Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY3845

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-07-2012
Datum publicatie
21-11-2012
Zaaknummer
AWB 11-4646 WRO en AWB 11-4986 VEROR
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:BZ7535, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vaststaat dat ten aanzien van het bouwplan de WRO van toepassing is. Aangezien de provinciale verordening een instrument is op basis van de Wro en dit instrument niet bestond onder de WRO, is de rechtbank van oordeel dat de provinciale verordening niet van toepassing is op het plan. Het vorenstaande betekent dat in dit geval geen ontheffing op grond van de PRV 2009, dan wel de PRVS 2010 hoefde te worden aangevraagd en verleend. In dit geval kon met een verklaring van geen bezwaar worden volstaan.

In de verklaring van geen bezwaar stellen gedeputeerde staten vast dat het plan in strijd is met de PRV 2009 vanwege de ligging (deels) buiten de rode contouren van het bestaand stedelijk gebied. Gedeputeerde staten verwijzen naar de verleende ontheffing van de PRV 2009. In de toelichting bij de PRV 2009 wordt uiteengezet dat de PRV 2009 - voor zover hier van belang - gebaseerd is op uitsluitend het ten tijde van de inwerkingtreding geldende streekplanbeleid, niet op nieuw beleid (beleidsneutrale doorwerking). Naar de rechtbank begrijpt - en ter zitting ook door gedeputeerde staten is bevestigd - is derhalve (materieel) getoetst aan het streekplan Noord-Holland Zuid 2003 en de daarbij behorende streekplan-herziening 2007. Ten aanzien van het rode contouren beleid concludeert de rechtbank dat het in de PRV 2009 vervatte beleid kan worden gelijkgesteld met het in het streekplan vervatte beleid, nu dit beleidsneutraal is omgezet.

De toets die gedeputeerde staten uitvoert is of het project ruimtelijk aanvaardbaar is, omdat sprake is van een goede ruimtelijke inpassing en kwaliteitsverbetering. Naar het oordeel van de rechtbank kan een kwaliteitsverbetering die bestaat uit de verplichte sanering daarbij geen mee te wegen factor zijn.

Dat het bouwplan op zich ruimtelijk inpasbaar zou zijn, kan naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet als voldoende bijzonder worden aangemerkt om een afwijking van de rode contouren te rechtvaardigen. Gelet op de eis van een bijzonder omstandigheid is er meer vereist om die drempel te halen. Wat deze casus bijzonder maakt, moet uit de besluitvorming blijken. De motivering van de verklaring van geen bezwaar is naar het oordeel van de rechtbank in die zin onvolledig. Verweerder had dit gebrek moeten onderkennen en had zich bij het verlenen van de bouwvergunning en vrijstelling voor het oprichten van drie villa's, niet op deze verklaring van geen bezwaar mogen baseren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11/4646 WRO en AWB 11/4986 VEROR

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen

AWB 11/4646 WRO

[eiser 1] en [eiser 2],

wonende te [plaats],

hierna: eisers,

gemachtigde mr. H.A. Samuels Brusse-van der Linden,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Blaricum,

hierna: het college,

gemachtigde mr. I.M. van Gompel.

Tevens hebben als procespartijen aan het geding deelgenomen:

Zuiderzee Vastgoed Projecten B.V.;

Nedstede Bouw B.V.;

[vergunninghouder 3],

hierna: vergunninghouders,

gemachtigde mr. J.S. Haakmeester,

en

gedeputeerde staten van Noord-Holland,

hierna: gedeputeerde staten,

gemachtigde mr. M.C. Jonkman.

AWB 11/4986 VEROR

[eiser 1] en [eiser 2],

wonende te [plaats],

hierna: eisers,

gemachtigde mr. H.A. Samuels Brusse-van der Linden,

tegen

gedeputeerde staten van Noord-Holland,

hierna: gedeputeerde staten,

gemachtigde mr. M.C. Jonkman.

Tevens hebben als procespartijen aan het geding deelgenomen:

Zuiderzee Vastgoed Projecten B.V.;

Nedstede Bouw B.V.;

[vergunninghouder 3],

hierna: vergunninghouders,

gemachtigde mr. J.S. Haakmeester,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Blaricum,

hierna: het college,

gemachtigde mr. I.M. van Gompel.

