Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY3871

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-09-2012
Datum publicatie
21-11-2012
Zaaknummer
13/401767-09; 13/452271-08 (tul) en 13/670164-10
Formele relaties
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2015:2465, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkheid officier van justitie in de vervolging van minderjarige verdachte van destijds 16 jaar wegens overschrijding van de redelijke termijn met 18 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/401767-09; 13/452271-08 (tul) en 13/670164-10

Promis

Datum uitspraak: 20 september 2012

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1993],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] te [plaats].

Adres moeder: [adres], postcode plaats];

Feitelijke verblijfplaats: [adres], [postcode plaats]

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 september 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.A.M. Wijffels en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. L.M.A. Schwartz, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

13/401767-09

hij op of omstreeks 07 november 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een winkel (Jack & Jones te [adres]) heeft weggenomen vier, althans een of meer kledingstuk(ken) (waaronder een trui (merk Jack & Jones, kleur roze, maat M) en/of een vest (merk Jack & Jones en/of, kleur zwart, maat S) en/of een (capuchon)jack (merk Nike, kleur zwart/grijs maat L) en/of een (kleurige) sjaal en/of een (capuchon)jack (merk Jack & Jones, kleur grijs, maat S), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde A] en/of winkel Jack & Jones, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door met behulp

van een (knip)tang en/of een daarop gelijkend voorwerp, een of meer (beveiligings)label(s) van die/dat kledingstuk(ken) te verwijderen, in elk geval door middel van braak en/of verbreking;

(Artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

13/670164-10

1.

hij op of omstreeks 14 februari 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op het [adres], in elk geval op een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een pet en/of een tas (met inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde B], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte, en/of zijn mededader op die [benadeelde B] is/zijn afgelopen en/of die [benadeelde B] bij de keel heeft/hebben gepakt en/of die [benadeelde B] op de grond

heeft/hebben gegooid of geduwd en/of eenmaal of meermalen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [benadeelde B] heeft/hebben getrapt en/of geschopt en/of eenmaal of meermalen tegen het gezicht van die [benadeelde B] heeft/hebben geslagen en/of gestompt;

(artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

2.

(gevoegde zaak 468389-09)

hij op of omstreeks 1 november 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee, althans een of meer, spijkerbroek(en) (beide ter waarde van 39,95 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Hennes & Mauritz (filiaal [adres]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door het alarmlabel los te trekken/rukken, althans door middel van braak en/of verbreking;

Artikel 310/311 Wetboek van Strafrecht

3.

(gevoegde zaak 468409-09)

hij op of omstreeks 20 oktober 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen meerdere althans een (jogging)broek(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Peek en Kloppenburg, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

Artikel 310/311 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair:

[C] en/of [D] op of omstreeks 20 oktober 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben/heeft weggenomen meerdere (jogging)broek(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Peek en Kloppenburg, in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [C] en/of [D] en/of aan verdachte, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te staan en/of opzettelijk middelen (te weten: een

tangetje) heeft verschaft tot het plegen van het misdrijf;

(artikel 310/48 Wetboek van Strafrecht)

3. Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig.

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 13/401767-09 en het in de zaak met parketnummer 13/670164-10 onder 2 en 3 tenlastegelegde - als preliminair verweer - een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu hier sprake is van een strafzaak tegen een (destijds) minderjarige. Het betreffen drie eenvoudige winkeldiefstallen uit november 2009, waar de verdediging dienaangaande geen onderzoekswensen heeft gedaan. Sprake is van een termijn van 34 maanden, wat een overschrijding van 18 maanden is. Weliswaar is ter zitting van 20 november 2009 beslist dat ten behoeve van de afdoening van voormelde feiten een rapport door de Raad van de Kinderbescherming (hierna: de Raad) moest worden opgemaakt, maar het openbaar ministerie heeft nadien niet voortvarend gehandeld, ook niet toen verdachte nadien meerdere keren met justitie in aanraking is gekomen. Het stapelen van zaken is geen bijzondere omstandigheid in de zin dat gesproken kan worden van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. Voor verdachte is het in ieder geval onbegrijpelijk dat hij zich nu nog moet verantwoorden voor eenvoudige zaken uit 2009.

De officier van justitie heeft hiertegen als verweer aangevoerd dat de behandeling van de zaak met parketnummer 13/401767-09 op 20 november 2009 door de kinderrechter is aangehouden om een rapport van de Raad op te laten maken en de twee openstaande winkeldiefstallen bij de volgende behandeling gevoegd te behandelen. Dit is destijds in overleg gegaan met de verdediging. Het rapport van de Raad heeft lang op zich laten wachten, maar dat is niet te wijten aan het openbaar ministerie. Verdachte heeft nadien opnieuw strafbare feiten gepleegd en er is voor gekozen om alle zaken gezamenlijk aan te brengen.

De rechtbank overweegt ter zake het volgende.

De rechtbank zal ten eerste onderzoeken of ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 13/401767-09 en het in de zaak met parketnummer 13/670164-10 onder 2 en 3 tenlastegelegde sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

13/401767-09

Op 7 november 2009 doet Jack & Jones te Amsterdam aangifte van winkeldiefstal.

Op 11 november 2009 volgt de aanhouding van verdachte en de inverzekeringstelling.

Op 6 september 2012 heeft de behandeling van de strafzaak ter zitting plaatsgevonden.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn, zoals hiervoor bedoeld, is aangevangen op de dag dat verdachte is aangehouden en in verzekering is gesteld, zijnde 11 november 2009.

13/670164-10 feit 2

Op 1 november 2009 doet Hennes & Mauritz te Amsterdam aangifte van winkeldiefstal.

Op 12 november 2009 wordt verdachte voor de eerste maal gehoord als verdachte.

Op 6 september 2012 heeft de behandeling van de strafzaak ter zitting plaatsgevonden.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn, zoals hiervoor bedoeld, is aangevangen op de dag dat verdachte te eersten male is gehoord in deze zaak, zijnde 12 november 2009.

13/670164-10 feit 3

Op 20 oktober 2009 doet Peek & Cloppenburg te Amsterdam aangifte van winkeldiefstal.

Op 20 oktober 2009 wordt verdachte op heterdaad aangehouden.

Op 6 september 2012 heeft de behandeling van de strafzaak ter zitting plaatsgevonden.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn, zoals hiervoor bedoeld, is aangevangen op de dag dat verdachte is aangehouden, zijnde 20 oktober 2009.

Het voorschrift van artikel 6, eerste lid, EVRM beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is, onder de dreiging van strafvervolging zal moeten leven. Een vergelijkbaar voorschrift is te vinden in artikel 40, tweede lid, sub b onder iii, van het IVRK.

In zijn arrest van 3 oktober 2000, LJN AA 7309, NJ 2000, 721 stelt de Hoge Raad, dat, als uitgangspunt voor gevallen waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, geldt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Als bijzondere omstandigheden noemt de Hoge Raad in dit arrest de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van ingewikkelde zaken en dat verdachte en/of zijn raadsman tot op heden geen invloed heeft uitgeoefend op het procesverloop.

De rechtbank stelt verder vast dat van een voortvarende behandeling van de zaken door de bevoegde autoriteiten geen sprake is geweest. Integendeel. De rechtbank constateert dat de zaak met parketnummer 13/401767-09 reeds op de zitting van de kinderrechter van 20 november 2009 is aangebracht. Daarbij is de behandeling voor onbepaalde tijd aangehouden om onder meer het rapport van de Raad af te wachten en de zaak gelijktijdig te behandelen met de feiten 2 en 3 in de zaak met parketnummer 13/670164-10.

Zonder duidelijke reden heeft het vervolgens bijna 34 maanden geduurd voordat de zaken uiteindelijk op zitting behandeld zijn. In ieder geval is niet gebleken van een omstandigheid die verdachte kan worden tegengeworpen of de redelijke termijn doet verlengen.

