Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY5207

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
AWB 11-2871 TOG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering TOG aan in Marokko wonende aanvrager. EG-Verordening 883/2004 is niet van toepassing. Geen strijd met artikel 65 Associatieovereenkomst EG-Marokko, noch met artikel 3 NMV. Indirect onderscheid naar nationaliteit is gerechtvaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2871 TOG

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser]

wonende te [plaats] (Marokko),

eiser,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank,

verweerder,

gemachtigde mr. G.E. Eind.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (TOG) buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 7 april 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), om uitspraak te doen zonder behandeling ter zitting, heeft de rechtbank niettemin aanleiding gezien de zaak te verwijzen naar een zitting van de meervoudige kamer. Ter voorbereiding hiervan heeft de rechtbank bij brief van 8 maart 2012 een aantal vragen gesteld aan verweerder. Verweerder heeft die vragen beantwoord bij brief van 7 juni 2012.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 26 juni 2012. Eiser is niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1. De rechtbank stelt allereerst vast dat zij het beroepschrift van eiser buiten de beroepstermijn als bedoeld in de artikelen 6:7, 6:8 en 6:9 van de Awb heeft ontvangen. De rechtbank heeft het beroep immers op 9 juni 2011 ontvangen, terwijl de beroepstermijn eindigde op 19 mei 2011. De rechtbank is evenwel van oordeel dat redelijkerwijs niet gesteld kan worden dat eiser in verzuim is geweest. Eiser is woonachtig in Marokko en heeft het beroepschrift ruim binnen de gestelde beroepstermijn van zes weken per post verzonden, namelijk op 9 mei 2011. De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee al datgene heeft gedaan wat van hem redelijkerwijs verwacht mocht worden. De rechtbank verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 31 mei 2007 (LJN: BA6714). Het beroep is ontvankelijk.

1.2. De rechtbank heeft op 20 juni 2012 een brief van eiser van 7 juni 2012 ontvangen waarin eiser heeft verzocht om toewijzing van een advocaat die eiser tijdens de beroepsprocedure zou kunnen vertegenwoordigen. Nu de behandeling van een dergelijk verzoek de bevoegdheid van de rechtbank te buiten gaat, heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen.

2. Feiten en omstandigheden

2.1. Bij de beoordeling van het beroep neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden als uitgangspunt.

2.2. Eiser heeft in het verleden in Nederland gewoond en gewerkt. Op enig moment is hij teruggekeerd naar Marokko. Ten tijde van de aanvraag ontving, en ook thans ontvangt eiser een Nederlands ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Hij ontvangt tevens kinderbijslag ten behoeve van zijn drie kinderen.

2.3. Op 7 december 2010 heeft eiser een aanvraag om een tegemoetkoming op grond van de TOG ingediend ten behoeve van zijn zoon [zoon], geboren op [1999]. [zoon] woont bij zijn vader in Marokko.

3. Standpunten partijen

3.1. In het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld. Verweerder heeft daartoe overwogen dat enkel recht bestaat op een tegemoetkoming op grond van de TOG als eiser in de Europese Unie woont.

3.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft beslist dat eiser geen recht heeft op een tegemoetkoming op grond van de TOG, omdat eiser en [zoon] niet in Nederland en niet in de Europese Unie wonen.

3.3. In reactie op de door de rechtbank gestelde vragen heeft verweerder zich voorts op het standpunt gesteld dat eiser ook aan diverse internationaalrechtelijke bepalingen geen recht op tegemoetkoming kan ontlenen.

3.4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij een ouderdomspensioen uit Nederland ontvangt. [zoon] is minderjarig en volledig invalide. Eiser stelt daarmee aan de voorwaarden te voldoen voor toekenning van een tegemoetkoming op grond van de TOG.

4. Wettelijk kader

4.1. In artikel 4, eerste lid, van de TOG is bepaald dat de natuurlijke persoon die hier te lande woont en tot wiens huishouden het kind hier te lande op de peildag behoort over dat kwartaal recht heeft op een tegemoetkoming ten behoeve van dat kind op grond van deze regeling.

4.2. In artikel 67 van de EG-Verordening 883/2004 (de Verordening) is bepaald dat een (onder de personele werkingssfeer van de Verordening vallende) persoon recht heeft op gezinsbijslag overeenkomstig de wetgeving van de bevoegde lidstaat, ook voor de gezinsleden die in een andere lidstaat wonen, alsof deze in eerstbedoelde lidstaat woonden. Een pensioengerechtigde heeft echter recht op gezinsbijslag overeenkomstig de wetgeving van de lidstaten die bevoegd zijn voor zijn pensioen.

4.3. In artikel 65, eerste lid, van de Euro-Mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (de Associatieovereenkomst), is bepaald dat werknemers van Marokkaanse nationaliteit en de bij hen woonachtige gezinsleden op het gebied van de sociale zekerheid onder een regeling vallen die wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen deze werknemers en de eigen onderdanen van de lid-staten waar zij werkzaam zijn.

In het derde lid van dit artikel is bepaald dat deze werknemers in aanmerking komen voor gezinsbijslagen voor de leden van hun gezin die binnen de Gemeenschap woonachtig zijn.

4.4. In artikel 3 van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (NMV) is – voor zover hier relevant – bepaald dat onderdanen van een der verdragsluitende partijen op wie dit verdrag van toepassing is, onder dezelfde voorwaarden onderworpen zijn aan de verplichtingen en gerechtigd zijn tot de voordelen, voortvloeiende uit de wettelijke regelingen van die andere partij, als de onderdanen van de andere partij.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in het bestreden besluit concludeert dat eiser geen recht heeft op een tegemoetkoming TOG voor [zoon]. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verweerder daarmee heeft bedoeld aan te geven dat hij de aanvraag afwijst en niet, zoals in het primaire besluit, buiten behandeling stelt.

5.2. In geschil is de vraag of verweerder terecht de aanvraag van eiser tot een tegemoetkoming op grond van de TOG heeft afgewezen.

5.3. Uit artikel 4 van de TOG blijkt dat alleen recht op tegemoetkoming kan bestaan voor personen die in Nederland woonachtig zijn. Nu eiser en [zoon] in Marokko wonen, is aan die voorwaarde niet voldaan. Aan de nationale regelgeving kan eiser dan ook geen aanspraak op tegemoetkoming ontlenen. Ten aanzien van de vraag of eiser aan bovengenoemde internationale regelingen een TOG-aanspraak kan ontlenen, overweegt de rechtbank het volgende.

5.4. Aan de Verordening kan eiser naar het oordeel van de rechtbank geen aanspraak ontlenen, nu eiser niet kan worden aangemerkt als een binnen de Europese Unie migrerend werknemer en hij en [zoon] niet in een EU-lidstaat wonen. De Verordening is dan ook niet van toepassing.

5.5. Ten aanzien van het in artikel 65 van de Associatieovereenkomst neergelegde discriminatieverbod wijst de rechtbank op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 20 maart 2001 in de zaak Fahmi en Esmoris Cerdeiro (te vinden op http://curia.europa.eu onder nummer C-33/99). In dit arrest heeft het Hof, onder aanhaling van de ook door verweerder genoemde arresten in de zaken Kziber en Mesbah, in de punten 56 tot en met 58 overwegingen gewijd aan artikel 41 van de Samenwerkingsovereenkomst. Laatstgenoemd artikel komt inhoudelijk overeen met artikel 65 van de voor de Samenwerkingsovereenkomst in de plaats gekomen Associatieovereenkomst. Het Hof heeft het volgende overwogen:

56. Blijkens de rechtspraak van het Hof beoogt de Samenwerkingsovereenkomst de sociale positie van Marokkaanse werknemers en van de gezinsleden die in de lidstaat van ontvangst bij hen wonen, te versterken (arrest van 11 november 1999, Mesbah, C-179/98, Jurispr. blz. I-7955, punt 36) en is het in art. 41, lid 1, van deze overeenkomst neergelegde discriminatieverbod, in het bijzonder wat gezinsbijslagen betreft, slechts verzekerd binnen de grenzen van de voorwaarden bepaald in het derde lid van deze bepaling (arrest van 31 januari 1991, Kziber, C-18/90, Jurispr. blz. I-199, punt 18).

57. In casu volstaat derhalve de vaststelling — zonder dat behoeft te worden onderzocht welke juridische kwalificatie in het licht van de Samenwerkingsovereenkomst precies moet worden toegekend aan uitkeringen als die krachtens de WSF — dat gezien zowel de formulering van art. 41, leden 1 en 3, van deze overeenkomst als de geest van deze bepaling een Marokkaanse werknemer noch zijn kinderen zich met betrekking tot uitkeringen als in het hoofdgeding aan de orde zijn, kunnen beroepen op het in deze bepaling neergelegde discriminatieverbod, wanneer de kinderen van deze werknemer niet binnen de Gemeenschap wonen.

58. Het antwoord op de eerste vraag luidt derhalve, dat art. 41 van de Samenwerkingsovereenkomst aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer de ten laste komende kinderen van een Marokkaanse werknemer niet binnen de Gemeenschap wonen, noch deze werknemer noch zijn kinderen zich met betrekking tot een studiefinanciering als die van de WSF kunnen beroepen op het in deze bepaling neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit op het gebied van de sociale zekerheid.

Uit deze overwegingen blijkt dat een geslaagd beroep op artikel 65 van de Associatieovereenkomst alleen kan worden gedaan door een Marokkaanse werknemer die met zijn kind(eren) woont in een EU-lidstaat. Hiervoor is reeds vastgesteld dat eiser en [zoon] in Marokko wonen. Aan artikel 65 van de Associatieovereenkomst kan eiser dan ook geen aanspraak op de TOG ontlenen. Hierbij merkt de rechtbank op dat ook wanneer eiser zich wel op de nondiscriminatiebepaling zou kunnen beroepen, het derde lid van dit artikel aan toekenning van de tegemoetkoming in de weg staat. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of de TOG-tegemoetkoming als gezinsbijslag kan worden aangemerkt, is van belang dat dit artikellid als voorwaarde stelt dat het betreffende gezinslid in de Europese Gemeenschap (thans: Unie) woonachtig is.

5.6. Tot slot overweegt de rechtbank ten aanzien van het NMV als volgt.

5.7. De rechtbank stelt vast dat artikel 5 van het NMV, waarnaar verweerder in de beantwoording van de vragen van de rechtbank heeft verwezen, in dit geval niet aan de orde is, omdat deze bepaling de export van uitkeringen betreft en het in eisers zaak gaat om de toekenning van een recht op verstrekking of uitkering.

5.8. Artikel 3 van het NMV kan wel door eiser worden ingeroepen. In artikel 3 van het NMV is het beginsel van gelijke behandeling van Nederlandse en Marokkaanse onderdanen neergelegd. Dit beginsel verbiedt niet alleen een direct onderscheid naar nationaliteit, maar ook iedere indirecte ongelijke behandeling die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leidt. Tenzij objectief gerechtvaardigd en evenredig aan het nagestreefde doel, moet een bepaling van nationaal recht als indirect discriminerend worden beschouwd, als zij naar haar aard Marokkaanse onderdanen eerder kan treffen dan Nederlandse onderdanen en dus meer in het bijzonder Marokkaanse onderdanen dreigt te treffen. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover in de zaak van eiser ten aanzien van artikel 4 van de TOG sprake is van onderscheid, dit een indirect onderscheid naar nationaliteit betreft. Personen met een andere dan de Nederlandse nationaliteit zullen immers in de regel minder goed voldoen aan de in de TOG gestelde voorwaarde van woonachtig zijn in Nederland, dan personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten. Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat voor het gemaakte onderscheid een rechtvaardigingsgrond bestaat, gelegen in het soevereiniteitsbeginsel. Een lidstaat mag aanspraken beperken tot personen die in Nederland wonen, aldus verweerder.

5.9. De rechtbank overweegt dat ook andere (wettelijke) regelingen het recht op verzekering, uitkering of verstrekking afhankelijk stellen van het woonachtig zijn in Nederland. In het kader van de verzekering voor de volksverzekeringen bijvoorbeeld is, met name na de afschaffing per 1 januari 2000 van de verplichte verzekering van personen die in het buitenland wonen en een Nederlandse uitkering ontvangen, in de rechtspraak veelvuldig geoordeeld dat de wens van de regelgever om terug te keren naar het oorspronkelijke doel van de volksverzekeringen, namelijk het verzekeren van ingezetenen, een objectieve rechtvaardigingsgrond oplevert bij het gemaakte indirecte onderscheid naar nationaliteit (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 24 december 2003, LJN: AO2909). Naar het oordeel van de rechtbank is die rechtvaardigingsgrond ook ten aanzien van de TOG aanwezig. Dat betekent dat eiser ook aan artikel 3 van het NMV geen aanspraak op een tegemoetkoming kan ontlenen.

5.10. Gelet op het vorenstaande is de vraag of de (op de Kaderwet SZW-subsidies gebaseerde) TOG-tegemoetkoming als een subsidie dan wel als een vorm van gezinsbijslag moet worden aangemerkt, in deze zaak niet relevant. Beantwoording van met de kwalificatie van de TOG samenhangende deelvragen kan en zal de rechtbank dan ook achterwege laten.

5.11. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

5.12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.P.J. de Graaf, voorzitter,

mrs. C. Bakker en M.C. Eggink, leden, in aanwezigheid van

mr. J.A. Lammertink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2012.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

D:B

SB