Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY3420

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
16-11-2012
Zaaknummer
AWB 12-9394
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opleggen terugkeerbesluit in geval van duurzaamheid als bedoeld in paragraaf C4/3.11.3.4 van de Vc 2000 innerlijk tegenstrijdig.

Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat op eiser artikel 1F VV van toepassing is en dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat bij terugkeer sprake is van een artikel 3 EVRM risico. Evenmin is tussen partijen nog in geschil dat sprake is van duurzaamheid als bedoeld in paragraaf C4/3.11.3.4 onder a van de Vc 2000. Waarbij o.m. van belang is dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat vertrek naar een ander land dan het land van herkomst ondanks voldoende inspanningen van de vreemdeling om te voldoen aan zijn vertrekplicht niet mogelijk is. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is. De Rb is van oordeel dat verweerder met in achtneming van alle feiten en omstandigheden, waaronder de strafrechtelijke veroordeling van eiser, in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat geen sprake is van een uitzonderlijke situatie en dat het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning niet disproportioneel is. De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van een terugkeerbesluit aan een vreemdeling in wiens situatie sprake is van duurzaamheid als eerder genoemd innerlijk tegenstrijdig is. Het besluit ontbeert op dit punt een deugdelijke motivering. Schadevergoeding toegekend wegens overschrijding redelijke termijn, geheel toe te rekenen aan verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 12/9394

V-nummer: 070.203.7556

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [1965], statenloos, eiser,

gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden, advocaat te Amsterdam

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. M. Erik, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2012 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 2 april 2000 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Tevens heeft verweerder bij bedoeld besluit aan eiser niet een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 verleend. Op 19 maart 2012 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig J.Matti, tolk in de Arabische taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten

Overwegingen

1. In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

1.1. Eiser heeft op 2 april 2000 een asielaanvraag ingediend. Op 27 augustus 2003 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op betreffende aanvraag.

1.2. Op 9 december 2003 heeft verweerder dit bezwaar, voor zover het zich richt tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag, gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. Op 6 januari 2004 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld. Op 2 maart 2004 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken, waarna eiser het beroep heeft ingetrokken.

1.3. Op 25 oktober 2004 heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000. Bij uitspraak van 28 juni 2006, zaaknummer AWB 04/51818, heeft deze rechtbank en zittingsplaats het hiertegen ingediende beroep gegrond verklaard. Bij uitspraak van 16 november 2006, zaaknummer 200605480/1, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) de aangevallen uitspraak bevestigd. Bij het bestreden besluit van 22 februari 2012 heeft verweerder een nieuw besluit genomen op de aanvraag.

1.4. Eiser is op 10 februari 2011 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Zwolle veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, wegens deelneming van een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de Opiumwet en het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod gepleegd (aanwezig hebben van verboden middelen van lijst II) in de periode 1 juni 2009 tot 20 november 2009.

2.1. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet langer in geding is dat op eiser artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. Verweerder heeft de asielaanvraag al vanwege de toepasselijkheid van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 kunnen afwijzen. Dat eiser bij vonnis van 10 februari 2010 strafrechtelijk is veroordeeld noch de hoogte van de veroordeling is in dit verband dan ook relevant.

2.2. De rechtbank stelt verder vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst onder de huidige omstandigheden een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een door artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verboden behandeling.

3.1. De vraag die partijen in dit geding allereerst verdeeld houdt, is of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten eiser niet uit te nodigen een verblijfsvergunning regulier aan te vragen omdat het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning niet disproportioneel is. Daarbij is aan de orde of het besluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

3.2. Volgens paragraaf C4/3.11.3.4 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000, voor zover hier van belang, kan de situatie zich voordoen dat aan de vreemdeling op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend, maar dat tegelijkertijd aannemelijk is dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. De vreemdeling bevindt zich dan in een situatie dat hem geen verblijfstitel wordt verleend, maar dat hij evenmin wordt uitgezet. De onderlinge verhouding tussen artikel 45 en artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 brengt met zich mee, dat zo enigszins mogelijk wordt voorkomen dat de vreemdeling in deze situatie geraakt. In deze gevallen wordt bij het nemen van het besluit beoordeeld

a. of artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst; en zoja,

b. of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is.

Indien de toets onder a. leidt tot een bevestigend antwoord, kan dit leiden tot de proportionaliteitstoets. Hiervoor dient de vreemdeling aannemelijk te hebben gemaakt dat hij zich in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt. Aan de hand van deze door de vreemdeling aangedragen elementen wordt beoordeeld of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is.

3.3. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat in dit geval sprake is van duurzaamheid als bedoeld onder a.

3.4. Eiser heeft betoogd dat sprake is van een uitzonderlijke situatie; dat het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is. Eiser heeft in dit kader een drietal punten naar voren gebracht. Eiser heeft allereerst een beroep gedaan op paragraaf C4/3.11.1.3 van de Vc 2000. Deze paragraaf biedt volgens eiser een speciale regeling voor het tegenwerpen van openbare orde aspecten voor mensen die niet op grond van artikel 3 van het EVRM kunnen terugkeren. De aan eiser bij vonnis van 10 februari 2010 opgelegde straf is te laag om hem de vergunning te weigeren. Ter zitting heeft eiser ook gewezen op paragraaf C5/3.3 van de Vc 2000. Verder is eiser van mening dat hij vanwege beschermenswaardig privé-leven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM een vergunning dient te krijgen. Ook heeft hij gewezen op zijn medische situatie. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.5. Uit de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2007, LJN: BB8500, blijkt dat de beoordeling of de vreemdeling zich in een uitzonderlijke situatie bevindt, of zich bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het onthouden van enige verblijfstitel zonder op voorzienbare termijn over te gaan tot uitzetting disproportioneel zou zijn, primair aan verweerder is. De rechtbank dient dit oordeel om deze reden met terughoudendheid te toetsen. De rechtbank oordeelt aldus.

3.6. Het beroep van eiser op paragraaf paragraaf C4/3.11.1.3 van de Vc 2000 slaagt niet. Nog daargelaten dat dit beleid niet ziet op het verlenen van een reguliere vergunning, stelt de rechtbank vast dat aan eiser op grond van dit beleid geen vergunning kan worden verleend. Eiser is immers niet alleen strafrechtelijk veroordeeld. Aan hem is ook artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen. De rechtbank verwijst in dit verband naar overweging 2.1. Het beroep op paragraaf C5/3.3 van de Vc 2000 kan ook niet slagen, al omdat dit beleid betrekking heeft op gronden voor intrekking en weigering verlenging van een verblijfsvergunning asiel. Daarvan is in dit geval geen sprake.

3.7. Het beroep op artikel 8 van het EVRM slaagt evenmin. Het standpunt van eiser ter zitting dat er geen sprake is van een “pressing social need” tot het onthouden van een verblijfsvergunning volgt de rechtbank niet. Al in het toepasbaar zijn van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag kan een pressing social need worden gevonden voor het onthouden van verblijfsrecht. In dit geval is eiser verder hangende zijn aanvraag strafrechtelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk voor deelname aan een criminele organisatie die zich bezighoudt met bij de Opiumwet verboden handelingen en het aanwezig hebben van drugs. Deze delicten zijn gepleegd over een langere periode. De veroordeling is vrij recent. Verweerder heeft daarom niet ten onrechte geoordeeld dat het feit dat eiser beperkt wordt in zijn mogelijkheden tot persoonlijk en professionele ontwikkeling niet opweegt tegen het belang van de staat.

3.8. De rechtbank overweegt dat het beleid zoals neergelegd in paragraaf C4/3.11.3.4 van de Vc 2000 er op is gericht om in het geval sprake is van disproportionaliteit een einde te kunnen maken aan de situatie waarin eiser zich nu bevindt. Eiser heeft in dit verband, naast de in de overwegingen 3.6 en 3.7 genoemde punten, gewezen op zijn medische situatie. Uit de rapporten van het Bureau Medische advisering van 29 maart 2010 en 22 juni 2011 blijkt dat eiser lijdt aan aan “familiaire mediterrane koorts” en spanningsgerelateerde problemen. Hij slaapt slecht. Ook voelt hij zich schuldig en wanhopig. In verband hiermee had hij ten tijde van het uitbrengen van het rapport gesprekstherapie. Uit een verklaring van de huisarts van 2 januari 2012 blijkt dat eiser in verband met de familiaire mediterrane koorts levenslang colchicine moet innemen en regelmatig laboratoriumonderzoek zal moeten laten verrichten in verband met zijn orgaanfuncties. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, met inachtneming van alle feiten en omstandigheden waaronder de strafrechtelijke veroordeling van eiser, in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat geen sprake is van een uitzonderlijke situatie en dat het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning niet disproportioneel is als bedoeld in paragraaf C4/3.11.3.4 van de Vc 2000. De beroepsgrond faalt.

4.1. De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit onder het kopje rechtsgevolgen is opgenomen dat dit besluit wordt aangemerkt als een terugkeerbesluit. Tussen partijen is in geschil of verweerder aan eiser een terugkeerbesluit heeft kunnen opleggen.

4.2. In artikel 3, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn is een terugkeerbesluit gedefinieerd als de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld.

In artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn is terugkeer gedefinieerd als het proces waarbij een onderdaan van een derde land, vrijwillig gevolg gevend aan een terugkeerverplichting of gedwongen, terugkeert naar:

- zijn land van herkomst, of

- een land van doorreis overeenkomstig communautaire of bilaterale overname overeenkomsten of andere regelingen, of

- een ander derde land waarnaar de betrokken onderdaan van een derde land besluit vrijwillig terug te keren en waar deze wordt toegelaten.

4.3. De rechtbank stelt verder vast dat in het voornemen, waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen, is opgenomen dat sprake is van duurzaamheid als onder Ad a van paragraaf C4/ 3.11.3.4 van de Vc 2000 bedoeld. De term duurzaamheid wordt in het beleid als volgt gedefinieerd

“De term duurzaam houdt in dat de vreemdeling zich op het moment dat het besluit wordt genomen reeds gedurende tien jaren zonder verblijfsvergunning in Nederland in de situatie bevindt dat hij wegens schending van artikel 3 EVRM niet kan worden uitgezet, te rekenen vanaf datum eerste asielaanvraag. De term duurzaam houdt verder in dat er geen vooruitzicht is op verandering in deze situatie binnen niet al te lange termijn. Voor een positieve beantwoording van de vraag onder a. dient de vreemdeling tot slot aannemelijk te hebben gemaakt dat vertrek naar een ander land dan het land van herkomst ondanks voldoende inspanningen van de vreemdeling om te voldoen aan zijn vertrekplicht niet mogelijk is.”

4.4. De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van een terugkeerbesluit aan een vreemdeling in wiens situatie sprake is van duurzaamheid als bedoeld in paragraaf C4/3.11.3.4 onder a, van de Vc 2000, zoals in dit geval, innerlijk tegenstrijdig is. Om deze reden ontbeert het besluit op dit punt een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

5.1. Tot slot heeft eiser een verzoek om schadevergoeding ingediend, gebaseerd op het tijdsverloop in de asielprocedure. Bij de beoordeling van dit verzoek zal de rechtbank uitgaan van het procedure verloop zoals weergegeven onder de feiten.

5.2. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 3 december 2008 (LJN: BG5910) overwogen dat het aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag liggende beginsel van rechtszekerheid ook geldt in procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen en ertoe noopt dat die procedures binnen een redelijke termijn worden beslecht, waarbij kan worden aangesloten bij de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over de uitleg van deze verdragsbepaling. Volgens haar uitspraak van 7 april 2010 (LJN: BM0215) ontstaat in een asielprocedure eerst een geschil als afwijzend op een aanvraag wordt beslist en daartegen beroep wordt ingesteld, omdat eerst dan sprake is van een in een besluit vastgelegd standpunt waartegen de vreemdeling kan opkomen.

5.3. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2009 (LJN: BI6092) ontstaat bij het maken van bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag, het geschil. De rechtbank is van oordeel dat dit betekent dat bij asielprocedures het geschil aanvangt bij het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvaag. In dit geval heeft eiser op 27 augustus 2003 bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De rechtbank stelt vast dat in dit geval ten onrechte bezwaar is gemaakt, omdat op deze zaak de Vw 2000 van toepassing is. Verweerder had het bezwaar daarom als beroep moeten doorzenden aan de rechtbank. Dat dit niet is gebeurd, neemt niet weg dat het bezwaar dient te worden aangemerkt als beroep. Het geschil is begonnen met het indienen van dit beroep.

5.4. Uit genoemde uitspraak van 7 april 2010 volgt voorts dat de Afdeling bij asielzaken een termijn van vier jaar redelijk acht. Daarbij mag de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep eveneens ten hoogste twee jaar duren.

5.5. Sinds het instellen van het bezwaar op 27 augustus 2003 tot aan de dag van deze uitspraak heeft de asielprocedure van eiser 8 jaar en elf maanden geduurd. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door verweerder en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eiser gedurende de hele procesgang, de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiser. Verweerder heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de ingewikkeldheid van de zaak, zodat de rechtbank van oordeel is dat de termijn van 4 jaar in dit geval van toepassing is. Daarom is sprake van overschrijding van de termijn met 4 jaar en elf maanden.

5.6 In een geval als dit waarbij achtereenvolgens het intrekken van een besluit door verweerder en de gegrondverklaring van een beroep door de rechtbank heeft geleid tot herhaalde besluitvorming door verweerder op de oorspronkelijke aanvraag dient de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan verweerder te worden toegerekend. Dat is slechts anders in geval de rechtbank of de Afdeling de redelijke behandelingsduur voor een beroep heeft overschreden. Verweerder heeft niets aangevoerd op grond waarvan dient te worden geoordeeld dat de rechtbank of de Afdeling de redelijke behandelduur hebben overschreden. De overschrijding van de termijn dient in dit geval dan ook volledig aan verweerder te worden toegerekend, nu de overschrijding door hem is veroorzaakt. Uitgaande van een vergoeding van € 500,-- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden, leidt dit tot een schadevergoeding van tien maal € 500,-- in totaal € 5.000,--. Dit bedrag moet verweerder aan eiser voldoen.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 437,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit, gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 22 februari 2012, wat betreft het terugkeerbesluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- bepaalt dat verweerder aan eiser wegens de overschrijding van de redelijke termijn een bedrag van € 5.000,-- (vijfduizend euro) moet vergoeden te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van verzending van deze uitspraak tot aan de dag van gehele voldoening;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 874,--

(achthonderdvierenzeventig euro), te betalen aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.M. van Tilburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

1 augustus 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: AvT

Coll.: LvD

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.