De periode die voor de bepaling van de redelijke termijn van belang is, is ten aanzien van de drie genoemde feiten aangevangen op respectievelijk 20 oktober en 11 en 12 november 2009 en eindigt vooralsnog met een eindvonnis in eerste aanleg per 6 september 2012. De duur van deze periode is 34 maanden. De hiervoor vastgestelde redelijke termijn van 16 maanden wordt dus met 18 maanden overschreden.

In het arrest van 17 juni 2008 (r.o. 3.21) heeft de Hoge Raad bepaald dat overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging leidt, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de termijn niet zou zijn overschreden. Deze regel heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 30 maart 2010 (LJN: BL3228), alwaar het een strafzaak betrof waarin het strafrecht voor jeugdigen was toegepast, nog eens herhaald.

De vraag rijst of de Hoge Raad bij de formulering van zijn regel, dat overschrijding van de redelijke termijn nooit tot niet-ontvankelijkverklaring leidt, rekening heeft gehouden met het bijzondere karakter van het jeugdstraf(proces)recht en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).

In voormelde arresten noch - voor zover de rechtbank bekend - in sindsdien gewezen arresten heeft de Hoge Raad daaraan overwegingen gewijd. Om die reden acht de rechtbank zich vrij om te onderzoeken of het bijzondere karakter van het jeugdstraf(proces)recht en het IVRK in de onderhavige zaken ertoe leiden dat de officier van justitie het recht op vervolging heeft verloren.

Artikel 3, eerste lid van het IVRK bepaalt dat bij alle - ook door rechterlijke instanties te nemen - maatregelen betreffende kinderen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Ook in het jeugdstraf(proces)recht zal dit als uitgangspunt dienen te gelden. Hiermee wordt het pedagogische karakter van het jeugdstraf(proces)recht bevestigd. Het pedagogische karakter van het jeugdstraf(proces)recht maakt dat de strafrechtelijke reactie snel, doeltreffend en op maat moet zijn. Naarmate die reactie langer op zich laat wachten, wordt het pedagogische effect minder, nihil en kan uiteindelijk zelfs averechts van aard worden.

Een periode van 34 maanden is in de onderhavige zaken, gelet op het procesverloop alsmede het tenlastegelegde feit, voor een jeugdige zoals verdachte, die destijds 16 jaar was en thans 19 jaar is, een dusdanig lange termijn dat het pedagogische effect van een veroordeling, ook al wordt de straf verminderd, niet alleen verloren gaat, maar tevens de huidige ontwikkeling van de verdachte op een niet langer aanvaardbare wijze zou kunnen doorkruisen. De enige beslissing die in deze zaak nu nog op zijn plaats is, dus die waarbij de belangen van het kind voorop worden gesteld, is die van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het IVRK en het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht in de zaak van verdachte ertoe leiden dat de officier van justitie het recht op vervolging heeft verloren.

De rechtbank komt op grond hiervan tot het oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 13/401767-09 en het in de zaak met parketnummer 13/670164-10 onder 2 en 3 tenlastegelegde.

Dit oordeel omtrent het preliminair verweer is reeds ter terechtzitting van 6 september 2012 uitgesproken, waardoor de inhoudelijke behandeling van die feiten geen doorgang heeft gehad.

De officier van justitie is voorts ontvankelijk ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 13/670164-10 onder 1 tenlastegelegde.

Ten slotte zijn er geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs (13/670164-10 feit 1)i

4.1. Vaststaande feiten

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Deze staan niet ter discussie.

Op 14 februari 2010 bevindt [benadeelde B] zich in Amsterdam Zuidoost. Twee donkere jongens komen op [benadeelde B] aflopen. Dader 1 pakt [benadeelde B] bij de keel. Dader 2 komt er bij. Dader 1 en [benadeelde B] vallen samen op de grond. [benadeelde B] voelt twee harde trappen tegen haar hoofd. Dader 2 slaat [benadeelde B] vervolgens op haar lip. Vervolgens krijgt zij nog een trap tegen haar hoofd. De daders pakken haar pet af en haar tas (met daarin een pet en een trui) en rennen weg. Dader 2 is negroïde en heeft een tatoeage met de naam '[D]'. Dader 1 is lichter dan dader 1ii.

4.2. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de diefstal met geweld in vereniging gepleegd, zoals in de zaak met parketnummer 13/670164-10 onder 1 is ten laste gelegd, wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officier van justitie baseert haar bewezenverklaring onder meer op het navolgende.

Aangeefster verklaart dat de ene dader [D] is en de ander [X] (verdachte), die bij haar op school heeft gezeten. Zij herkent verdachte van de foto als [X]. [E] verklaart dat hij aangeefster hoorde zeggen "[D], wat doe je". Hij ziet dat zij door twee jongens wordt geslagen. [F] vertelt een dag later aan [E] dat deze twee jongens [D] en [X1] of [X2] heten. Aangeefster verklaart dat zij haar pet en trui hebben gestolen. [F] verklaart uit zichzelf in eerste instantie ten overstaan van de politie dat hij zag dat [D] en [X] (verdachte) op aangeefster insloegen en wegrenden met haar tas. De verklaring van [F] bij de rechter-commissaris dat hij van de politie hoorde dat [D] en [X] in deze zaak vastzaten en er daarom vanuit was gegaan dat zij dan wel de daders moesten zijn, is niet geloofwaardig. [F] kende [D] en [X] immers al. De verklaringen van verdachte en [D] zijn voorts tegenstrijdig en ongeloofwaardig. De verklaring van verdachte is dan ook mede gelet op de verklaring van de moeder van verdachte kennelijk leugenachtig en kan derhalve bijdragen tot het bewijs.

4.3. Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de diefstal met geweld in vereniging gepleegd, zoals in de zaak met parketnummer 13/670164-10 onder 1 is ten laste gelegd. Daartoe heeft hij onder meer het volgende aangevoerd.

Het staat buiten twijfel dat aangeefster het slachtoffer is geworden van een beroving. De vraag is echter wie de daders zijn. Het openbaar ministerie houdt onder meer verdachte verantwoordelijk voor de diefstal met geweld. Het is echter niet wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte een van de daders was. Aangeefster noemt bij haar eerste verhoor slechts de naam van dader 2 ([D]) en geeft van dader 1 slechts een signalement. Tijdens haar tweede verhoor noemt zij dan opeens ten aanzien van dader 1 de naam van [X], zijnde verdachte, en zegt zij dat zij hem van school kent. Deze gang van zaken roept vragen op. De herkenning van verdachte van de foto heeft geen waarde. Bij de rechter-commissaris verklaart aangeefster dat zij de andere jongen niet meteen herkende. Later komen [D] en verdachte bij haar aan de deur. [E] verklaart dat hij met aangeefster aan het chillen was en tevens de beroving heeft gezien. Ook zou hij aangeefster hebben geholpen. Aangeefster zegt dat dit niet waar is en dat zij tijdens het incident ook niemand heeft gezien. Getuige [F] is niet betrouwbaar. De verklaring van [F] - dat hij heeft gezien dat verdachte een van de daders was - heeft geen waarde, onder meer door zijn nadere verklaring bij de rechter-commissaris. Ook zou [F] hebben gezien dat aangeefster wordt geholpen door iemand anders, hetgeen zij zelf ontkent. Aangeefster verklaart ook dat de plaats waar het incident plaatsvond niet is waar te nemen vanaf de plek waar [F] zou hebben gestaan. Ten slotte verklaart [F] dat dit in Gein was, terwijl het plaatsvond drie kilometer verderop bij Reigersbos.

4.4. Oordeel van de rechtbank

Naast hetgeen in rubriek 4.1. reeds is vastgesteld, gaat de rechtbank uit van het navolgende.

Aangeefster verklaart op 14 februari dat dader 2 [D] is.iii Zij verklaart vervolgens op 15 februari 2010 dat dader 1 een lichter getinte jongen is, die [X] wordt genoemd. Hij heeft vroeger bij haar op de MCO school gezeten. Zij herkent vervolgens verdachte als deze [X] op een politiefoto.iv

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn bijnaam [X] is, dat hij op de MCO school heeft gezeten en dat de huidskleur van [D] donkerder is dan die van hem.v

De rechtbank erkent dat in de eerste verklaring van aangeefster niet staat vermeld dat dader 1 een voor haar bekend persoon is. Er staat slechts dat zij dader 1 bij weerzien kan herkennen. Dit betekent echter niet dat het nader aanduiden van dader 1 in haar tweede verklaring van generlei waarde is. Er staat immers niet dat zij dader 1 niet kent. Voorts stelt de rechtbank vast dat de moeder van aangeefster heeft verklaard dat haar dochter op 14 februari huilend thuis kwam en dat zij haar vertelde dat zij beroofd was. Nadat zij die dag samen aangifte hadden gedaan, kwamen zij onderweg onder meer [D], [X] en [F] tegen. Aangeefster zei toen tegen haar moeder dat [D] en [X] degene waren die haar met geweld hadden beroofd.vi

Voorts heeft getuige [F] ten overstaan van de politie verklaard dat hij op 14 februari 2010 heeft gezien dat [X] en [D] (de rechtbank begrijpt: [D]) op [benadeelde B] aan het inslaan en schoppen waren. Hierdoor viel zij op de grond. Hij heeft [D] en [X] zien wegrennen met de tas van [benadeelde B].vii Dat getuige [F] op 11 november 2010 bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij bij de politie weliswaar de namen van [X] en [D] had genoemd maar dat hij niet wist wie de daders waren en dat hij had aangenomen dat dit [X] en [D] waren omdat hij van de politie had gehoord dat deze twee personen op dat moment vastzaten, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Temeer niet nu de moeder van aangeefster heeft verklaard dat zij, nadat zij met haar dochter aangifte had gedaan, bij terugkomst van haar andere dochter te horen kreeg dat getuige [F] die middag aan de deur was geweest en had verteld dat hij de daders wel kendeviii. Voorts heeft getuige [E] verklaard dat [F] hem had verteld dat de daders [D] en [X1] of [X2] heten.ix

Verdachte heeft ter zitting desgevraagd geen reden kunnen geven waarom getuige [F] hem opzettelijk valselijk zou hebben beschuldigd van deelname aan voormelde straatroof.

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dader 1 is geweest en dat hij samen met een ander de diefstal met geweld heeft gepleegd, zoals in de zaak met parketnummer 13/670164-10 onder 1 aan hem is ten laste gelegd.

De door de raadsman aangevoerde verschillen in de verklaringen van en tussen aangeefster en de getuigen [F] en [E] - omtrent de precieze plaats van het delict, het al dan niet benoemen van het door de daders dragen van een panty over het hoofd en het al dan niet helpen door [E] - maken dit oordeel niet anders.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.1. en 4.4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 13/670164-10 onder 1 tenlastegelegde:

op 14 februari 2010 te Amsterdam, op een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pet en een tas (met inhoud), toebehorende aan [benadeelde B], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [benadeelde B], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond, dat hij, verdachte, en zijn mededader op die [benadeelde B] zijn afgelopen en die [benadeelde B] bij de keel hebben gepakt en die [benadeelde B] op de grond hebben gegooid en tegen het hoofd van die [benadeelde B] hebben geschopt en tegen het hoofd van die [benadeelde B] hebben geslagen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf en maatregel

8.1. Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar in de zaak met parketnummer 13/670164-10 onder 1 bewezen geachte feit, zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie gelijk aan de duur van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, te weten een jeugddetentie voor de duur van 59 (negenenvijftig) dagen, met aftrek van voorarrest.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde B] is voor toewijzing vatbaar, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, aldus de officier van justitie.

De vordering tenuitvoerlegging is niet voor toewijzing vatbaar, nu het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is verklaard in de zaak met parketnummer 13/401767-09, bij welke zaak de vordering is aangebracht.

8.2. Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 13/670164-10 onder 1 tenlastegelegde. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde B] is om die reden dan ook niet-ontvankelijk, aldus de raadsman. De vordering tenuitvoerlegging is gelet op de niet-ontvankelijkheid niet voor toewijzing vatbaar.

8.3. Oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet aanleiding om bij de strafoplegging acht te slaan op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de oriëntatiepunten straftoemeting jeugd Amsterdam, welke dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging en regelmatig worden geactualiseerd. Bij de vaststelling van deze oriëntatiepunten wordt uitgegaan van het modale feit.

In de onderhavige zaak gelden de volgende oriëntatiepunten. Het betreft een diefstal met geweld, gepleegd in vereniging. Als uitgangspunt voor strafoplegging voor een dergelijk feit geldt dat - bij een first offender - een onvoorwaardelijke jeugddetentie wordt opgelegd.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld in vereniging door met een ander een slachtoffer op straat te beroven van haar pet en tas. Het slachtoffer is daarbij geschopt en geslagen. Verdachte heeft slechts gehandeld uit persoonlijk gewin en heeft door zijn handelen op geen enkele manier blijk gegeven rekening te hebben gehouden met de gevolgen voor het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat de impact van dergelijke feiten op slachtoffers groot is. Dit blijkt ook uit de vordering van de benadeelde partij [benadeelde B]. Verder veroorzaken feiten als deze gevoelens van angst en onrust in de maatschappij. Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het hier gaat om een ernstig feit.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 augustus 2012 waaruit blijkt dat verdachte op 11 september 2009 strafrechtelijk is veroordeeld ter zake van onder meer geweldsdelicten.

De rechtbank acht het gelet op bovenstaande passend en geboden om aan verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen die gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat slechts de behandeling van een deel van de vordering van [benadeelde B] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank waardeert de immateriële schade op € 500,-- (vijfhonderd euro) en de materiële schade op € 95,-- (vijfennegentig euro). De rechtbank waardeert derhalve de totale schade op

€ 595,-- (vijfhonderd en vijfennegentig euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De vordering zal hoofdelijk worden toegewezen, zodat verdachte gehouden is deze te betalen, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

In het belang van [benadeelde B] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) aan verdachte opgelegd.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 20 november 2009 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/452271-08, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 11 september 2009 van de kinderrechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot onder meer een jeugddetentie voor de duur van 1 (één) maand, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, op 7 november 2009 aan verdachte is uitgereikt.

Nu het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is verklaard in de zaak met parketnummer 13/401767-09, bij welke zaak de vordering tot tenuitvoerlegging is aangebracht, zal de rechtbank de vordering afwijzen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 77g, 77i en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 13/401767-09 en het in de zaak met parketnummer 13/670164-10 onder 2 en 3 tenlastegelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Diefstal, vergezeld van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 59 (negenenvijftig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van [benadeelde B], toe tot € 595,-- (vijfhonderd en vijfennegentig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde B] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde B], € 595,-- (vijfhonderd en vijfennegentig euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door jeugddetentie van 11 (elf) dagen. De toepassing van die jeugddetentie heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst af de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 11 september 2009 met parketnummer13/452271-08 opgelegde voorwaardelijke straf.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 13/670164-10.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.H. de Vries, voorzitter, tevens kinderrechter, en

mrs. R.H.G. Odink en K. Tielemans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P. Tanis, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 september 2012.

i Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii Aangifte [benadeelde B] 14 februari 2010 (p. 001 - 003) en proces-verbaal van verhoor [benadeelde B] bij de rechter-commissaris d.d. 23 augustus 2010.

iii Aangifte [benadeelde B] 14 februari 2010 (p. 003).

iv Verhoor [benadeelde B] 15 februari 2010 (p. 007).

v Proces-verbaal van terechtzitting meervoudige kamer 6 september 2012.

vi Verhoor getuige [benadeelde B] (p. 009).

vii Verhoor getuige [F] (p. 011-012).

viii Verhoor getuige [benadeelde B] (p. 010).

ix Proces-verbaal met nummer 2010039609-16, verhoor getuige [E] d.d. 26 feb 2010.

??

??

??

??

12

13

Parketnummers: 13/401767-09;13/452271-08 (tul) en 13/670164-10

Inzake: [verdachte]