Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY5210

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-10-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
AWB 12-1495 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering wegens onttrekking aan detentie. Artikel 13, eerste lid van de Wwb. In geval van intrekking van de bijstandsuitkering op deze grond kunnen zich in het individuele geval bijzondere omstandigheden voordoen die maken dat, niet tegenstaande de gegevens van het CJIB, er toch niet kan worden gesproken van ‘zich onttrekken’. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake kan zijn van een rauwelijkse intrekking van de uitkering. De zorgvuldigheid maakt het noodzakelijk dat verweerder de betrokkene in de gelegenheid stelt om op de gegevens van het CJIB en het voorgenomen besluit tot intrekking te reageren alvorens met voldoende zekerheid te kunnen vaststellen dat sprake is van onttrekking en de uitkering in te trekken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gehouden was naar aanleiding van de bezwaren en de informatie van het CJIB zelfstandig te beoordelen of eiseres zich daadwerkelijk heeft onttrokken aan een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Nu verweerder dat heeft nagelaten, is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/1495 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

gemachtigde mr. B.P. Kuhn,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde F.H.W. Fris.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingetrokken met ingang van 1 juli 2011.

Bij besluit van 13 februari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2012.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Eiseres ontving sinds 26 oktober 2007 een bijstandsuitkering.

1.2. Eiseres is bij vonnis van deze rechtbank (13/993060-08) van 19 september 2008 veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur. Eiseres heeft 11 uur van deze taakstraf vervuld.

Op 17 augustus 2009 is het resterende deel van de taakstraf (89 uur) omgezet in een vervangende hechtenis van 45 dagen.

1.3. Op 12 september 2009 heeft de politie de woning van eiseres betreden, terwijl eiseres zich in het buitenland bevond.

1.4. Op 14 juli 2010 is eiseres door het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) als voortvluchtig gesignaleerd.

1.5. Op 26 september 2011 heeft het CJIB verweerder geinformeerd dat eiseres sinds

14 juli 2010 als voortvluchtig is gesignaleerd.

1.6. Verweerder heeft bij besluit van 8 november 2011 de bijstandsuitkering van eiseres ingetrokken per 14 juli 2010 op de grond dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij als voortvluchtig is geregistreerd.

1.7. Bij het primaire besluit heeft verweerder – onder intrekking van het besluit van

8 november 2012 – de uitkering van eiseres op grond van de WWB ingetrokken per

1 juli 2011, op de grond dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij als voortvluchtig is geregistreerd.

1.8. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit herzien en aan de intrekking ten grondslag gelegd dat eiseres zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB.

1.9. Eiseres heeft in beroep – kort gezegd – het volgende aangevoerd. Eiseres heeft vanwege verblijf in het buitenland te laat bezwaar ingediend tegen de omzetting van de taakstraf in vervangende hechtenis. Eiseres heeft zich bovendien niet uit zichzelf gemeld voor de tenuitvoerlegging van de hechtenis omdat haar is gezegd dat zij daarvoor een oproep zou ontvangen.

2. De rechtbank gaat uit van het volgende juridisch kader.

2.1. Op grond van artikel 13, eerste lid, onder b, van de WWB heeft geen recht op bijstand degene die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Blijkens artikel 1, onder h, van de WWB wordt onder een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel verstaan: een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht.

2.2. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de WWB kan het college, gelet op alle omstandigheden, aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, in afwijking van paragraaf 2.2. van de WWB, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

3. De rechtbank beoordeelt het beroep als volgt.

3.1. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder terecht de bijstandsuitkering van eiseres heeft ingetrokken per 1 juli 2011 omdat zij is aan te merken als voortvluchtige.

3.2. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan het bestreden besluit de gegevens van de melding van het CJIB van 26 september 2011 ten grondslag heeft gelegd. Daarin is achter het Burger Service Nummer (BSN) van eiseres vermeld: “Staat in het ops vanaf 14-07-2010. Het parketnummer is 13.93060.08. Het betreft een OH vonnis en de straf is 45 dagen.”

De melding van het CJIB is vervolgens bevestigd bij emailbericht van 7 november 2011 van [A], werkzaam bij de politie Amsterdam Amstelland, aan een medewerker van verweerder. Verweerder heeft op grond hiervan geoordeeld dat eiseres zich heeft onttrokken aan een vrijheidsstraf.

3.3. De rechtbank is van oordeel dat om te kunnen spreken van ‘onttrekken’ vast moet staan dat de betrokkene wetenschap heeft of geacht moet worden te hebben van de veroordeling tot de vrijheidsbenemende maatregel of vrijheidsstraf. Daarbij dient per geval te worden beoordeeld dat er zich in het individuele geval bijzondere omstandigheden kunnen voordoen die maken dat, niet tegenstaande de gegevens van het CJIB, er toch niet kan worden gesproken van ‘zich onttrekken’. Zo kan het zijn dat de betrokkene kan aantonen dat de informatie van het CJIB onjuist is en dat hij geen kennis heeft van het vonnis of de omzetting van de opgelegde straf. Verder is denkbaar dat de betrokkene vanwege omstandigheden, bijvoorbeeld ernstige ziekte, niet in staat is om mee te werken aan de tenuitvoerlegging. In dat geval ligt het op de weg van verweerder om de aan de, betwiste, informatie van het CJIB ten grondslag liggende stukken te achterhalen teneinde te kunnen vaststellen dat de betrokkene zich (toch) daadwerkelijk aan de tenuitvoerlegging heeft onttrokken. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van deze rechtbank van

4 januari 2012, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN:BV0448).

3.4. De rechtbank is van oordeel dat, nu het in casu gaat om een (in ernstige mate) de burger belastend besluit, geen sprake kan zijn van een rauwelijkse intrekking van de betreffende uitkering. De zorgvuldigheid die bij de voorbereiding en het nemen van een zodanig besluit is vereist, maakt het noodzakelijk dat verweerder de betrokkene in de gelegenheid stelt om op de gegevens van het CJIB en het voorgenomen besluit tot intrekking te reageren alvorens met voldoende zekerheid te kunnen vaststellen dat sprake is van onttrekking en de primaire besluiten te nemen. Door een dergelijke zorgvuldige handelwijze kan worden voorkomen dat ten onrechte toepassing wordt gegeven aan artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. De betrokkene heeft dan immers de gelegenheid om aan te tonen dat geen sprake is van onttrekking. Deze aankondiging van de voorgenomen intrekking heeft overigens als bijkomend voordeel dat de betrokkene - voor zover nog nodig - in kennis wordt gesteld van het feit dat er sprake is van een niet uitgezeten vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel. Ten slotte biedt zulk een vooraankondiging de betrokkene de mogelijkheid om zich alsnog te melden voor detentie of een verzoek om gratie in te dienen, dan wel maatregelen te treffen in verband met de gevolgen van de intrekking van zijn uitkering. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn reageert, heeft verweerder de bevoegdheid om de uitkering op te schorten vanwege het niet verstrekt krijgen van essentiële informatie.

3.5. Gelet op de eerder aangehaalde uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank zou het stellen van een termijn van een maand voor een reactie van de betrokkene op de gegevens omtrent de onttrekking en het voornemen tot intrekking, in overeenstemming kunnen worden geacht met de vereiste zorgvuldigheid.

3.6. Eiseres stelt dat zij wellicht genoteerd staat als voortvluchtig maar zij zich niet aan de straf onttrekt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gehouden was naar aanleiding van de bezwaren en de informatie van het CJIB zelfstandig te beoordelen of eiseres zich daadwerkelijk heeft onttrokken aan een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Nu verweerder dat heeft nagelaten, is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid.

3.7. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit zonder de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen, zodat sprake is van strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

3.8. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en het primaire besluit te herroepen. Hiertoe acht de rechtbank relevant dat tot op heden grond van de gepresenteerde gegevens en het verhandelde ter terechtzitting niet zonder meer is komen vast te staan dat eiseres zich daadwerkelijk aan een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel heeft onttrokken.

Dit betekent dat het recht van eiseres op een bijstandsuitkering per 1 juli 2011 herleeft.

3.9. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten worden onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 874, - (1 punt voor het indienen van het beroepschrift + 1 punt voor het verschijnen ter zitting, per punt € 437, -). Verweerder dient tevens het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 13 februari 2012;

- herroept de besluiten van 8 november 2011 en 12 december 2011;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 874,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 42,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.R. Docter, rechter,

in aanwezigheid van mr. S.J. van Schagen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2012.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB