Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY5206

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-10-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
AWB 12/1515 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

UWV opgeroepen, maar niet verschenen. Op grond van artikel 8:31 Awb verbindt de rechtbank daaraan de gevolgtrekking dat laat ingediende stukken alsnog onderdeel kunnen uitmaken van het dossier. Indien verweerder conform oproep zou zijn verschenen, had deze op de stukken kunnen reageren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/1515 WW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder,

gemachtigde W.J.L. Weltevrede.

Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om overname van de betalingsverplichtingen van haar werkgever HP Juristen gedeeltelijk toegewezen, maar ten aanzien van vakantiegeld, onkosten en opleidingskosten afgewezen.

Bij besluiten van 14 februari 2012 en 17 februari 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (de bestreden besluiten).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak aan de orde gesteld op 19 oktober 2012. Eiseres is met bericht van afwezigheid niet verschenen. Verweerder heeft zich ondanks daartoe door de rechtbank te zijn opgeroepen niet vertegenwoordigd.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiseres heeft gewerkt bij HP Juristen, dat failliet is gegaan.

De arbeidsovereenkomst tussen eiseres en HP Juristen is met ingang van 1 september 2011 door de kantonrechter ontbonden. Eiseres heeft verweerder verzocht om overname van betalingsverplichtingen van loon, vakantiedagen, kleding en kapper, juridische bijstand en kosten van opleiding Master International Law in Oxford.

1.2. Verweerder stelt zich in de bestreden besluiten op het standpunt dat eiseres geen recht heeft op vakantiegeld over de periode van 1 september 2010 tot en met 31 augustus 2011, omdat betaling hiervan is uitgesloten in de vaststellingsovereenkomst die partijen zijn overeengekomen bij de kantonrechter. Onkosten worden niet vergoed, omdat eiseres geen bonnen van de kapper en kleding heeft overgelegd. De opleidingskosten dateren van na 1 september 2011, de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst, en worden om die reden niet vergoed. Met verwijzing naar de vaststellingsovereenkomst heeft verweerder eveneens geweigerd om 23 niet opgenomen vakantiedagen uit te betalen. In die overeenkomst is de zinsnede opgenomen dat nog openstaande vakantiedagen geacht worden te zijn opgenomen.

1.3. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij op basis van de arbeidsovereenkomst recht heeft op vergoeding van diverse kosten en uitbetaling van vakantiedagen. Tevens heeft zij schadevergoeding gevorderd. Eiseres heeft verschillende stukken overgelegd om haar standpunt te onderbouwen.

2. Inhoudelijke beoordeling

2.1 In artikel 8:27 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat personen die door de rechtbank zijn opgeroepen om in persoon dan wel bij gemachtigde te verschijnen, verplicht zijn om te verschijnen.

2.2 De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder geen gevolg heeft gegeven aan de oproep van de rechtbank om zich op zitting te laten vertegenwoordigen.

2.3 In artikel 8:31 van de Awb is bepaald dat indien een partij niet voldoet aan de verplichting om te verschijnen de rechtbank daaruit de gevolgtrekkingen kan maken die haar geraden voorkomen. De rechtbank overweegt in dat verband het volgende.

2.4 De door eiseres ingediende stukken zijn niet ingediend binnen de in artikel 8:58 van de Awb genoemde termijn van tien dagen voor de zitting. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om deze stukken buiten beschouwing te laten, nu deze stukken verweerder grotendeels al bekend waren. De door eiseres bijgevoegde brief van 19 oktober 2012 geeft aanleiding om er vooralsnog vanuit te gaan dat eiseres inderdaad nog het een en ander van haar voormalig werkgever te vorderen had. Indien verweerder ter zitting was verschenen, had hij hierop in kunnen gaan. Deze gedingstukken zullen daarom alsnog aan verweerder worden doorgezonden en aan het dossier worden toegevoegd zodat zij daarvan onderdeel uitmaken.

2.5 De rechtbank overweegt daarnaast dat eiseres in bezwaar alsnog de gevraagde kledingbonnen heeft overgelegd. Niet duidelijk is waarom verweerder hier niets mee heeft gedaan. Van de vaststellingsovereenkomst opgemaakt voor de kantonrechter, waar verweerder zich op beroept, is een door partijen niet ondertekend exemplaar overgelegd. De rechtbank kan op grond hiervan niet tot de conclusie komen dat er daadwerkelijk een overeenkomst tussen eiseres en haar voormalig werkgever is gesloten. Bovendien heeft eiseres zich in de voor de zitting nog ingediende stukken op het standpunt gesteld dat haar voormalig werkgever de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst ook niet is nagekomen. Daarmee valt ook niet uit te sluiten dat er nog betalingsverplichtingen van de voormalig werkgever bestaan die verweerder op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet gehouden was om over te nemen.

De rechtbank is van oordeel dat beide bestreden besluiten onvoldoende gemotiveerd en voorbereid zijn. De rechtbank overweegt daarbij nog dat verweerder twee gelijkluidende besluiten op 17 februari 2012 heeft genomen, waarvan één in de vorm van een besluit op bezwaar en één in de vorm van een primair besluit. Ook is niet duidelijk waarom verweerder tweemaal een besluit op bezwaar heeft genomen (op 14 en op 17 februari 2012) ten aanzien van één primair besluit.

Verweerder zal dan ook een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen, waarbij hij in dient te gaan op de door eiseres overgelegde stukken. Ook zal verweerder een besluit moeten nemen op de vordering tot schadevergoeding van eiseres.

Het beroep van eiseres zal gegrond worden verklaard. Verweerder dient het griffierecht van € 42 aan eiseres te vergoeden. Ook zal verweerder aan eiseres een proceskostenvergoeding dienen te betalen van € 437 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 42 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 437, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. Rombouts, rechter, in aanwezigheid van M. van Velzen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2012.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB