Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY3098

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
14-11-2012
Zaaknummer
AWB 12-3670 VEROR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting coffeeshop. Weigering exploitatievergunning en de daarbij horende gedoogverklaring. De burgemeester heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat het levensgedrag van verzoeker en zijn leidinggevenden van dien aard is dat de openbare orde en het woon- en leefklimaat gevaar lopen door de aanwezigheid van de coffeeshop, gelet op de wijze waarop verzoeker de coffeeshop exploiteert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/3670 VEROR

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], h.o.d.n. [handelsnaam verzoeker] B.V.,

wonende te [plaats],

verzoeker,

gemachtigde mr. M. Veldman,

en

de burgemeester van Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. M.F. Boermans.

Procesverloop

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoeker ingediende bezwaar tegen het besluit van verweerder van 19 juli 2012 (het bestreden besluit).

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 augustus 2012.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. Inleidende bepaling

1.1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

2. Feiten en omstandigheden

2.1. Verzoeker exploiteert coffeeshop [handelsnaam verzoeker] aan de [adres] te Amsterdam. Aan verzoeker is een exploitatievergunning verleend en een gedoogverklaring verstrekt voor zijn coffeeshop. Op 22 maart 2011 heeft verzoeker een verlenging van zijn vergunning en bijbehorende gedoogverklaring aangevraagd.

2.2. Op 3 februari 2008 is verzoeker in aanraking geweest met de politie op grond van artikel 3c van de Opiumwet.

2.3. Op 1 maart 2011 is de Nationale Recherche onder leiding van het Openbaar Ministerie (OM) een opsporingsonderzoek gestart onder de naam [X]. Dit onderzoek richtte zich op een groep personen die werden verdacht van de handel in import en export van drugs, in ieder geval hasj, al dan niet in een georganiseerd verband. In dit onderzoek werden onder andere [A] en [B] als verdachten aangemerkt. Het onderzoek wees uit dat deze organisatie in de maanden april tot en met juni 2011 meerdere grotere partijen hasj binnen Nederland zou hebben gebracht dan wel in Nederland zouden hebben verkocht. Het OM verdenkt verzoeker van het deelnemen aan deze organisatie. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van de Nationale Recherche van 7 december 2011 (het rapport). In dit rapport zijn getapte telefoongesprekken opgenomen, onder andere van verzoeker. Bij brief van 13 januari 2012 heeft de officier van justitie bericht de rol van verzoeker in het onderzoek [X] niet verder te onderzoeken maar af te doen middels een sepot met de code 41 (gering aandeel in het feit) en de code 20 (ander dan strafrechtelijk ingrijpen prevaleert). Verzoeker heeft zich beklaagd over de sepotcodes en gebruikte motivering van de sepotbeslissing. Bij brief van 19 april 2012 heeft de hoofdofficier namens de minister van Justitie de klacht ongegrond bevonden.

2.4. Bij brief van 15 december 2011 heeft verweerder verzoeker het voornemen kenbaar gemaakt om de exploitatievergunning en de gedoogverklaring te weigeren. Bij brieven van 23 december 2011, 13 januari 2012 en 20 januari 2012 heeft verzoeker zienswijzen ingediend.

2.5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de exploitatievergunning en de gedoogverklaring geweigerd omdat zowel verzoeker als drie van zijn leidinggevenden in de coffeeshop van slecht levensgedrag zijn. Onder aanzegging van bestuursdwang is gelast de exploitatie van de coffeeshop binnen twee weken na verzending van het besluit te staken. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

3. Standpunten van partijen

3.1. Verweerder heeft gesteld dat uit het rapport blijkt dat verzoeker wordt verdacht van het meermaals overtreden van de Opiumwet. Verweerder heeft gesteld dat vanwege de mate van samenwerking met en invloed van [A] op de exploitatie van coffeeshop [handelsnaam verzoeker] verzoeker geen zorg kan dragen voor een goede bedrijfsvoering van de onderneming. Verweerder heeft gesteld dat het levensgedrag van verzoeker een gevaar oplevert voor de openbare orde en een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de coffeeshop, evenals het levensgedrag van drie van zijn leidinggevenden. Verweerder heeft de afwijzing van de aanvraag gebaseerd op artikel 3.11, eerste en derde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).

3.2. Verzoeker voert, kort samengevat, aan dat hij niet van slecht levensgedrag is. Dat blijkt ook uit het feit dat aan hem een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) is afgegeven. Het gaat om feiten en omstandigheden rond [A] en niet om die van hem. Ook is onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een samenwerkingsverband met [A] en is niet bewezen dat verzoeker fungeert als tussenpersoon, makelaar en zelfstandig hasjhandelaar. Verder stelt verzoeker dat onvoldoende grondslag bestaat voor de afwijzing van de aanvraag en dat de strafbare feiten die hem worden verweten onvoldoende zijn komen vast te staan. Het rapport biedt immers onvoldoende grondslag. Daarom dient te worden uitgegaan van zijn onschuld tot het moment dat hij daadwerkelijk wordt veroordeeld. Door verweerder is niet aangetoond dat sprake is van enig gevaar voor de openbare orde of voor aantasting van het woon- en leefklimaat in relatie tot de vermeende gedragingen van verzoeker. Het niet verlenen van de vergunning voor de coffeeshop is disproportioneel.

4. Juridisch kader

4.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren.

4.2. Ingevolge artikel 3.11, tweede lid, van de APV – voor zover hier van belang – kan de burgemeester de vergunning geheel weigeren indien naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf, de openbare orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.

Ingevolge het derde lid van dit artikel houdt de burgemeester – voor zover hier van belang – bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond rekening met:

(…)

e. het levensgedrag van de exploitant of de leidinggevende.

5. Beoordeling

5.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij de exploitatie van coffeeshops sprake is van een gedoogsituatie. Om te voorkomen dat de exploitatie van een coffeeshop ongewenste effecten voor het woon- en leefklimaat, de openbare orde en veiligheid met zich meebrengt, stelt verweerder strenge voorwaarden aan het levensgedrag van de exploitant. De in artikel 3.11, tweede lid, van de APV neergelegde weigeringsbevoegdheid betreft een discretionaire bevoegdheid van verweerder, die door de voorzieningenrechter terughoudend dient te worden getoetst. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat in de APV geen nadere omschrijving is gegeven van de eis dat de exploitant dan wel leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. Gelet hierop zijn volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geen beperkingen opgelegd ten aanzien van feiten en omstandigheden, die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. Een strafrechtelijke veroordeling is daarbij niet vereist (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 november 2008, LJN: BG4744). Voorts is niet vereist dat het levensgedrag is gerelateerd aan de exploitatie van een inrichting dan wel zich heeft afgespeeld in de inrichting (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van

2 februari 2011, LJN: BP2763).

5.2. Verzoeker betwist de conclusie van verweerder dat hij van slecht levensgedrag is. Verzoeker voert in dit kader allereerst aan dat het onderzoek naar [A] heeft plaatsgevonden gedurende de periode van 1 maart 2011 tot juli 2011. Uit het feit dat verzoeker gedurende deze hele periode slechts één week is voorgekomen in de telefoontaps volgt volgens hem reeds dat hij geen deel uitmaakt van de criminele organisatie. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt niet. Uit de beslissing van 13 januari 2012 waarbij de officier van justitie besluit tot het middels een sepot afdoen van de zaak van verzoeker komt naar voren dat ook verzoeker als verdachte is aangemerkt in het onderzoek [X] Hoewel dit onderzoek met name was gericht op verzoekers medeverdachten, neemt dit niet weg dat verzoeker blijkens die sepotbeslissing in beeld kwam omdat hij zich bezighield met het bestellen van grote hoeveelheden softdrugs en deelneming aan een criminele organisatie die de handel in hasj tot doel heeft. De reden van de sepotbeslissing is dat de rol van verzoeker geringer was dan die van zijn medeverdachten waardoor het niet opportuun is verzoeker verder te vervolgen, niet dat geen sprake is van de deelname aan een criminele organisatie. In de beslissing van de Hoofdofficier van justitie naar aanleiding van de klacht van verzoeker staan de feiten weergegeven op grond waarvan zowel de hoofdofficier als de officier van justitie van mening zijn dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie die de handel in hasj tot doel had. In de beslissingen van de officier van justitie en de hoofdofficier is een grote hoeveelheid gedetailleerde gegevens uit het onderzoek [X] opgenomen, afkomstig uit onder meer verklaringen van verzoeker, verslagen van getapte telefoongesprekken, processen verbaal van verhoor en in beslagname. De voorzieningenrechter overweegt dat de burgemeester op grond van deze voldoende concrete en duidelijke gegevens, in onderlinge samenhang bezien, aannemelijk mocht achten dat verzoeker zich bezig hield met handel in softdrugs.

5.3. Verzoekers stelling dat verweerder zich niet op de gegevens uit het justitieonderzoek kon baseren omdat hij zich slechts heeft beziggehouden met de bevoorrading van zijn eigen coffeeshop en dat van handel of bemiddeling in grote hoeveelheden softdrugs geen sprake is geweest, volgt de voorzieningenrechter niet. Waar in de afgeluisterde telefoontaps wordt gesproken over ‘1 meter’ wordt volgens verzoeker gesproken over 1 kilogram en niet, zoals verweerder stelt, 100 kilogram. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt van verzoeker evenmin. Mede gelet op de grote hoeveelheden softdrugs die in het onderzoek zijn aangetroffen en onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Haarlem van

22 juni 2012, LJN: BX0878, in de strafzaak tegen medeverdachte [A] acht de rechter de stelling van verzoeker dat de gesprekken gingen over kleine hoeveelheden softdrugs die nodig waren voor de bevoorrading van de coffeeshop onaannemelijk. In de omstandigheid dat verzoeker in deze zaak niet is berecht en dat de strafrechtelijke vervolging van verzoeker door een sepot is geëindigd, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat de burgemeester zich niet op het standpunt mocht stellen dat aannemelijk is dat ook verzoeker voormeld strafbaar feit heeft begaan. Een strafrechtelijke veroordeling is niet vereist voor het oordeel van de burgemeester om te spreken van slecht levensgedrag.

5.4. Voorts verwijst verzoeker naar een op 29 juni 2012 door de minister van Justitie afgegeven VOG. Nu bij de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor een VOG uitgebreid wordt getoetst aan justitiële en strafvorderlijke gegevens en hij deze toets heeft doorstaan, kan volgens verzoeker niet worden gezegd dat hij van slecht levensgedrag is. Onder verwijzing naar de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 mei 2012 (LJN: BW7465) volgt de voorzieningenrechter verzoeker hierin niet. Een VOG vormt weliswaar een aanknopingspunt voor de veronderstelling dat verzoeker over de vereiste eigenschappen en kwaliteiten bezit, maar dit neemt niet weg dat verweerder op grond van de APV een zelfstandige bevoegdheid heeft in het kader van de afgifte van de vereiste exploitatievergunning en de daarbij horende gedoogverklaring. Slecht levensgedrag is een dringende afwijzingsgrond voor de exploitatievergunning. De beoordeling van de vraag of iemand van slecht levensgedrag is zal plaatsvinden aan de hand van een aantal criteria. Uiteindelijk zal de beoordeling zich dienen toe te spitsen op de vraag of kan worden aangenomen dat de betrokkene, gelet op wat bekend is over de door hem in het verleden gepleegde strafbare feiten en ander gedrag, zich zal gedragen op een wijze die, bezien in het licht van de beoogde vergunning, als maatschappelijk aanvaardbaar worden beschouwd. Hieruit volgt dat verweerder zich bij de beoordeling niet hoeft te beperken tot (dezelfde) feiten en gedragingen die (ook) bij de toetsing of een VOG kan worden afgegeven, in ogenschouw worden genomen. Reeds hiervoor is al overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of iemand van slecht levensgedrag is een strafrechtelijke veroordeling niet is vereist. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verweerder toereikend heeft gemotiveerd waarom hij, gegeven de beoordeling die tot afgifte van de VOG heeft geleid, toch tot het oordeel is gekomen dat verzoeker van slecht levensgedrag is.

5.5. Dat verzoeker de bedrijfsvoering heeft aangepast en de drie leidinggevenden inmiddels heeft ontslagen doet aan het voorgaande evenmin af. Verzoeker voldeed ten tijde van de aanvraag om de exploitatievergunning voor de coffeeshop niet aan de eisen die mogen worden gesteld aan de bedrijfsvoering door een exploitant van een coffeeshop, aangezien hij leidinggevenden in dienst had waarvan hij moet hebben geweten dat zij recent nog waren veroordeeld vanwege overtreding van de Opiumwet. De voorzieningenrechter acht het niet onredelijk dat bij verweerder het vertrouwen ontbreekt dat de bedrijfsvoering door verzoeker in de toekomst wel zal voldoen aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld.

5.6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat het levensgedrag van verzoeker en zijn leidinggevenden van dien aard is dat de openbare orde en het woon- en leefklimaat gevaar lopen door de aanwezigheid van de coffeeshop, gelet op de wijze waarop verzoeker de coffeeshop exploiteert. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat, aangezien bij de exploitatie van coffeeshops sprake is van een gedoogsituatie, strenge voorwaarden mogen worden gesteld aan het levensgedrag van een exploitant. Verweerder heeft niet onredelijk gehandeld door het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat zwaarder te laten wegen dan het belang van verzoeker bij voortzetting van de exploitatie van de coffeeshop.

5.7. Nu verzoeker, als gevolg van de weigering, niet over een geldige exploitatievergunning beschikt, was verweerder bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang. Ook overigens is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat verweerder van handhavend optreden had behoren af te zien. De voorzieningenrechter zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dan ook afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling dan wel een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.D. Wevers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

28 augustus 2012.

de griffier de voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

Coll: JV

D: B

SB