Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY3138

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-08-2012
Datum publicatie
14-11-2012
Zaaknummer
AWB 11-5630 WABOA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag om een in- en uitritvergunning is geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bij strijd met het bestemmingsplan niet alleen afwijkt van bestemmingsplan als een carport of garage of het erf staat, maar ook als het verlenen van een vergunning geen negatief effect heeft op de parkeerbalans. Dit volgt niet uit het bestreden besluit. Niet gebleken van een deugdelijke weging van alle betrokken belangen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/5630 WABOA

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

gemachtigde mr. P.C. Leegwater,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen,

verweerder,

gemachtigden mr. E. Bakker en [A].

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiseres een omgevingsvergunning te verlenen voor een in- en uitrit op het adres [straat X] 55 te [plaats].

Bij besluit van 17 oktober 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften (de bezwaarschriftencommissie) van 14 oktober 2011.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2012.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van de uitspraak met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden en standpunten van partijen

1.1. Op 22 mei 2011 heeft eiseres ten behoeve van haar woning aan de [straat X] 55 te [plaats] een aanvraag om een in- en uitritvergunning ingediend. Zij heeft daarbij het volgende aangegeven: “Wij zouden graag de mogelijkheid hebben om onze auto op het voorerf te plaatsen. Hiervoor dient de trottoirband te worden aangepast zodat de toegang tot het voorerf vrij blijft en een juiste oprit wordt geplaatst voor de auto. Wij zullen onze voortuin bestrating aanpassen zodat onze auto de juiste ondergrond heeft om op te staan”.

1.2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres geweigerd omdat de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met het bestemmingsplan. Parkeren op eigen terrein is alleen toegestaan als er in het bestemmingsplan een “parkeertuin-erf (P)” aanduiding is. In casu is dit niet het geval. Als er een garage en/of carport aanwezig was, hetgeen niet het geval is, kon wel medewerking worden verleend, aldus verweerder.

1.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd. Verweerder heeft in het bestreden besluit verwezen naar het daaraan ten grondslag liggende advies van de bezwaarschriftencommissie. In dit advies is gesteld dat een verzoek om een omgevingsvergunning voor een activiteit, die in strijd is met het bestemmingsplan, moet worden opgevat als een verzoek om van het bestemmingsplan te mogen afwijken. Naar het oordeel van de bezwaarschriftencommissie heeft verweerder de aanvraag als zodanig aangemerkt en beoordeeld. Van het bestemmingsplan kan enkel worden afgeweken als er sprake is van een garage en/of carport op het erf. Deze afwijkingsmogelijkheid is niet vervat in schriftelijk beleid. Op dit punt is sprake van een bestendige gedragslijn, gezien het feit dat in vergelijkbare gevallen is geoordeeld dat in het geval van een garage en/of carport van het bestemmingsplan kan worden afgeweken, omdat een in- en uitrit noodzakelijk is om de garage en/of carport te bereiken. Volgens de bezwaarschriftencommissie mocht verweerder meer belang hechten aan het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en het belang van de parkeerdruk dan aan het persoonlijke belang van eiseres. Archiefonderzoek heeft uitgewezen dat verweerder geen in- en uitritvergunningen heeft verleend voor de door eiseres in bezwaar genoemde adressen op de [straat X] 35, 47, 53, 63, 67, 69, 75 en 77. Deze adressen zijn op 1 januari 2002 overgegaan van de gemeente Aalsmeer naar de gemeente Amstelveen. Contact met de gemeente Aalsmeer heeft uitgewezen dat ook deze gemeente voor deze adressen geen in- en uitritvergunning heeft verleend. Daarom is geen sprake van gelijke gevallen en daarmee van strijd met het gelijkheidsbeginsel, aldus de bezwaarschriftencommissie.

1.4. Eiseres heeft in beroep - kort gezegd - aangevoerd dat geen sprake is van een bestendige gedragslijn. Voor zover wel een bestendige gedragslijn zou bestaan, kan de verwijzing ernaar volgens eiseres niet als toereikende motivering gelden. Verder heeft zij betoogd dat verweerder de betrokken belangen onjuist en onredelijk heeft afgewogen. Verweerder heeft het financiële belang van eiseres niet meegewogen. Op de erven van de [straat X] 35, 47, 53, 63, 67, 69, 75 en 77 wordt illegaal geparkeerd. Verweerder hecht kennelijk niet zodanig belang aan de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en het verminderen van de parkeerdruk, dat het handhavend optreedt tegen dit illegaal gebruik. Het is verder onbegrijpelijk waarom de parkeerdruk zich niet verenigt met parkeren op het erf. Verweerder had moeten afwijken van een eventuele bestendige gedragslijn. Verweerder handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat op verschillende adressen op de [straat X] wel een in- en uitrit is gerealiseerd.

2. Wettelijk kader

2.1. Artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bepaalt, voor zover van belang, dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden in strijd met een bestemmingsplan.

2.2. Artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo bepaalt dat voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen, een zodanige bepaling geldt als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

2.3. Artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo bepaalt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1° met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2° in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3° indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

2.4. Op grond van artikel 6, van het bestemmingsplan “Amstelveen Zuid-West” is parkeren op gronden met de bestemming “tuin” alleen toegestaan indien en voor zover de gronden op de plankaart zijn voorzien van een aanduiding “parkeertuin-erf (P)”.

2.5. Artikel 6.3, derde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Amstelveen (APV) bepaalt dat een vergunning kan worden geweigerd:

a. in het belang van de bruikbaarheid van de weg;

b. in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

c. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

d. in het belang van de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente;

e. vanwege de strijdigheid met een (ontwerp) bestemmingsplan.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1. Vast staat dat de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met het bestemmingsplan. Parkeren op eigen terrein is alleen toegestaan als er in het bestemmingsplan een “parkeertuin-erf (P)” aanduiding is. Dat is bij eiseres niet het geval. Partijen twisten over het antwoord op de vraag of verweerder in redelijkheid de omgevingsvergunning aan eiseres heeft kunnen weigeren. Het verlenen van een vergunning betreft een discretionaire bevoegdheid, die terughoudend moet worden getoetst.

3.2. In het bestreden besluit heeft verweerder opgenomen dat de vergunning van eiseres wordt geweigerd vanwege strijdigheid met het bestemmingsplan. Verweerder hanteert een bestendige gedragslijn, die inhoudt dat enkel van het bestemmingsplan kan worden afgeweken als sprake is van een garage en/of carport op het erf. Op het erf van eiseres is geen garage en/of carport aanwezig, zodat de vergunning volgens verweerder niet kan worden verleend.

3.3. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder de weigering van de omgevingsvergunning aan eiseres nader toegelicht. Gebleken is dat verweerder zich op het standpunt stelt dat door het verlenen van de vergunning anderhalve openbare parkeerplaats verloren gaat, hetgeen een negatief effect heeft op de parkeerbalans. Gelet op het belang van een goede parkeerbalans is de aanvraag van eiseres geweigerd. Uit het verhandelde ter zitting is verder gebleken dat in gevallen waarbij strijdigheid met het bestemmingsplan bestaat ook buiten de door verweerder gestelde gedragslijn, een vergunning is verleend. Als voorbeeld is hierbij het erf op de [straat X] 76 (hierna: nummer 76) besproken. Ten aanzien van nummer 76 bevat het bestemmingsplan geen “parkeertuin-erf (P)” aanduiding en staat er geen garage of carport op het erf. In die zin is nummer 76 gelijk aan het erf van eiseres. Verweerder heeft toegelicht dat het bij nummer 76 niet mogelijk is om op de openbare weg te parkeren omdat voor de deur geen openbare parkeerplekken zijn, in tegenstelling tot het perceel van eiseres. Aan nummer 76 is een vergunning verleend omdat met de aanleg van een in- en uitrit de parkeerbalans niet wordt verstoord, aldus verweerder.

3.4. De rechtbank concludeert hieruit dat verweerder in geval van strijd met het bestemmingsplan kennelijk niet alleen van het bestemmingsplan afwijkt als een carport of garage op het erf staat, maar ook als blijkt dat het verlenen van een vergunning geen negatief effect heeft op de parkeerbalans en dus niet in strijd is met het belang van een goede parkeerbalans. Dit volgt echter niet uit het bestreden besluit. Bovendien is gebleken dat in het geval van eiseres, in tegenstelling tot wat blijkt uit het bestreden besluit, het belang van de parkeerbalans de doorslaggevende reden voor het weigeren van de vergunning is geweest.

3.5. De rechtbank overweegt verder dat het belang van het in stand houden van de parkeerbalans een reden voor verweerder kan zijn om de vergunning te weigeren. Uit de APV volgt immers dat een vergunning kan worden geweigerd in het belang van de bruikbaarheid van de weg dan wel in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg. Gelet op de discretionaire bevoegdheid van verweerder is het aan verweerder om bij het al dan niet verlenen van een vergunning alle in het geding zijnde belangen af te wegen tegen het belang van eiseres bij de gevraagde vergunning. Naar het oordeel van de rechtbank is van een deugdelijke weging van alle betrokken belangen in het bestreden besluit onvoldoende gebleken.

3.6. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en gemotiveerd. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat het aan verweerder is op welke manier de belangen in kaart worden gebracht en worden afgewogen, acht de rechtbank zich niet in staat het onderhavige geschil finaal te beslechten. Verweerder zal worden opgedragen binnen zes weken na deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

3.7. Gelet op het voorgaande kunnen de overige beroepsgronden van eiseres onbesproken blijven.

3.8. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres, die onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden begroot op

€ 874,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Verweerder dient tevens het door eiseres betaalde griffierecht ter hoogte van € 152,-- aan eiseres te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van

€ 152,-- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 874,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Bakker, voorzitter, en mrs. L.H. Waller en

K. Oldekamp-Bakker, leden, in aanwezigheid van mr. C. Koekkoek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2012.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te

’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB