Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY5165

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-09-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
AWB 12/967 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij het vaststellen of een erf al dan niet naar een openbaar toegankelijk gebied is gekeerd in de zin van de definitie van "achtererfgebied", omschreven in artikel 1, eerste lid, van Bijlage II bij het Bor, moet worden uitgegaan van het daaraan direct naastgelegen, en aldus aangrenzend, gebied waarnaar het erf gekeerd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/967 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. C.R. Jansen,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Noord van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. P.J.M. Nooij.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2011 heeft verweerder eiser een last onder dwangsom opgelegd (het primaire besluit).

Bij besluit van 24 januari 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 september 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiser is eigenaar van de woning op het perceel aan de [adres 1] (het perceel). In de periode van december 2009 tot en met juli 2010 hebben op het perceel bouwwerkzaamheden plaatsgevonden. Het betreft een uitbouw aan de zijgevel van de woning op het perceel met de afmetingen 2.84 m (l) x 1.41 m (b) x 2.86 m (h).

1.2. Het perceel is in erfpacht uitgegeven aan eiser. Ter plaatste geldt het bestemmingsplan “Tuindorp-Oostzaan” (het bestemmingsplan). De grond waarop het bouwwerk is gebouwd behoort bij de woning en heeft de bestemming ‘Groenvoorzieningen (Rg)’.

1.3. Bij het primaire besluit is aan eiser een last onder dwangsom opgelegd om binnen tien weken over te gaan tot het verwijderen en verwijderd houden van een zonder bouw- of omgevingsvergunning opgerichte uitbouw aan de zijgevel van de woning [adres 1], op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 3.000,- ineens.

2. Juridisch kader

2.1. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

2.2. Artikel 2.1, derde lid, van de Wabo bepaalt dat in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet geen omgevingsvergunning is vereist voor de categorieën gevallen in artikel 3 in samenhang met artikel 5 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).

2.3. Artikel 2, aanhef en onder 3, aanhef en onder e, van Bijlage II bij het Bor bepaalt dat een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo niet is vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied, mits het bij het oorspronkelijk hoofdgebouw behorende achtererfgebied als gevolg van het bijbehorende bouwwerk voor niet meer dan 50% wordt bebouwd.

2.4. Artikel 1, eerste lid, van Bijlage II bij het Bor, bepaalt dat wordt verstaan onder:

achtererfgebied: erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde

zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw;

erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden;

openbaar toegankelijk gebied: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.

3. Beoordeling van het geschil

3.1. Tussen partijen is niet in geschil dat op het perceel aan de zijkant van de woning een bouwwerk is opgericht, zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is verstrekt. In geschil is of verweerder bevoegd is om handhavend op te treden ten aanzien van dat opgerichte bouwwerk. Daarvoor is beslissend of het opgerichte bouwwerk ten tijde van het bestreden besluit omgevingsvergunningvrij was.

3.2. Eiser heeft in beroep aangevoerd - kort samengevat - dat het bouwwerk dat gerealiseerd is vergunningvrij is op grond van het Bor. Volgens eiser is het zijerf waarop het bouwwerk is opgericht niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd en dat betekent dat voldaan is aan de definitie van ‘achtererfgwbied’. Het erf grenst namelijk aan het erf, althans het perceel, van de buren aan de [adres 2]. Nu het bouwwerk is opgericht in achtererfgebied, is verweerder niet bevoegd om handhavend op te treden. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst eiser op een tekening van de situatie, verschillende foto’s en een kadastrale kaart.

3.3. Verweerder heeft in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het advies van de bezwarencommissie, overwogen dat het bouwwerk niet voldoet aan de voorwaarden voor vergunningvrij bouwen. Verweerder is bevoegd om handhavend op te treden. Ter zitting heeft verweerder dit nader toegelicht en gesteld dat het bouwwerk is opgericht op erf dat is gekeerd naar openbaar toegankelijk gebied, zijnde de [adres 2]. Er is dus geen sprake van achtererfgebied. De voor- en achterkant benadering waarmee de wetgever de ruimtelijke kwaliteit in het publieke domein heeft willen beschermen, is hierbij leidend. Met de bewoordingen ‘de naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant’ wordt in artikel 1, eerste lid, van Bijlage II bij het Bor bedoeld het openbaar gebied dat uitzicht biedt op deze zijkant, in dit geval primair de [adres 2] en subsidiair de [adres 1]. Bepalend is aldus niet het gebied dat grenst aan het erf. Evenmin is noodzakelijk dat de gehele zijkant grenst aan de openbare weg. Verder wijst verweerder erop dat uit het bestemmingsplan blijkt dat de hoeken van de bouwblokken zo veel mogelijk onbebouwd dienen te blijven vanwege de grote stedenbouwkundige kwaliteit. Het bouwwerk is zeer ongewenst. Verweerder zal er daarom geen omgevingsvergunning voor verstrekken.

3.4.1. De rechtbank overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of het bouwwerk omgevingsvergunning vrij was, vastgesteld dient te worden of het bouwwerk opgericht is in een ‘achtererfgebied’ in de zin van artikel 1, eerste lid, van Bijlage II bij het Bor.

Daarbij is van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat het bouwwerk is opgericht aan de zijkant, niet-zijnde de achterkant, van het hoofdgebouw. Ook staat vast dat de grond waarop het bouwwerk is opgericht voldoet aan de vereisten van ‘erf’, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van Bijlage II bij het Bor. Het geschil spitst zich daarom toe op de vraag of het bouwwerk is opgericht op erf, zijnde een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan één meter van de voorkant, van het hoofdgebouw.

3.4.2. Uit informatie uit het Kadaster blijkt dat het erf waarop het bouwwerk is opgericht grenst aan het perceel aan de [adres 2]. Dit perceel aan de [adres 2] is niet aan te merken als openbaar toegankelijk gebied. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat het bouwwerk is opgericht op het erf, vanaf één meter van de voorkant van het hoofdgebouw. De voorkant van het erf grenst aan de [adres 1]. Het erf grenst, zoals hiervoor weergegeven, aan de zijkant direct aan een ander perceel dat niet is aan te merken als openbaar toegankelijk gebied. Pas daarnaast is de [adres 2] gesitueerd. Gelet hierop en in aanmerking nemend de definities van achtererfgebied en openbaar toegankelijk gebied - zoals hiervoor onder rechtsoverweging 2.4. vermeld - is het bouwwerk naar het oordeel van de rechtbank opgericht in een achtererfgebied.

3.4.3. De rechtbank overweegt dat zij bij de vaststelling of sprake is van een erf dat is gekeerd naar openbaar toegankelijk gebied, uitgaat van het direct naastgelegen, en aldus aangrenzend, gebied waarnaar het erf gekeerd is [cursivering rechtbank]. De door verweerder voorgestane voor- en achterkant benadering ligt in dit geval niet voor de hand. De benadering van verweerder leidt er namelijk toe dat in beginsel geen enkel zijerf kan worden aangemerkt als achtererfgebied. Voor bijna ieder zijerf geldt uiteindelijk immers dat deze naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd als het niet (geheel of gedeeltelijk) gericht is op een ander bouwwerk. Dit kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest. Daar komt bij dat in de door verweerder voorgestane benadering onduidelijk is op welke afstand het openbaar toegankelijk gebied zou mogen/moeten liggen. Om die reden kan verweerder in zijn primaire noch subsidiaire standpunt worden gevolgd.

3.4.4. Gelet op het voorgaande voldoet het bouwwerk aan de voorwaarde opgericht te zijn in een achtererfgebied. Nu verweerder ter zitting te kennen heeft gegeven dat het opgerichte bouwwerk verder aan alle overige vereisten voldoet om vergunningvrij te worden opgericht, concludeert de rechtbank dat voor het bouwwerk geen bouw- of omgevingsvergunning vereist was.

3.4.5. Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat er voor verweerder geen bevoegdheid bestond om handhavend op te treden.

3.4.6. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd, onder herroeping van het primaire besluit van 20 juli 2011.

3.4.7. De rechtbank zal, nu het beroep gegrond is, verweerder verder opdragen op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden. Voorts bestaat aanleiding, op grond van artikel 8:75 van de Awb, verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 437, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 24 januari 2012;

- herroept het besluit van 20 juli 2011;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 152 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 874 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.M. Kuipers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

28 september 2012.

De griffier is buiten staat te ondertekenen. de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D:

SB