Procesverloop

AWB 11/4646 WRO

Bij de primaire besluiten van 14/16 december 2010 heeft het college aan vergunninghouders op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling van het bepaalde in artikel 13 van de voorschriften van het bestemmingsplan ‘Dorp 1’ en bouwvergunning eerste fase verleend, voor het :

- oprichten van de woning met bijgebouwen op Dwarslaan kavel 1

- oprichten van de woning met bijgebouwen en zwembad op Dwarslaan kavel 2

- oprichten van de woning met bijgebouwen op Dwarslaan kavel 3

alle te Blaricum (hierna: de primaire besluiten).

Bij het bestreden besluit van 26 juli 2011 heeft het college conform het advies van de commissie voor de bezwaarschriften de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard (het bestreden besluit I).

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

AWB 11/4986 VEROR

Bij primair besluit van 2 november 2010 hebben gedeputeerde staten ontheffing verleend van het verstedelijkingsverbod zoals bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Provinciale ruimtelijke verordening Noord-Holland 2009 (PRV 2009), voor de realisering van drie woningen aan de Dwarslaan 33 te Blaricum (hierna: de ontheffing).

Bij besluit van 28 juni 2011 hebben gedeputeerde staten het bezwaar van eisers tegen de ontheffing gegrond verklaard en vervolgens de ontheffing met een nadere motivering gehandhaafd (het bestreden besluit II).

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Gedeputeerde staten hebben een verweerschrift ingediend.

AWB 11/4646 WRO en AWB 11/4986 VEROR

De rechtbank heeft de zaken ter zitting behandeld op 7 juni 2012, gelijktijdig met de zaak AWB 11/4630 WRO. Na de zitting heeft de rechtbank besloten de zaken met zaaknummers AWB 11/4646 WRO en AWB 11/4986 VEROR te voegen, teneinde één uitspraak te schrijven.

Namens eisers is ter zitting [eiser 1] verschenen alsmede mr. L.M. Muetstege, kantoorgenoot van bovengenoemde gemachtigde. Het college is vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigde en door [A]. Namens vergunninghouders is verschenen [B] alsmede bovengenoemde gemachtigde. Gedeputeerde staten zijn vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigde.

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Op 14 november 2007 hebben vergunninghouders een aanvraag ingediend bij de gemeente Blaricum om vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO van het bestemmingsplan "Dorp 1" voor de bouw van drie woningen op het perceel aan de Dwarslaan te Blaricum.

1.2. Op 21 januari 2010 is in de Laarder Courant “de BEL” gepubliceerd dat het college voornemens is met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO de gevraagde vrijstelling te verlenen.

1.3. Bij brief van 4 mei 2010 heeft het college aan gedeputeerde staten een verklaring van geen bezwaar en ontheffing van de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2009 (PRV 2009) aangevraagd.

1.4. Op 28 september 2010 hebben vergunninghouders een aanvraag om een bouwvergunning eerste fase ingediend voor het oprichten van een villa, bijgebouw en garage op het perceel Dwarslaan kavel 1, alsmede een bouwvergunning voor het oprichten van een villa, bijgebouw en zwembad op het perceel Dwarslaan kavel 2. Op 30 september 2010 is door vergunninghouders een aanvraag om bouwvergunning eerste fase ingediend voor het oprichten van een villa op het perceel Dwarslaan kavel 3.

1.5. Op 2 november 2010 hebben gedeputeerde staten ontheffing verleend van het verstedelijkingsverbod zoals bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de PRV 2009, voor de realisering van de drie woningen aan de Dwarslaan 33 te Blaricum.

1.6. Op 16 november 2010 hebben gedeputeerde staten een verklaring van geen bezwaar afgegeven.

1.7. Bij de primaire besluiten heeft het college aan vergunninghouders op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling van het bepaalde in artikel 13 van de voorschriften van het bestemmingsplan ‘Dorp 1’ en bouwvergunning eerste fase verleend, voor het oprichten van drie woningen op het perceel aan de Dwarslaan te Blaricum.

1.8. Bij het bestreden besluit II hebben gedeputeerde staten het bezwaar van eisers tegen de verleende ontheffing gegrond verklaard, waarbij de ontheffing is gehandhaafd met een nadere motivering.

Volgens de hoor- en adviescommissie van gedeputeerde staten is onvoldoende onderbouwd waarom het project geen inbreuk maakt op een goede ruimtelijke ordening. Geadviseerd wordt dat de heroverweging in bezwaar ex nunc moet plaatsvinden aan de hand van de bepalingen van de Provinciale Ruimtelijke Voorziening Structuurvisie 2010 (PRVS 2010). Gedeputeerde staten hebben dit advies gevolgd. Het ontheffingsverzoek is in het kader van de ex nunc toetsing voor advies aan de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO) voorgelegd, welke op 1 juni 2011 een positief advies heeft uitgebracht. Volgens de ARO is het project aanvaardbaar, mits voldoende aandacht wordt besteed aan inrichting van de aan te leggen groene buffer. Gedeputeerde staten hebben in het bestreden besluit II ontheffing verleend van artikel 13 van de PRVS 2010.

1.9. Bij het bestreden besluit I heeft het college de primaire besluiten in stand gelaten. De bouwvergunningen en de daarbij behorende vrijstelling konden na afweging van alle betrokken belangen worden verleend, aldus het college.

2. Inhoudelijke beoordeling

inzake AWB 11/4646 WRO

2.1. De rechtbank zal allereerst vaststellen welk wettelijk kader van toepassing is in onderhavige zaak en welke procedures derhalve hadden moeten worden doorlopen.

2.2. Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en is de WRO ingetrokken.

2.3. Ingevolge artikel 9.1.10, eerste lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (hierna: Invoeringswet Wro) blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de WRO, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.

2.4. Ingevolge artikel 9.5.1. van de Invoeringswet Wro blijft de Woningwet zoals die gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een besluit omtrent een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet, waarvan de aanvraag is ingekomen voor dat tijdstip.

2.5. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover thans van belang, kan de gemeenteraad, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.6. Naar het oordeel van de rechtbank is op de aanvraag om vrijstelling van de vergunninghouders voor het oprichten van drie woningen de WRO van toepassing, omdat de aanvraag op 14 november 2007 is gedaan, derhalve voor de inwerkingtreding van de Wro op

1 juli 2008. Ingevolge artikel 9.1.10, eerste lid, van de Invoeringswet Wro moet het voor 1 juli 2008 ingediende verzoek om vrijstelling immers worden afgewikkeld volgens het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro. De omstandigheid dat de aanvraag om bouwvergunning is ingediend na 1 juli 2008 en derhalve ingevolge artikel 9.5.1. van de Invoeringswet Wro moet worden afgewikkeld onder het regime van de na inwerkingtreding van de Wro gewijzigde Woningwet doet hieraan niet af. Artikel 9.5.1. van de Invoeringswet Wro heeft alleen betrekking op de aanvraag om bouwvergunning, nu artikel 9.1.10, eerste lid, van de Invoeringswet Wro voorziet in overgangsrecht ter zake van de vrijstellingen. Steun voor de hiervoor weergegeven opvatting kan worden gevonden in de geschiedenis van totstandkoming van de Invoeringswet Wro (Kamerstukken II 2006/07, 30 938, nr. 3, p. 66), waaruit volgt dat de wetgever niet heeft aanvaard dat hangende het verzoek om vrijstelling het daarop toepasselijke recht wijzigt en de betekenis daaraan wordt ontnomen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 maart 2010, LJN: BM9384).

2.7. Vaststaat derhalve dat ten aanzien van het bouwplan de WRO van toepassing is. Aangezien de provinciale verordening een instrument is op basis van de Wro en dit instrument niet bestond onder de WRO, is de rechtbank van oordeel dat de provinciale verordening niet van toepassing is op het plan. Het vorenstaande betekent dat in dit geval geen ontheffing op grond van de PRV 2009, dan wel de PRVS 2010 hoefde te worden aangevraagd en verleend (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2012, LJN: BV9519). In dit geval kon met een verklaring van geen bezwaar worden volstaan.

2.8. Voor de inwerkingtreding van de PRV 2009 golden het streekplan Noord-Holland Zuid 2003 en de daarbij behorende partiële herziening actualisering Streekplan Noord-Holland Zuid 2007 (hierna: de streekplanherziening 2007). In de streekplanherziening 2007 valt op pagina 41 te lezen dat bij aanpassing van de lijnen van de rode contour of bij wijziging volstaan kan worden met een afwijkingsprocedure van het streekplan Noord-Holland Zuid 2003 zoals daar beschreven op pagina 160. Nu het bouwplan in strijd is met het streekplan Noord-Holland Zuid 2003 vanwege de ligging buiten de rode contour, hadden gedeputeerde staten naar het oordeel van de rechtbank een streekplanafwijkingsprocedure moeten volgen.

2.9. Hieronder zal de rechtbank ingaan op de gevolgen die het bovenstaande heeft voor de gevolgde procedures.

De verleende ontheffing van PRV 2009 en PRVS 2010

3.1. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2012 (LJN: BW7636), kunnen tegen het besluit tot het verlenen van de ontheffing met het oog op een doelmatige rechtsgang eerst rechtsmiddelen worden aangewend bij het besluit waarop het betrekking heeft, in deze zaak dus de besluiten tot verlening van bouwvergunning en vrijstelling. Een beroep tegen het besluit tot het verlenen van ontheffing wordt aldus geïncorporeerd in de beroepsprocedure over de bouwvergunning en de vrijstelling, aldus de Afdeling.

3.2. Gelet op hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 2.7 staat vast dat geen ontheffing op grond van de PRV 2009 en PRVS 2010 hoefde te worden verleend. Aan een beoordeling van de ontheffing en het bestreden besluit II komt de rechtbank dan ook niet toe. De beroepsgronden, voor zover gericht tegen de PRVS 2010, blijven onbesproken. De beroepsgronden gericht tegen de PRV 2009 zullen in het kader van de verklaring van geen bezwaar aan de orde komen, hetgeen hieronder nader uiteen zal worden gezet.

De verklaring van geen bezwaar

4.1. Ingevolge artikel 55, aanhef en onder a, van de WRO, voor zover thans van belang, worden voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als één besluit aangemerkt een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, eerste lid, en het besluit waarop de verklaring betrekking heeft.

4.2. Ingevolge artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet wordt de verlening van vrijstelling voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Awb geacht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft.

4.3. De rechtbank overweegt dat op grond van de artikelen 55, aanhef en onder a, van de WRO en 49, vijfde lid, van de Woningwet, de verklaring van geen bezwaar en de vrijstellingen voor de mogelijkheid van bezwaar en beroep onderdeel uit maken van de bij de primaire besluiten verleende bouwvergunningen.

4.4. In de verklaring van geen bezwaar valt te lezen dat het plan beoordeeld is aan het ten tijde van indiening van de aanvraag om vrijstelling geldende provinciaal beleid, zoals verwoord in het streekplan Noord-Holland Zuid 2003, de streekplanherziening 2007 en de PRV 2009. Tevens hebben gedeputeerde staten bekeken of het plan niet in strijd is met het toekomstig provinciaal ruimtelijk beleid, zoals verwoord in de Provinciale Structuurvisie 2040 en de bijbehorende verordening. Gedeputeerde staten stellen vast dat het plan in strijd is met de PRV 2009 vanwege de ligging (deels) buiten de rode contouren van het bestaand stedelijk gebied. Volgens artikel 4 van de PRV 2009 geldt voor gebieden buiten de rode contouren een verstedelijkingsverbod. Op 2 november 2010 hebben gedeputeerde staten van dit verstedelijkingsverbod ontheffing verleend, gedeputeerde staten verwijzen naar de inhoud van dat besluit. Gedeputeerde staten achten het plan in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. Nu het project niet in strijd is met het recht en er evenmin sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening achten gedeputeerde staten de afgifte van de gevraagde verklaring van geen bezwaar verantwoord.

4.5. In rechtsoverweging 2.8 heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat een streekplanafwijkingsprocedure had moeten worden gevolgd. In deze procedure is echter een verklaring van geen bezwaar afgegeven waarin wordt verwezen naar de verleende ontheffing.

4.6. Eisers hebben aangevoerd dat voor de streekplanafwijkingsprocedure een ander toetsingskader geldt dan voor de ontheffing. In het kader van de ontheffingsprocedure is een positief advies van de ARO vereist; voor de streekplanafwijkingsprocedure moet zowel advies gevraagd worden aan de Provinciale Planologische Commissie als de Commissie Ruimtelijke Ordening en Bestuur, dan wel zo nodig een andere commissie uit provinciale staten. Voor de streekplanafwijkingsprocedure is dus een zwaardere procedure nodig, die niet is gevolgd. Ter zitting hebben eisers nog aangevoerd dat bij een streekplanafwijkings-procedure overleg wordt gevoerd met belanghebbenden; in deze zaak moeten eisers worden aangemerkt als belanghebbenden. Het vereiste overleg met eisers heeft niet plaatsgevonden, aldus eisers.

4.7. Gedeputeerde staten hebben ter zitting aangevoerd dat de streekplanafwijkings-procedure een onderdeel van de verklaring van geen bezwaar inhoudt, waaruit volgt dat aan de materiële eisen is voldaan: het horen van de Provinciale Planologische Commissie (in dit geval een bevoegde subcommissie), en de Statencommissie. Ook de belanghebbenden zijn volgens gedeputeerde staten gehoord, namelijk in het kader van de gevolgde zienswijzeprocedure met betrekking tot de vrijstelling.

4.8. Op pagina 160 van het streekplan Noord-Holland Zuid 2003 wordt de streekplanafwijkingsprocedure als volgt beschreven:

- er wordt overleg gevoerd met de betrokken gemeente(n) en eventueel andere belanghebbenden.

- over het voorgenomen afwijkingsbesluit wordt advies gevraagd aan de Provinciale Planologische Commissie;

- het voorgenomen afwijkingsbesluit wordt besproken in de Commissie Ruimtelijke Ordening en Bestuur, dan wel zo nodig een andere commissie uit provinciale staten.

4.9. In het kader van de ontheffing van de PRV 2009 is de Statencommissie Ruimtelijke Ordening en Grondbeleid (ROG) op 23 september 2010 gehoord. De commissie heeft zich positief uitgesproken over het bouwplan.

In het kader van de verlening van de verklaring van geen bezwaar is de Kerngroep van de Subcommissie voor de gemeentelijke plannen en de stadsvernieuwing gehoord, deze heeft op 25 mei 2010 een positief advies uitgebracht. Tevens is de inspecteur VROM gehoord.

4.10. De rechtbank constateert dat diverse ambtelijke (advies)commissies hun visie hebben gegeven over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de voorgenomen bouwplannen. Daarnaast hebben eisers in hun zienswijze - in het kader van de vrijstellingsprocedure - hun standpunt naar voren gebracht met betrekking tot het bouwen buiten de rode contouren. Gelet op rechtsoverweging 4.7. hebben gedeputeerde staten het standpunt ingenomen dat daarmee materieel is voldaan aan de vereiste advisering voor een afwijkingsbesluit. Dit standpunt impliceert tevens dat de feitelijk ingeschakelde (advies)commissies gelijk zijn aan de in de streekplanafwijkingsprocedure vermelde commissies. De rechtbank constateert dat dit aspect niet is betwist of anderszins door eisers in twijfel is getrokken. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat de adviezen afkomstig zijn van daartoe bevoegde commissies.

4.11. In de verklaring van geen bezwaar stellen gedeputeerde staten vast dat het plan in strijd is met de PRV 2009 vanwege de ligging (deels) buiten de rode contouren van het bestaand stedelijk gebied. Gedeputeerde staten verwijzen naar de verleende ontheffing van de PRV 2009. In de toelichting bij de PRV 2009 wordt uiteengezet dat de PRV 2009 - voor zover hier van belang - gebaseerd is op uitsluitend het ten tijde van de inwerkingtreding geldende streekplanbeleid, niet op nieuw beleid (beleidsneutrale doorwerking). Naar de rechtbank begrijpt - en ter zitting ook door gedeputeerde staten is bevestigd - is derhalve (materieel) getoetst aan het streekplan Noord-Holland Zuid 2003 en de daarbij behorende streekplan-herziening 2007. Ten aanzien van het rode contouren beleid concludeert de rechtbank dat het in de PRV 2009 vervatte beleid kan worden gelijkgesteld met het in het streekplan vervatte beleid, nu dit beleidsneutraal is omgezet.

4.12. Nu vaststaat dat gedeputeerde staten materieel de vereiste procedures van de streekplanafwijkingsprocedure hebben gevolgd, kan de rechtbank toekomen aan toetsing van de verklaring van geen bezwaar. De rechtbank overweegt het volgende.

4.13. In de streekplanherziening 2007 staat op pagina 41 weergegeven dat het voor zich spreekt dat een verschuiving van de rode contouren en de daarmee samenhangende functiewijziging bij uitzondering zal plaatsvinden. Een verzoek daartoe zal goed onderbouwd moeten worden. Op pagina 160 van het streekplan Noord-Holland Zuid 2003 is toegelicht dat een besluit tot afwijken in overweging wordt genomen als handhaving van een beleidslijn gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot en met de beleidslijn te dienen doelen.

4.14. In het verweerschrift stellen gedeputeerde staten dat zij het project ruimtelijk aanvaardbaar vinden omdat sprake is van een goede ruimtelijke inpassing en een kwaliteitsverbetering. Verruigd terrein en een vuilstortplaats worden getransformeerd in een kleinschalig, goed in de omgeving passend woonproject, waarbij sprake is van minimale verharding en een ecologische bufferzone van 15 meter. Een goede ruimtelijke inpassing is geborgd door een overeenkomst tussen initiatiefnemer en de gemeente Laren. Daarbij is en was een toename van het woningbestand noodzakelijk.

Gedeputeerde staten van Noord-Holland hebben mede op die gronden een verklaring van geen bezwaar verleend. Op grond van het streekplan Noord-Holland Zuid 2003 waren functieverandering en grootschalige projecten voor nieuwbouw binnen de rode contouren niet toegestaan. Kleinschalige projecten als het onderhavige waren onder voorwaarden toegestaan, bijvoorbeeld bij opheffing van ruimtelijk ongewenste situaties; bij kwaliteitsverbetering.

In de verleende ontheffing van de PRV 2009, die mede als motivering dient voor de verklaring van geen bezwaar, wordt gewezen op artikel 28 van de PRV 2009. Ingevolge dit artikel bevat een aanvraag om een ontheffing in ieder geval:

A een beschrijving van de redenen waarom de ontheffing wordt gevraagd;

B een beschrijving van de mogelijke gevolgen van de ontheffing voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd;

C één of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waarop de ontheffing betrekking heeft.

Vervolgens overwegen gedeputeerde staten dat de voornaamste reden voor ontheffing is de sanering van het terrein van de voormalige vuilstortplaats in combinatie met de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatste en de kleinschalige woningbouw (als compensatie voor de saneringskosten). De gemeente heeft een saneringsplan opgesteld. Bij besluit van

3 september 2009 hebben gedeputeerde staten op grond van de Wet Bodembescherming ingestemd met het saneringsplan. Met de bouw van drie woningen kan de sanering van het terrein worden bekostigd. In de ernst en urgentie van de sanering zien gedeputeerde staten voldoende reden om de ontheffing te verlenen.

4.15. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat gedeputeerde staten als beleid hanteren dat zij slechts in bijzondere gevallen van de rode contouren afwijken.

4.16. Eisers hebben aangevoerd dat het college als voornaamste reden voor de realisatie van de villa's de financiering van de sanering van het terrein heeft gegeven. Volgens eisers is de sanering echter een wettelijke verplichting en de financiering daarvan kan geen reden vormen om woningbouw toe te staan. Het feit dat de voormalige gemeentelijke vuilstort dient te worden gesaneerd kan dus zeker geen grondslag vormen voor het bouwen in strijd met het bestemmingsplan en buiten de rode contouren uit het provinciale beleid. Voor de eigenaren bestaat de verplichting om de bodem te saneren. Of degene die tot saneren verplichting is dat kan financieren doet niet ter zake en kan dus ook geen aanleiding vormen voor het verlenen van medewerking aan de bouw van de woningen.

4.17. De rechtbank is van oordeel dat de saneringsplicht als zodanig een wettelijke verplichting is, die los staat van de financiering of mogelijke compensatie van kosten daarvoor. Gelet op de geconstateerde urgentie van de sanering hebben gedeputeerde staten ook niet meer willen meewerken aan verder uitstel daarvan. Wat ook de plannen voor het stuk grond zouden zijn geweest - al was het plan om het een verruigd stuk grond te laten blijven – de sanering had hoe dan ook voor het einde van de gestelde termijn moeten plaatsvinden. De rechtbank is van oordeel dat nu de (verplichting tot) sanering losstaat van de wens tot en de belangen bij een vrijstelling van de vigerende bestemming, het saneren van de grond geen mee te wegen (bijzondere) omstandigheid kan zijn bij de vraag of het verlenen van vrijstelling gerechtvaardigd is.

4.18. De toets die gedeputeerde staten uitvoeren is of het project ruimtelijk aanvaardbaar is, omdat sprake is van een goede ruimtelijke inpassing en een kwaliteitsverbetering.

Naar het oordeel van de rechtbank kan een kwaliteitsverbetering die bestaat uit de verplichte sanering, zoals hiervoor is overwogen, daarbij geen mee te wegen factor zijn. Daarmee resteert de ruimtelijke inpasbaarheid van het bouwplan.

Dat het bouwplan op zich ruimtelijk inpasbaar zou zijn, kan naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet als voldoende bijzonder worden aangemerkt om een afwijking van de rode contouren te rechtvaardigen. Gelet op de eis van een bijzondere omstandigheid is er meer vereist om die drempel te halen. Wat deze casus bijzonder maakt, moet uit de besluitvorming blijken. De motivering van de verklaring van geen bezwaar is in die zin onvolledig. De rechtbank is van oordeel dat het college dit gebrek had moeten onderkennen, en zich niet op deze verklaring van geen bezwaar had mogen baseren.

Nu de verklaring van geen bezwaar in rechte geen stand kan houden, terwijl dit een voorwaarde is voor het verlenen van vrijstelling, komt de rechtbank niet inhoudelijk aan de beoordeling van die vrijstelling zelf toe.

4.19. Gelet op het vorenstaande is de vrijstelling niet op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Tevens is sprake van een gebrekkige motivering, nu de verklaring van geen bezwaar, waartegen bij de vrijstelling kan worden opgekomen, en daarmee de vrijstelling zelf, ondeugdelijk is gemotiveerd. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit I zal worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van Awb. Nu aan het college beoordelingsvrijheid toekomt bij het al dan niet verlenen van vrijstelling, acht de rechtbank zich niet in staat om het geschil definitief te beslechten. Het college zal daarom worden opgedragen om een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar.

4.20. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten die eisers in beroep, gericht tegen het bestreden besluit I, hebben gemaakt. De proceskosten worden met toepassing van het besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Het door eisers betaalde griffierecht dient eveneens door het college te worden vergoed.

Inzake AWB 11/4986 VEROR

5.1. Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.8, en met name gelet op rechtsoverwegingen 3.1 en 3.2 is de rechtbank van oordeel dat gedeputeerde staten het verzoek om ontheffing hadden moeten afwijzen, nu er geen noodzaak bestond om een ontheffing te verlenen. De rechtbank zal het beroep tegen bestreden besluit II dan ook gegrond verklaren en het bestreden besluit II vernietigen wegens strijd met de wet en met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

5.2. Tot slot ziet de rechtbank aanleiding gedeputeerde staten te veroordelen in de proceskosten van eisers, die onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden begroot op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Tevens dienen gedeputeerde staten het door eisers betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

Inzake het beroep tegen bestreden besluit I (AWB 11/4646 WRO)

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit I;

- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar;

- bepaalt dat het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt;

- veroordeelt het college in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 874,- te betalen aan eisers.

Inzake het beroep tegen bestreden besluit II (AWB 11/4986 VEROR)

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit II;

- herroept het primaire besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit II;

- bepaalt dat gedeputeerde staten aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 152,- vergoeden;

- veroordeelt gedeputeerde staten in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 874,- te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, voorzitter,

mrs. M.P. Verloop en P.H.A. Knol, leden, in aanwezigheid van

mr. C.A.R. Bleijendaal, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2012.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB