

Datum uitspraak: 13 december 2012

Tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1976],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], [postcode] [plaats], alwaar hij is gedetineerd in de Forensisch Psychiatrische Afdeling van Psychiatrisch Centrum [locatie].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 14 juni 2012, 10, 11 en 24 september 2012 en 28 en 29 november 2012.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging op de terechtzitting van 28 november 2012 - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 augustus 2009 te [plaats], tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [A] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [A] een of meermalen, met een schaar, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn keel en/of hals en/of borst en/of (linker) zijde/flank en/of (linker)arm, in elk geval in zijn lichaam, gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [A] is overleden;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 3 augustus 2009 te [plaats], tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk [A] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [A], een of meermalen met een schaar, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn keel en/of hals en/of borst en/of (linker) zijde/flank en/of (linker)arm, in elk geval in zijn lichaam, gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [A] is overleden;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 3 augustus 2009 te [plaats], tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, aan [A] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een (diepe) (steek)wond in de keel en/of hals, in elk geval in het lichaam, en/of 35, in elk geval één of meer, (steek)wond(en) in de borst en/of (linker)zijde/flank en/of (linker)arm, in elk geval in het lichaam), heeft toegebracht, door opzettelijk die [A] een of meermalen met een schaar, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp in zijn keel en/of hals en/of borst en/of (linker)zijde/flank en/of (linker)arm, in elk geval in zijn lichaam, te steken en/of te snijden, tengevolge waarvan voornoemde [A] is overleden;

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

3.1 De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen primair is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

3.2 De rechtbank gaat bij de bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde uit van de navolgende feiten en omstandigheden.i

Op 3 augustus 2009 omstreeks 11:47 uur wordt door ambulancepersoneel in zijn woning aan de [adres] te [plaats] het stoffelijk overschot aangetroffen van [A] (hierna te noemen: [A]).ii Het slachtoffer ligt op de grond in de woonkamer en heeft een snee in zijn keel.

Oorzaak van het overlijden

De patholoog constateert bij onderzoek van het lichaam van [A] middenvoor aan de hals een 6 centimeter diepe steekwond waarbij aan het eind van het steekkanaal een op een schaarpunt gelijkend driehoekig metalen voorwerp wordt aangetroffen. In het steekkanaal is bovendien een wervelslagader geraakt en er is veel bloed verloren.

Behoudens de verwonding aan de hals zijn er in het lichaam van het slachtoffer nog 35 andere huidperforaties aangebracht (33 in de linkerzijde van de borst en de linkerflank en 2 in de linkerbovenarm).

In relatie tot de verwonding aan de hals constateert de patholoog voorts een breuk in het strottenhoofd en in relatie tot de overige letsels diverse gebroken ribben hetgeen, aldus de patholoog, duidt op bij het steken uitgeoefende krachtsinwerking.

Al het letsel is veroorzaakt op het moment dat het slachtoffer nog in leven was.

De patholoog komt tot de conclusie dat het overlijden van [A] goed kan worden verklaard door functieverlies van vitale organen als gevolg van het opgetreden bloedverlies.iii

De politie treft bij onderzoek op de plaats delict naast het lichaam van het slachtoffer een schaar aan waarvan de punt van een van de bladen is afgebroken.iv Geconfronteerd met foto's van de schaar, is de patholoog van oordeel dat de wond aan de hals goed past bij het steken met deze schaar en dat de overige verwondingen passen bij het steken met een schaar.v Vervolgens wordt er een vergelijkend onderzoek van de breukvlakken van de schaar en het uit het lichaam afkomstige metalen voorwerp verricht. Deze breukvlakken blijken identiek te zijn. Op basis van dit onderzoek kan volgens de politie worden geconcludeerd dat de schaar en het metalen voorwerp oorspronkelijk één geheel hebben gevormd.

De rechtbank onderschrijft de conclusie van de politie dat de resultaten van het onderzoek naar de breukvlakken in combinatie met de bevindingen van de patholoog bij de sectie leiden tot de conclusie dat de verwonding in de keel door middel van deze schaar is toegebracht.vi

Daargelaten de volgorde waarin de diverse verwondingen zijn toegebracht, hierover kan de patholoog geen uitsluitsel geven, acht de rechtbank, gelet op de hoeveelheid verwondingen en kennelijke kracht die nodig was voor het toebrengen daarvan, niet aannemelijk dat het slachtoffer dit zelf gedaan kan hebben of dat deze het gevolg zijn van een ongeval.

De rechtbank stelt derhalve vast dat het niet anders kan zijn dan dat deze door een derde zijn veroorzaakt.

Tijdstip van overlijden

Voordat het stoffelijk overschot door het ambulancepersoneel werd gevonden had de politie eerder die dag om 11.38 via telefoonnummer 112 een melding ontvangen van getuige [B], naar later blijkt de moeder van verdachte. Zij constateerde bij thuiskomst dat het slachtoffer op de grond lag en reeds koud aanvoelde. vii

Op basis van de resultaten van temperatuuronderzoek stelt de recherche vast dat het slachtoffer op 3 augustus 2009 tussen 03:47 en 09:34 uur moet zijn overleden.viii

Gebruik verklaring verdachte

De vraag is vervolgens wie er tussen genoemde tijdstippen in de woning van [A] hebben verbleven. De rechtbank zal ter onderbouwing van haar standpunten daaromtrent tevens gebruik maken van de verklaring van verdachte. Gelet op zijn psychische gesteldheid, waarover hierna meer, zal de rechtbank dit met de nodige behoedzaamheid en terughoudendheid doen. Dit betekent dat vooral die onderdelen uit de verklaring van verdachte voor het bewijs zullen worden gebruikt voor zover die ondersteuning vinden in andere bewijsmiddelen.

Aanwezigen in de woning

Vast staat dat in de dagen voorafgaand aan 3 augustus 2009 naast [A] ook verdachte en zijn moeder in de woning verbleven. Verdachte en zijn moeder leidden een zwervend bestaan en [A] bood hen een onderdak. Op 2 augustus 2009 waren alleen deze drie personen in de woning aanwezig, tot het moment waarop moeder rond 22:00 uur de woning heeft verlaten. Zowel moeder als verdachte hebben hierover eensluidend verklaard.ix en x Moeder verbleef in de nacht van 2 op 3 augustus met een vriend in een hotel. Dit is nadien door zowel de vriendxi als personeel van het hotelxii bevestigd.

Zij keerde pas de volgende ochtend rond 11:30 uur terug bij de woning.

Naar het oordeel van de rechtbank is het niet aannemelijk dat er na het vertrek van moeder naast verdachte en [A] nog andere mensen in de woning zijn geweest tot aan de volgende ochtend 09.34 uur. [A] leidde een teruggetrokken leven en liet veelal geen andere mensen, soms zelfs zijn eigen familie niet, in zijn woning toe. Zijn broer heeft hierover als getuige bij de politie verklaardxiii en in het uitgebreide buurtonderzoek van de politie, alsmede in de bevindingen van de buurtregisseur wordt dit beeld bevestigd.xiv

Voorts zijn er door de politie geen aanwijzingen gevonden die er op zouden kunnen duiden dat tegen de wil van [A] nog andere personen in de woning zijn geweest. Er zijn immers geen braaksporen geconstateerd en de achterdeur die toegang geeft tot een niet van buitenaf toegankelijke binnentuin was afgesloten. Ook het sporenbeeld zoals dat in de woning werd aangetroffen, duidt niet op de aanwezigheid van meerdere personen. Er zijn geen sporen van een uitgebreide vechtpartij of worsteling. De woning verkeert in een relatief ordelijke staat en ook het sporenbeeld rond het slachtoffer vertoont geen opvallende verstoringen. De meubels en overige voorwerpen lijken (grotendeels) op hun plaats te staan en er worden, behoudens op en rond het slachtoffer, geen bloedsporen in de woning aangetroffen.xv

Aannemelijk is derhalve dat vanaf ongeveer 22:00 uur alleen [A] en verdachte nog in de woning aanwezig waren. Moeder heeft verklaard dat zij hen bij haar vertrek in elkaars gezelschap had achtergelatenxvi en ook verdachte zelf heeft dit meermalen verklaard.xvii

Betrokkenheid verdachte

Op het moment dat de politie rond 11:50 uur in de ochtend van 3 augustus 2009 bij de woning arriveert, is [A] al overleden. Er is dan, naast de moeder van verdachte, verder niemand in de woning aanwezig. Omdat verdachte in de loop van die dag niet terugkeert naar de woning en hij ook geen contact opneemt met zijn moeder, wordt hij door de politie als verdachte aangemerkt. De volgende dag wordt hij in Amsterdam aangehouden.

Op de manchet van de jas, de hand en de nek van verdachte worden bloedsporen aangetroffen. Uit DNA-onderzoek blijkt dat het DNA-profiel van het bloed op de jas en de hand van verdachte matcht met het DNA-profiel van [A].xviii De stof van de jas is verzadigd van bloed, hetgeen volgens de recherche waarschijnlijk is veroorzaakt doordat de manchet in aanraking is geweest met vloeibaar bloed.xix

De rechtbank merkt hierbij nog op dat er in het dossier geen aanwijzingen te vinden zijn voor een ander incident waarbij mogelijk een dergelijke hoeveelheid bloed van [A] op verdachte terecht zou kunnen zijn gekomen.

Verdachte wordt vervolgens een aantal keren door de politie gehoord. Hoewel, zoals gezegd, uiterst behoedzaam met zijn verklaring dient te worden omgegaan, kan daarin naar het oordeel van de rechtbank wel een consistente lijn worden gezien, namelijk dat in de woning van [A] een incident is geweest waarna verdachte de woning heeft verlaten. Verdachte heeft vanaf het begin verklaard dat hij samen met [A] in de woning was, dat [A] is gevallen, dat er veel bloed was en dat hij, verdachte, vervolgens is weggegaan.xx

Opvallend is naar het oordeel van de rechtbank voorts dat verdachte tijdens één van de verhoren uit het niets en ongevraagd over een schaar begint.xxi Hoewel theoretisch niet valt uit te sluiten dat informatie over het feit dat uit onderzoek was gebleken dat de verwondingen van [A] mogelijk met een schaar zouden zijn toegebracht, verdachte via een derde zouden hebben bereikt, acht de rechtbank dit niet aannemelijk nu verdachte toentertijd in beperkingen zat en niet gesteld is dat verdachte dit van zijn (toenmalige) advocaat heeft gehoord. Het gegeven dat verdachte spontaan en schijnbaar uit het niets over een schaar verklaart, sterkt de rechtbank in haar overtuiging dat verdachte betrokken is geweest bij hetgeen hem wordt verweten.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende conclusie.

Vast staat dat in de woning een incident is voorgevallen waarbij [A] met een schaar om het leven is gebracht. Nu, zoals hiervoor is vastgesteld, alleen verdachte ten tijde van het incident bij [A] in de woning aanwezig kan zijn geweest, leidt dit in onderling verband en samenhang bezien met alle overige hierboven genoemde feiten en omstandigheden tot de conclusie dat verdachte hiervoor verantwoordelijk is. Dat achteraf niet valt vast te stellen wat er precies is voorgevallen, of wat de aanleiding is geweest, maakt dat niet anders.

3.3. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Subsidiair:

op 3 augustus 2009 te [plaats], opzettelijk [A] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [A], met een schaar in zijn keel en hals gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [A] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

Gedragskundig en medisch onderzoek

Gedurende de eerste periode van detentie was de psychische conditie van de verdachte zo slecht, dat deze aanleiding vormde voor nader onderzoek naar het vermogen van de verdachte om de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen en om zijn belangen in het strafproces te waarderen, zulks met het oog op de door de verdediging opgeworpen vraag of toepassing diende te worden gegeven aan artikel 16 dan wel artikel 509a van het Wetboek van Strafvordering.

Nadat was gebleken dat zonder ingrepen als hiervoor bedoeld het proces kon worden voortgezet, heeft de rechtbank op 24 september 2012 bepaald dat er aanvullende rapportages omtrent de verdachte dienden te worden opgemaakt door prof. dr. C. Jonker, gedragsneuroloog, om eerdere MRI-scans alsnog te beoordelen, en door B.F.M. Lijten, GGZ-verpleegkundig specialist en begeleider van verdachte op de Forensich Psychiatrische Afdeling van het Psychiatrisch Centrum [locatie] te [plaats], teneinde een helder beeld te krijgen van de actuele ontwikkelingen in zijn toestandsbeeld.

In opdracht van de rechtbank hebben de hier na te noemen deskundigen een (nadere) rapportage uitgebracht:

• prof. dr. C. de Ruiter, Faculty of Psychology and Neuroscience, op 13 oktober 2009

• L.Groenveld-Hogervorst,psychiatrisch verpleegkundige, R.J. Kalkhoven, psychiatrisch verpleegkundige en B.F.M. Lijten, voornoemde GGZ-verpleegkundig specialist op 12 maart 2010.

• Prof. dr. C. Jonker, gedragsneuroloog, op 25 maart 2010, 26 januari 2011, 31 augustus 2012 en 2 november 2012

• dr. F.B. van der Wurff, psychiater, drs. J.Heerschop, GZ-psycholoog op 1 april 2010 en 31 augustus 2012

• R.J.P. Rijnders, psychiater en B.H. Boer, psycholoog, werkzaam bij het NIFP, locatie PBC op 24 februari 2012 en 26 juli 2012;

• B.F.M. Lijten, voornoemde GGZ-verpleegkundig specialist op 12 november 2012

Bespreking rapportages

Uit de uitgebrachte rapporten blijkt dat de deskundigen zonder uitzondering tot de conclusie komen dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, die ook ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig was. Het betreft een combinatie van ernstige stoornissen te weten schizofrenie, zwakbegaafdheid en hersenorganisch lijden, waarbij de deskundigen verschillende accenten leggen bij het relatieve aandeel van genoemde aandoeningen in het tot stand komen van het ten laste gelegde.

Gedragsneuroloog Jonker constateert dat sprake is van hersenorganisch lijden in de linkerhersenhelft, dat tenminste deels verantwoordelijk is voor de begripsstoornis en de gedragsverandering van verdachte. Niet aangegeven kan worden in welke mate dit hersenorganisch lijden het gedrag beïnvloedt omdat ook schizofrenie gepaard kan gaan met functiestoornissen. Deze deskundige is voorts ter terechtzitting van 10 september 2012 gehoord, waarbij hij onder andere heeft verklaard dat de schizofrenie ook een belangrijk element vormt in het functioneren van verdachte maar dat hij de organische component zwaarder weegt dan de andere deskundigen.

Psychiater Van der Wurff heeft ter terechtzitting van 10 september 2012 verklaard dat psycholoog Heerschop en hij aanvankelijk het hersenorganisch lijden de meest passende verklaring voor het gedrag van verdachte achtten gezien het gedrag, de cognitieve beperkingen en het atypische beeld. Nu verdachte echter mede onder invloed van anti-psychotische medicatie een aanzienlijke verbetering vertoont, maakt dit de diagnose schizofrenie veel waarschijnlijker. Het hersenorganisch aspect lijkt wel een rol te spelen bij zijn problemen.

Van der Wurff en Heerschop verklaarden ter terechtzitting voorts dat zij verdachte verminderd toerekeningsvatbaarheid achten, maar volledige ontoerekeningsvatbaarheid niet uitsluiten.

Psychiater Rijnders en psycholoog Boer komen in hun rapportage tot de diagnose schizofrenie van het ongedifferentieerde type, waarbij cognitieve en emotionele kwaliteiten sterk afnemen. Daarbij past de verslechtering van het gedrag van verdachte die wordt beschreven vanaf zijn 17e en de knik in de levenslijn vanaf het 29ste levensjaar. Hallucinaties en waanbeelden die waarschijnlijk in het verleden een rol speelden zijn nu niet meer waarneembaar. Wel zijn de zogenaamde negatieve symptomen van schizofrenie zoals passiviteit, vervlakt affect, en emotionele teruggetrokkenheid prominent aanwezig. Ook het cognitief verval waardoor verdachte inmiddels op zwakzinnig niveau functioneert, moet als gevolg van de schizofrenie worden beschouwd. Er zijn onvoldoende aanwijzingen de afwijkingen in de hersenen als oorzaak van zijn gestoord gedrag te beschouwen. Ze hebben wellicht wel enig effect maar deze effecten vallen in het niet bij de ernstige schizofrenie.

Ter terechtzitting van 10 september 2012 heeft Rijnders verklaard dat Boer en hij verdachte tenminste verminderd toerekeningsvatbaar achten maar ontoerekeningsvatbaarheid niet uitsluiten.

De rechtbank neemt het door de deskundigen gedeelde oordeel, dat bij de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van schizofrenie, hersenorganische afwijkingen en zwakbegaafdheid over en maakt het tot het hare. Het betreft hier een combinatie van ernstige psychische aandoeningen.

De precieze aanleiding en het motief voor het ten laste gelegde zijn niet duidelijk geworden, zodat de rechtbank niet kan vaststellen dat verdachte (volledig) vanuit psychotische motieven tot zijn daad is gekomen. Wel zijn de deskundigen eensluidend in hun advies dat de ruimte voor toerekening beperkt is.

Gelet op de inhoud van bovengenoemde rapportages, in onderling verband en samenhang beschouwd, komt de rechtbank tot de slotsom dat met het oog op de straftoemeting er van dient te worden uitgegaan dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde leed aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens dat hij als sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt.

Nu van volledige ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte geen sprake is en ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die tot een andersluidend oordeel aanleiding zou kunnen geven, is de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde feit strafbaar te achten.

7. Motivering van de straf en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar subsidiair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest alsmede tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft een toenmalige vriend van zijn moeder van het leven beroofd door hem dood te steken met een schaar. Daarnaast heeft hij het slachtoffer daarmee meer dan dertig verwondingen toegebracht. Met zijn daad heeft hij verdriet en ontreddering teweeggebracht bij de nabestaanden.

Gezien de ernst en de aard van het feit komt geen andere straf in aanmerking dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank neemt bij de bepaling van de op te leggen straf als vertrekpunt de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar. Nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie, die de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar achtte, slechts ruimte ziet voor een nog sterker beperkte mate van toerekening, zal de rechtbank tot een lagere gevangenisstraf komen dan de officier van justitie heeft gevorderd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren passend en geboden is.

Terbeschikkingstelling

De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken en met een civiele rechterlijke machtiging in de FPA [plaats] te laten opnemen.

Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, bestond bij verdachte ten tijde van het begaan van de bewezen verklaarde feiten een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Er is voorts sprake van een geweldsdelict dat een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Tevens is er sprake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Psychiater Rijnders en psycholoog Boer hebben zich uitgelaten omtrent de aard van de stoornis, de kans op recidive en de aard en duur van noodzakelijke behandeling en begeleiding. Ook hebben zij geadviseerd omtrent de wijze waarop het recidiverisico kan worden teruggedrongen.

Zij stellen vast dat de agressie van verdachte voortvloeit uit de schizofrene ontwikkeling en daarin is verankerd. Zijn agressie is het gevolg van de door het schizofrene proces veroorzaakte beperkte grip die hij heeft op stressvolle situaties. Daardoor wordt de drempel voor handelend agressief gedrag eerder bereikt dan in het verleden. Verslechtering van de agressieregulatie hoort vanwege de voortschrijdende schizofrenie ook tot de mogelijkheden. De kans op een nieuw agressief delict achten zij op korte termijn buiten een behandelsituatie matig verhoogd. Op langere termijn sluiten ze niet uit dat het risico iets hoger dan matig verhoogd ligt. Verdachte heeft geen ziektebesef of ziekte inzicht en psychiatrische behandeling is noodzakelijk. Op basis van de ernst van het ten laste gelegde en het gevaar voor herhaling adviseren zij tot tbs met bevel verpleging.

Ter terechtzitting van 10 september 2012 heeft psychiater Rijnders verklaard dat het niet zeldzaam is dat met de schizofrenie ook de agressieproblematiek verslechtert. Mensen kunnen door de schizofrenie enorm afgestompt raken. Toch kan er dan plotseling een agressiedoorbraak ontstaan. Doordat de patiënt initiatieflozer wordt, zal de agressieregulatie schijnbaar verbeteren, maar toch kan onverwachts de agressie ineens doorbreken.

De rechtbank maakt de conclusies van de deskundigen Rijnders en Boer tot de hare en legt deze ten grondslag aan haar beslissing.

Verdachte dient op grond van het vorenstaande ter beschikking te worden gesteld en van overheidswege te worden verpleegd, mede aangezien het subsidiair bewezen geachte een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.

De rechtbank overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten doodslag. Dit betreft het subsidiair bewezen geachte feit. De maatregel kan daarom langer duren dan vier jaar.

Onttrekking aan het verkeer

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een schaar en een schaarpunt (nummers 3 en 22 van de beslaglijst), dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen het subsidiair bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 37a, 37b, 38e en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast voorts dat verdachte ter beschikking gesteld zal worden en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Voor de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf danwel de wachttijd voorafgaand aan de plaatsing in een inrichting voor terbeschikkinggestelden wijst de rechtbank, krachtens artikel 15, vierde lid, van de Penitentiaire Beginselenwet, Forensisch Psychiatrische Afdeling van Psychiatrisch Centrum [locatie] te [plaats] aan als meest geschikte plaats van detentie, gezien de psychische stoornissen van verdachte en zijn reeds langdurige verblijf op deze locatie.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- een schaar (nr. 3 op de beslaglijst)

- een schaarpunt (nr. 22 op de beslaglijst)

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

- de voorwerpen als genoemd op de beslaglijst onder de nummers 1, 2, 4 t/m 21 en 31 t/m 45.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. W.M.C. van den Berg en P. Sloot, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 december 2012.

i Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 augustus 2009 (p. A 011 e.v.)

iii Een verslag, nummer 2009.08.04.001van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 1 december 2009, opgemaakt door de beëdigde deskundige A. Maes, arts en patholoog. (p. A 0145 e.v.)

iv Proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 augustus 2009 (p. A 0023 e.v.)

v Een verslag, nummer 2009.08.04.001van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 1 december 2009, opgemaakt door de beëdigde deskundige A. Maes, arts en patholoog. (p. A 0145 e.v.)

vi Proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 augustus 2009 (p. A 0023 e.v.)

vii Proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 augustus 2009 (p. A 0620 e.v.)

viii Proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 augustus 2009 (p. A 0023 e.v.)

ix Proces-verbaal verhoor getuige [B] d.d. 3 augustus 2009 (p. A 0472)

x Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 5 november 2009 (p. A 0211 e.v.) en verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 28 november 2012.

xi Proces-verbaal verhoor getuige [P] d.d. 6 augustus 2009 (p. A 0587 e.v.)

xii Proces-verbaal verhoor getuige en proces-verbaal verhoor getuige [D] (p. A 0605)

xiii Proces-verbaal verhoor getuige [E] d.d. 14 augustus 2009 (p. A 0577 e.v.)

xiv Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 augustus 2009 (p. A 0470 e.v.)

xv Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 augustus 2009 (p. A 0023 e.v.)

xvi Proces-verbaal verhoor getuige [B] d.d. 3 augustus 2009 (p. A 0472 e.v.)

xvii Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 5 november 2009 (p. A 0211) en verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 28 november 2012.

xviii Een verslag, nummer 2009.08.04.001van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 6 augustus 2009, opgemaakt door de beëdigde deskundige H.N. Bauer. (p. A 0122 e.v.)

xix Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 augustus 2009 (p. A 0090)

xx Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 5 november 2009 (p. A 0211), proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 6 november 2012 (p. A 0812) en verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 28 november 2012.

xxi Een geschrift, zijnde een transcript van een audiovisueel opgenomen verhoor van verdachte d.d. 6 augustus 2009 (p. A 0274)

??

??

??

??

Parketnummer: 13/525620-09 Vonnis: 13 december 2012

[verdachte]

10

8