Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY2965

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-11-2012
Datum publicatie
13-11-2012
Zaaknummer
528116 / KG ZA 12-1427 MW/EB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Het VUmc hoeft eiser niet als afdelingshoofd Longziekten terug te laten keren. Wel kan hij zijn werk als hoogleraar en medisch specialist gewoon weer oppakken.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-1011
JAR 2013/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 528116 / KG ZA 12-1427 MW/EB

Vonnis in kort geding van 13 november 2012

in de zaak van

[EISER],

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 22 oktober 2012,

advocaat mr. F.A. Chorus te Amsterdam,

tegen

de stichting

STICHTING VU-VUMC,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. A.C. Siemons te Amsterdam.

Partijen zullen hierna eiser en het VUmc worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 30 oktober 2012 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Het VUmc heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. [Eiser] heeft producties en een pleitnota in het geding gebracht en het VUmc alleen een pleitnota. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting was [eiser] aanwezig met mr. Chorus. Namens het VUmc was aanwezig prof. dr. F.H.M. Corstens, thans voorzitter van de raad van bestuur van het VUmc, met mr. Siemons.

2. De feiten

2.1. [Eiser] is sinds 1 maart 1992 in dienst van (de rechtsvoorganger van) het VUmc, een academisch ziekenhuis te Amsterdam, als hoogleraar/medisch specialist/afdelingshoofd (specialisme: longziekten). Uit hoofde van zijn functie richt [eiser] zich op het leiding geven aan de afdeling Longziekten, het behandelen van patiënten, het geven van onderwijs aan (geneeskunde) studenten en arts-assistenten in opleiding tot specialist, het begeleiden van promovendi en het doen van wetenschappelijk onderzoek.

2.2. Het VUmc kent een divisiestructuur. Er is een raad van toezicht, een raad van bestuur en er zijn zeven divisies, elk met een divisiebestuur. De divisies hebben verschillende afdelingen onder zich, die feitelijk worden aangestuurd door afdelingshoofden. De afdelingshoofden zijn hiërarchisch ondergeschikt aan de divisievoorzitter. Onder sommige van de afdelingen vallen meerdere secties, die in de praktijk worden aangestuurd door sectiehoofden. Het gaat bij de secties niet om formeel organisatorische posities.

De afdeling Longziekten valt onder divisie I. [...] (hierna: de voorzitter van divisie I) is de voorzitter van divisie I. De sectie Longchirurgie, met als sectiehoofd

[...] (hierna: het hoofd van de sectie Longchirurgie), valt samen met andere secties onder de afdeling Heelkunde. Het hoofd van de afdeling Heelkunde is [...] (het hoofd van de afdeling Heelkunde). Deze afdeling valt onder divisie IV met als divisievoorzitter [...] (de voorzitter van divisie IV).

2.3. In maart 2011 heeft [het hoofd van de sectie Longchirurgie] bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: de Inspectie) melding gemaakt van een vermijdbaar overlijdensgeval op de Intensive Care volwassenen van het VUmc in diezelfde maand.

2.4. Naar aanleiding van de melding door [het hoofd van de sectie Longchirurgie] heeft de Inspectie onderzoek verricht naar het incident op de Intensive Care en haar bevindingen in november 2011 neergelegd in een rapport, dat voor zover van belang luidt:

“(...)

De commissie van externe deskundigen concludeert in haar laatste alinea: ‘Ten aanzien van de continuïteit van zorg en de communicatie zeker verbeteringen mogelijk. De indruk die wij krijgen over het verloop van de communicatie roept de zorg op dat dit in de toekomst wel tot een calamiteit kan leiden.’

Onder het kopje collegiale samenwerking geeft de commissie aan: ‘De communicatielijnen tussen longartsen, longchirurgen, algemene heelkunde en Intensive care zijn niet efficiënt en ook niet duidelijk. Er is geen vertrouwen in een open communicatie en wegen van argumenten. (...)

Slotconclusie

(...)

De samenwerking tussen de IC/MC en de medebehandelaars van een aantal belangrijke specialismen als de longchirurgie, de hartchirurgie en de longziekten (maar ook anderen) is echter in de loop van de tijd in het ongerede geraakt. De beider expertisen versterken elkaar niet. Dit is een risico voor de patiëntenzorg. Dit risico heeft zich in deze casus verwezenlijkt.

(...)

Maatregelen:

• De raad van bestuur dient de werkelijke en de ervaren communicatiestoornissen tussen de professionals op te lossen. (...)

• De raad van bestuur dient de samenwerking tussen orgaan/verwijzend/consulterend medisch specialisten en intensivisten zo te organiseren en te faciliteren dat in de werkafspraken en de protocollen beider deskundigheid in acht worden genomen.

• De raad van bestuur dient de maatregelen die in de hoofdstukken 2 t/m 5 staan vermeld met voortvarendheid op te pakken.”

2.5. Naar aanleiding van het rapport van de Inspectie heeft de raad van bestuur van het VUmc in december 2011 een plan van aanpak opgesteld, waarvan onder meer deel uitmaakte mediation tussen het hoofd van de Intensive Care Volwassenen [...], [...] het hoofd van de sectie Longchirurgie, het hoofd van de afdeling cardiothoracale chirurgie [...] en [eiser]. Deze mediation is in april 2012 met succes afgerond.

2.6. In verband met de melding aan de Inspectie en een daarmee samenhangend conflict tussen [het hoofd van de sectie Longchirurgie] en andere specialisten van het VUmc, is [het hoofd van de sectie Longchirurgie] op grond van een door het VUmc getroffen maatregel tijdelijk niet aan het werk geweest. Toen deze maatregel werd ingetrokken en met [het hoofd van de sectie Longchirurgie] werd afgesproken dat hij op 12 maart 2012 weer aan het werk zou gaan, hebben elf chirurgen van het VUmc bij brief van 7 maart 2012 aan de raad van bestuur laten weten dat tussen [het hoofd van de sectie Longchirurgie] en een groot deel van de staf Heelkunde een vertrouwensbreuk bestond. Het VUmc heeft het bestaan van deze vertrouwensbreuk niet gemeld aan de Inspectie.

2.7. Eind juni 2012 maakte [eiser] zich ernstige zorgen dat de sectie Longchirurgie onderbemand was en dat dit een onaanvaardbaar gezondheidsrisico opleverde voor patiënten met longziekten die waarschijnlijk op korte termijn longchirurgie nodig zouden hebben. In de laatste week van juni 2012 heeft [eiser] deze zorgen geuit aan de voorzitter van de Raad van Toezicht van het VUmc. Tevens heeft hij, in overleg met een aantal longchirurgen uit het VUmc en het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (OLVG) te Amsterdam, beslist dat deze specifieke categorie patiënten die aan het VUmc zouden worden aangeboden, zouden worden doorverwezen naar het OLVG of een ziekenhuis in de regio van de patiënt. Alvorens deze beslissing te nemen, heeft [eiser] contact gezocht met de Inspectie om te verifiëren of de Inspectie daartegen bezwaar had.

2.8. Op 4 juli 2012 heeft de Inspectie aan de voorzitter van de raad van bestuur van het VUmc geschreven, voor zover relevant:

“(...)

Verder nog het volgende, [eiser] heeft telefonisch contact met mij gezocht vanwege zijn zorgen over de continuïteit van zorg rond de longchirurgische (complexe) patiënt. Ik heb hem gevraagd zijn zorgen bij u neer te leggen. Wel ontvang ik van u per ommegaande uitsluitsel over op welke wijze de continuïteit van zorg voor de longchirurgische patiënt nu geborgd is. Waaronder de beschikbaarheid 7x24 uur van een longchirurg.”

2.9. Bij e-mail van 4 juli 2012 heeft [eiser] zijn zorgen over de continuïteit van de longchirurgische zorg en de door hem getroffen maatregel schriftelijk gemeld aan de voorzitter van de raad van bestuur van het VUmc.

2.10. Op 5 juli 2012 heeft de Raad van Bestuur aan [eiser] geschreven, voor zover relevant:

“(...)

Wij laten u weten dat u naar het oordeel van de raad van bestuur op diverse punten onjuiste conclusies hebt getrokken en onzorgvuldig bent geweest in de door u ondernomen stappen.

Wij constateren, mede na consultatie van het divisiebestuur I, dat:

• U niet bij het afdelingshoofd heelkunde hebt geverifieerd hoe de continuïteit van de longchirurgische zorg op dit moment en in de nabije toekomst is geborgd. De raad van bestuur weet dat die continuïteit wel degelijk geborgd is. U trad daarmee onzorgvuldig en voorbarig op;

• U uw zorgen wederom niet eerst hebt gedeeld met uw leidinggevenden en direct betrokken/verantwoordelijke collegae alvorens u uw besluiten met betrekking tot medebehandeling/verwijzing oplegde aan de VUmc organisatie. Dit terwijl u ons bij de vorige casus nadrukkelijk hebt toegezegd voortaan eerst met uw leidinggevenden en direct betrokken collegae in gesprek te gaan in geval van grote zorgen. Dit bleek ook vanwege uw contact met de voorzitter van de Raad van Toezicht (...) vorige week. (...)

• U uw zorgen niet eerst hebt gedeeld met uw leidinggevenden en direct betrokken/verantwoordelijke collegae alvorens u contact legde met de IGZ (de Inspectie, vzr.) Dit terwijl u ons bij de vorige casus nadrukkelijk hebt toegezegd eerste met uw leidinggevenden en direct betrokken collegae in gesprek te gaan over uw grote zorgen.

Omdat ons herhaalde verzoek tot en afspraken rond een open intern gesprek bij grote zorgen uwerzijds bij u kennelijk geen weerklank vindt zal de raad van bestuur zich beraden op een passende reactie hierop. U schendt hiermee immers de kernwaarden van VUmc en die van goed leiderschap. De raad van bestuur is van oordeel dat u zich hiermee schuldig maakt aan plichtsverzuim. U wordt verwacht voor een bespreking op 6 juli 2012 (...) om zich tegenover de raad van bestuur (...) te verantwoorden over uw handelen. (...)”

2.11. Nog diezelfde dag heeft [eiser] op deze brief gereageerd:

“(...)

In de laatste week van juni is mijn seniorstaf (...) geïnformeerd door het hoofd longchirurgie ([...]) dat hij grote zorgen heeft over de continuïteit van zorg voor de longchirurgische patiënten in het VUMC. [het hoofd van de sectie Longchirurgie] heeft aangegeven dat hij dit al ruim voor de zomerperiode gemeld heeft aan de voorzitter van divisie IV, aan het hoofd van de afdeling heelkunde en aan de voorzitter van de Raad van Bestuur. Een afspiegeling van zijn zorgen over de continuïteit van deze zorg vond hij het feit dat hij tot 29 juni j.l. gedurende 3 weken continu dienst heeft gedaan als voor en/of achterwacht voor longchirurgie. Tot het moment van de uitval van [het hoofd van de sectie Longchirurgie] waren er 3 gekwalificeerde longchirurgen, waarvan 1 net klaar na CHIVO-schap longchirurgie (per 1 juli), en kon ternauwernood voldoende zorg worden geboden.

Met het door ziekte uitvallen van [het hoofd van de sectie Longchirurgie] is de bezorgdheid bij de staf van de afdeling longziekten over de veiligheid van de longchirurgische patiënten verder toegenomen, en is de vrees ontstaan dat, met name in gevallen van urgentie, onvoldoende zorg zou kunnen worden geleverd. Om die reden is in gezamenlijk overleg besloten terughoudend te zijn met het accepteren van patiënten, aangeboden door collega longartsen vanuit andere ziekenhuizen, waarbij de inschatting is dat specifiek in die situatie van deze patiënten mogelijk een spoedeisende longchirurgische ingreep noodzakelijk is. Voor deze specifieke situatie is nagevraagd of door ons aan de verwijzende collega longartsen kon worden geadviseerd deze patiënten te verwijzen naar het OLVG.

Ik ben er vanuit gegaan dat deze specifieke situatie mag worden beschouwd als vallend onder de eigen professionele verantwoordelijkheid van de longartsen, en heb e.e.a. – anders dan u in uw brief lijkt op te merken – ook met mijn collega longartsen afgestemd. Onze indruk was gebaseerd op eerder genoemde informatie van het hoofd longchirurgie, waaruit volgde dat er geen garanties waren dat nu hij ook nog was uitgevallen er voldoende adequate capaciteit voor deze specifieke patiënten was. Na spoedberaad zijn wij om die reden tot het genoemde besluit gekomen.

Omdat de situatie een urgent karakter had is ook met spoed gehandeld, en is de kwestie niet nader afgestemd met het hoofd chirurgie. Ik onderken echter dat overleg met mijn leidinggevende ook in dit kader de voorkeur zou hebben gehad, maar de spoedeisendheid van de situatie heeft hieraan in de weg gestaan. Ik zal hier echter in het vervolg meer aandacht aan besteden en waar mogelijk steeds het overleg met leidinggevenden aangaan. Datzelfde geldt in geval de situatie lijkt te nopen tot contact met de IGZ. Voor de goede orde: het contact met IGZ bestond overigens louter uit de informatieve vraag of de voorgestelde handelwijze (patiënten van elders niet accepteren maar verwijzen) in deze specifieke situatie acceptabel is, mede gezien de voorgeschiedenis en de opmerkingen in het rapport van de IGZ over de continuïteit van de longchirurgische zorg. (...)”

2.12. Een door het VUmc opgesteld gespreksverslag van de bespreking van 6 juli 2012 bevat onder meer de volgende passages:

“(...)

Vragen van [...] (de vice-voorzitter van de raad van bestuur, vzr.) aan [eiser]:

1. Onder wiens professionele verantwoordelijkheid valt volgens u de continuïteit van de longchirurgische zorg binnen VUmc?

[Eiser] geeft aan dat de continuïteit van de longchirurgie in handen ligt van het hoofd longchirurgie [...]. (...) Op de vraag van [de vice-voorzitter van de raad van bestuur] of het [eiser] bekend is dat het afdelingshoofd heelkunde wettelijk integraal verantwoordelijk is antwoordt deze ontkennend.

(...)

3. Heeft u na het uitvallen van [het hoofd van de sectie Longchirurgie] geverifieerd bij het hoofd heelkunde of raad van bestuur of uw zorgen werden gedeeld en nagegaan wat de aanpak was?

[Eiser] geeft aan dat hij dat niet heeft gedaan. (...) Hij heeft er simpelweg niet aan gedacht om de informatie (van [het hoofd van de sectie Longchirurgie], vzr.) te verifiëren. (...)

9. Wat was het spoedeisende karakter van de situatie dat u geen ruimte meer zag om met het hoofd van de heelkunde overleg te voeren?

(...)

[De vice-voorzitter van de raad van bestuur] vraagt aan [eiser] hoe dit nu kan terwijl er rond de IC-affaire om tafel is gezeten en ook met [eiser] heldere onderlinge afspraken zijn gemaakt die gaan over het creëren van Interne openheid, het stimuleren van interne samenwerking en spelregels over communicatie met de buitenwereld. Hoe kan het dat na de mediation waarin afspraken zijn gemaakt over samenwerken en naleven van de VUmc leefregel “praten met elkaar in plaats van over elkaar” [eiser] geen contact heeft gezocht met het afdelingshoofd heelkunde, de divisievoorzitter of met de portefeuillehouder in de raad van bestuur maar wel met de buitenwereld?

[Eiser] geeft aan dat hij er niet aan gedacht heeft om het anders te doen.

(...)

Op de vraag van [de vice-voorzitter van de raad van bestuur] of dit gebrek aan vertrouwen in de raad van bestuur van VUmc de reden is waarom [eiser] niet naar de raad van bestuur is gestapt, antwoordt [eiser] bevestigend.

(...)

12. Wat heeft u belemmerd om daarover – dus over het feit dat de raad van toezicht naar uw oordeel moest worden ingelicht – met mij te praten?

[Eiser] geeft aan dat het ligt aan de relatie die hij heeft met de divisievoorzitter en de raad van bestuur. Hij voelt zich niet vertrouwd bij de divisievoorzitter. Hij heeft het gevoel gekregen dat hij wordt gezien als een oproerkraaier. Dat wil hij niet zijn. [De vice-voorzitter van de raad van bestuur] vraagt of hij dit gevoel ook heeft richting de raad van bestuur. [Eiser] geeft aan dat als het om dit soort dingen gaat hij ook jegens de raad van bestuur de indruk heeft dat hij erg op zijn tellen moet passen, en dat hij om die reden niet naar de raad van bestuur is gegaan.

(...)

Op de vraag van [de vice-voorzitter van de raad van bestuur] hoe het kan dat hij dat soort zaken moet horen van de IGZ en van de raad van toezicht in plaats van het staflid zelf geeft [eiser] aan dat hij niet heeft gedacht aan een andere manier. (...)”

2.13. In de periode van 6 juli 2012 tot 13 augustus 2012 is [eiser] op vakantie geweest.

2.14. Tijdens een gesprek op 13 augustus 2012 heeft de raad van bestuur [eiser] meegedeeld dat het dienstverband van[eiser] zou worden beëindigd. Deze beslissing is nog diezelfde dag schriftelijk door de raad van bestuur bevestigd. Die brief luidt, voor zover van belang:

“(...) U houdt zich bij voortduring niet aan de afspraken die zijn gemaakt in het kader van de opdracht die VUmc van de IGZ heeft ontvangen, en de raad van bestuur heeft niet het vertrouwen dat u zich in de toekomst daaraan wel zult houden. U heeft daarnaast uitgesproken geen vertrouwen in de raad van bestuur te hebben.

Wij hebben u voorgelegd dat er twee wegen voorwaarts zijn: ofwel wij komen in onderling overleg tot beëindiging van uw dienstverband, ofwel VUmc start een ontbindingsprocedure. (...) Wij hebben een volgende afspraak voor komende donderdag, 16 augustus a.s. (...).

Wij hebben in verband hiermee afgesproken dat u tot dan uw werk neerlegt en niet op het werk zult verschijnen. (...)”

2.15. Op 15 augustus 2012 heeft [eiser] schriftelijk gereageerd op de beslissing van de raad van bestuur tot beëindiging van zijn dienstverband. In die brief heeft hij tevens zijn commentaar op het gespreksverslag van 6 juli 2012 gegeven, dat voor zover van belang luidt:

“(...)

Ad 9 (...): in de intimiderende situatie van het kruisverhoor op 6 juli en de daarbij uitgeoefende grote druk is dit zo gezegd, bij nader inzien blijft [eiser] er bij dat er sprake is van een zaak van de werkvloer zonder dat hierbij divisievoorzitters, afdelingshoofden, portefeuillehouders betrokken horen te worden.

(...) de afspraken gemaakt tijdens de mediation over de problematiek IC zijn niet van toepassing op de situatie waarover nu wordt gesproken. Het hoofd van de heelkunde was overigens ook niet betrokken bij de mediation, noch de divisievoorzitter noch de portefeuillehouder. (...)”

2.16. Op 21 augustus 2012 heeft de Inspectie het VUmc onder verscherpt toezicht gesteld, omdat zij zich door de raad van bestuur onjuist geïnformeerd achtte en onvoldoende vertrouwen had in het bestuurlijk optreden van de bestuurder. Die had het, aldus de Inspectie, niet nodig gevonden om haar te informeren dat elf chirurgen van het VUmc de raad van bestuur hadden laten weten dat er tussen [het hoofd van de sectie Longchirurgie] en een deel van de staf Heelkunde een vertrouwensbreuk bestond. Als tweede reden is aangevoerd dat de kwaliteit van de zorg en de patiëntveiligheid in het geding waren. Als te nemen maatregelen heeft de Inspectie de raad van bestuur opgedragen de communicatie en samenwerking tussen de medisch specialisten weer op peil te brengen.

2.17. Op 22 augustus 2012 heeft het VUmc een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [eiser] ingediend, [eiser] voorlopig op non-actief gesteld en zijn e-mailaccount afgesloten.

2.18. Sindsdien zijn twee leden van de raad van bestuur teruggetreden en vervangen, waaronder de voorzitter.

2.19. Op 28 augustus 2012 heeft [eiser] het VUmc gedagvaard om voor de voorzieningenrechter van deze rechtbank te verschijnen terzake van een vordering tot – kort gezegd – wedertewerkstelling. [Eiser] heeft de procedure ingetrokken omdat de (nieuwe) raad van bestuur van het VUmc hem bij brief van 29 augustus 2012 had uitgenodigd om op 4 september 2012 op het voorlopige besluit tot op non-actiefstelling te worden gehoord, waarna daarover alsnog zou worden beslist.

2.20. Tijdens het gesprek op 4 september 2012 heeft het bestuur [eiser] verzocht om in een notitie uiteen te zetten hoe zijns inziens goede collegiale verhoudingen tussen hemzelf en andere hoofden/specialisten kunnen worden bereikt. Aan dit verzoek heeft [eiser] op 10 september 2012 voldaan. De notitie bevat de volgende passages:

“(...)

Ik hecht eraan allereerst het volgende op te merken. Ik onderschrijf dat binnen het VUmc sprake is van communicatieproblemen die ertoe (kunnen) leiden dat de patiëntveiligheid in het geding komt, zoals ook IGZ overigens heeft bevestigd. Anders dan u suggereert, ben ik noch de afdeling longziekten bij deze problemen partij, maar – en IGZ onderschrijft dit volmondig – zien deze problemen op andere personen en afdelingen, met name de afdeling heelkunde. Er is dan ook, zoals ik al bij herhaling heb aangevoerd, nadrukkelijk geen sprake van dat ikzelf communicatieproblemen zou hebben, als gevolg waarvan de patiëntveiligheid in het geding zou (kunnen) komen. Dat is overigens ook nooit eerder door het VUmc aangevoerd, ook niet in het kader van het besluit mijn arbeidsovereenkomst te beëindigen en/of mij op non actief te stellen. Ik kan daarom niet plaatsen dat het volgens u van essentieel belang is dat de collegiale verhoudingen tussen mijzelf en anderen dient te worden verbeterd, alvorens werkhervatting voor mij aan de orde kan zijn.

(...)

Betrokken personen

Uw advocaat heeft aan mijn advocaat bevestigd dat mijn notitie zich zou moeten richten op het herstel van de communicatie en de collegiale verhoudingen met (...) [de voorzitter van divisie I, het hoofd van de afdeling Heelkunde en de vice-voorzitter van de raad van bestuur].

(...)

[De vice-voorzitter van de raad van bestuur]

Naar ik inmiddels heb begrepen (...) heeft het VUmc inmiddels laten weten dat [de vice-voorzitter van de raad van bestuur] zich niet (meer) zal bezighouden met de patiëntenzorg, contacten met artsen en/of kwesties betreffende (het oplossen van) de ontstane situatie. Reeds om die reden zie ik niet in dat als gevolg van een beweerd communicatieprobleem en/of een slechte verhouding tussen mijzelf en [de vice-voorzitter van de raad van bestuur], de patiëntenzorg in het geding zou (kunnen) komen. Ik ervaar overigens ook niet een zodanig probleem met [de vice-voorzitter van de raad van bestuur]. (...)

[De voorzitter van divisie I]

Mijn contact met [de voorzitter van divisie I] is van af het eerste moment dat hij voorzitter werd van Divisie I stroef verlopen. (...) Na vele keren beschuldigd door hem te zijn van allerlei triviale zaken, die overigens later steeds door hem moesten worden teruggenomen, heeft hij bij e-mail van 22 maart 2012 (...) het contact met de afdeling longziekten eenzijdig verbroken. Ik heb daarop gereageerd bij e-mail van 29 maart 2012 (...). In deze e-mail heb ik gemotiveerd toegelicht waarom mijn afdeling en ikzelf dit besluit niet kunnen plaatsen, en heb ik voorgesteld dat mijn staf en ikzelf op korte termijn met het Divisiebestuur rond de tafel zouden gaan om over de door Divisie (volgens[de voorzitter van divisie I]) ervaren problemen te praten. Tot op heden heeft [de voorzitter van divisie I] echter niet op dit verzoek gereageerd. (...) Wat daar ook van zij, ik bestrijd dat als gevolg van dit communicatieprobleem de patiëntenzorg in het geding zou komen. (...) Blijkbaar deelt [de voorzitter van divisie I] dus mijn mening dat verstoorde communicatie, voor zover ikzelf daarbij betrokken zou zijn, geen enkele invloed op de patiëntenzorg heeft.

[Het hoofd van de afdeling Heelkunde]

Met [het hoofd van de afdeling Heelkunde] heb ik beroepsmatig zelden direct contact. Voor zover er op het persoonlijk vlak contact met [het hoofd van de afdeling Heelkunde]

is, heb ik dit altijd als correct ervaren. (...) De communicatie rond en over de patiënt en daarmee samenhangende organisatorische zaken vindt, voor zover die betrekking heeft op mijn afdeling, in principe alleen plaats met de longchirurgen, primair met het hoofd longchirurgie (...) en over individuele patiënten tussen behandelaars, en niet met [het hoofd van de afdeling Heelkunde].

Oplossing?

Gezien het voormelde is er geen sprake van communicatieproblemen en/of slechte verhoudingen tussen mijzelf en anderen, als gevolg waarvan de patiëntzorg in het geding zou kunnen zijn. Voor zover er überhaupt enig communicatieprobleem/relatieprobleem aan de orde is en/of door anderen wordt ervaren waarbij ik (volgens die anderen) betrokken ben, ben ik echter vanzelfsprekend bereid in gesprekken met de genoemde personen te proberen de veronderstelde problemen op te lossen. Aan mediation of andere methoden zal ik zelf desgewenst uiteraard meewerken, zoals ik mij altijd coöperatief richting het VUmc heb opgesteld. Zo heb ik indertijd ook mijn volledige medewerking verleend aan mediation in het kader van de IC affaire. (...)

2.21. Op 4 september 2012 heeft het VUmc het volgende persbericht doen uitgaan:

“VUmc in gesprek met [eiser]

4 september 2012

Vanmiddag heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen de nieuwe leden van de raad van bestuur van VU medisch centrum en [eiser]. Voor VUmc stond en staat de veiligheid van patiënt en medewerker boven alles. Die is alleen te garanderen als medisch specialisten en andere bij de patiënt betrokkenen een optimale onderlinge relatie en communicatie hebben. [Eiser] is door de raad van bestuur uitgenodigd om in een notitie aan te geven hoe hij denkt dat de gewenste en noodzakelijke relaties en communicatie tussen hem en anderen kan worden hersteld.”

2.22. Bij brief van 14 september 2012 heeft de raad van bestuur aan [eiser] geschreven, voor zover relevant:

“(...)

In uw notitie miskent u naar het oordeel van de raad van bestuur dat u, los van enige schuldvraag daaromtrent, wel degelijk onderdeel bent van het communicatieprobleem binnen VUmc. Naar ons oordeel illustreert u dat zelf door onder meer te stellen dat geen sprake is van een communicatiestoornis tussen u en [het hoofd van de afdeling Heelkunde] omdat u ter zake van de longchirurgie geen contact met hem heeft. Het verwijt dat de voorgaande raad van bestuur u heeft gemaakt is echter nu juist dat u dat wel had moeten hebben, zeker nu u van oordeel was dat de longchirurgische zorg binnen VUmc niet was gewaarborgd. Die valt immers onder zijn verantwoordelijkheid (...).

U geeft aan wel problemen te ervaren in uw contacten met het divisiebestuur, maar dat deze problemen geen gevaar voor de patiëntveiligheid opleveren. Het divisiebestuur is een niet weg te denken schakel in de organisatie, ook waar het gaat om het melden van onveilige situaties, problemen en mogelijke misstanden. Uw stelling dat uw slechte relatie met het divisiebestuur geen invloed op de patiëntveiligheid heeft wordt door de raad van bestuur dan ook nadrukkelijk niet onderschreven.

In uw notitie gaat u in op uw relatie met [de vice-voorzitter van de raad van bestuur] (...). In ons gesprek hebben wij aangegeven dat het niet alleen gaat om uw relatie met personen, maar ook om de relatie met “instituties”, waarbij wij de raad van bestuur hebben genoemd en niet de persoon van [de vice-voorzitter van de raad van bestuur]. Dat laatste heeft onze advocaat desgevraagd aan de uwe bevestigd.

Ten aanzien van uw relatie met de raad van bestuur geldt, in nog sterkere mate, hetzelfde als voor uw relatie met het afdelingshoofd heelkunde. U was van oordeel dat de longchirurgische zorg binnen VUmc niet was gewaarborgd en heeft maatregelen getroffen die u vervolgens met de IGZ heeft besproken, alles zonder dat u dat eerst met de raad van bestuur (...) besprak. De voorgaande raad van bestuur heeft uw gedragingen ontoelaatbaar geacht en geconstateerd dat in uw relatie met de raad van bestuur sprake is van een onherstelbare vertrouwensbreuk.

Als “nieuwe” raad van bestuur hebben wij ons bereid getoond dit oordeel te heroverwegen, zulks (mede) op basis van een door u op te stellen notitie. (...)

De heroverweging leidt niet tot een ander oordeel over de toelaatbaarheid van uw gedragingen. Ook wij menen dat die gedragingen aangeven dat sprake is van ernstige problemen in de communicatie tussen u en specialisten c.q. de organisatie, problemen die een ernstig gevaar voor de patiëntveiligheid opleveren. (...)”

2.23. De raad van bestuur heeft [eiser] vervolgens een aanbod gedaan, dat inhoudt – kort gezegd – dat hij zijn werkzaamheden als staflid/specialist hervat, waarbij de arbeidsvoorwaarden verder ongewijzigd blijven, maar dat hij terugtreedt als afdelingshoofd Longziekten. Voorgesteld is om over dit terugtreden in goed gezamenlijk overleg intern en extern mededeling te doen. Het VUmc heeft [eiser] laten weten geen andere mogelijkheid te zien dan het vragen van ontbinding van de arbeidsovereenkomst, indien[eiser] niet met het voorstel instemt.

2.24. [Eiser] heeft dit aanbod, waarover partijen bij meerdere gelegenheden hebben gesproken, niet geaccepteerd.

3. Het geschil

3.1. [Eiser] vordert, kort gezegd, het VUmc te veroordelen:

i) tot wedertewerkstelling met alle bij de functie van hoofd afdeling Longziekten behorende taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden, op straffe van een dwangsom;

ii) om zijn toegang tot zijn VUmc e-mailaccount te herstellen, op straffe van een dwangsom;

iii) om het personeel de onder (iii) van het petitum van de dagvaarding weergegeven rectificatie te sturen, op straffe van een dwangsom;

iv) om het persbericht van 4 september 2012 van de website van het VUmc te halen, op straffe van een dwangsom;

v) om op diezelfde website de onder (v) van het petitum van de dagvaarding weergegeven rectificatie te plaatsen, op straffe van een dwangsom;

vi) om te voldoen aan alle verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst van het VUmc met [eiser], waaronder doorbetaling van salaris;

vii) om aan hem de kosten van rechtsbijstand te vergoeden, tot de dag van dagvaarding begroot op, maar niet beperkt tot € 40.000,00 exclusief BTW, te vermeerderen met rente;

viii) tot voldoening van alle met dit kort geding samenhangende kosten, te vermeerderen met rente;

ix) in de nakosten.

3.2. Aan zijn vorderingen legt [eiser] ten grondslag, samengevat weergegeven, dat een op non-actiefstelling een zeer ingrijpende maatregel is, waarvan slechts zeer terughoudend gebruik mag worden gemaakt, namelijk in de gevallen waarin voortzetting van deze werkzaamheden door de betrokken werknemer in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd. [Eiser] stelt zich op het standpunt dat het VUmc geen valide reden heeft (gegeven) om hem op non-actief te stellen en te houden. De op non-actiefstelling duurt nu al maanden voort zonder dat daaraan een einddatum is verbonden.

3.3. Het VUmc voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden – buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. Het verweer van het VUmc komt er kort gezegd op neer dat het niet langer gaat om een op non-actiefstelling, omdat het VUmc bereid is om [eiser] weer toe te laten tot het grootste deel van zijn werk, namelijk zijn werk als arts en onderzoeker binnen het VUmc. Het VUmc is echter niet bereid om [eiser] weer als afdelingshoofd te laten terugkeren. [Eiser] weigert deze wijziging te accepteren. Hij wil alleen als afdelingshoofd terugkeren.

4.3. De handelwijze van het VUmc komt neer op een eenzijdige wijziging van de functie van [eiser]. Volgens [eiser] is sprake van een ‘juridisch trucje’ ter vorming van een dossier tegen hem omdat het VUmc weet dat hij het aanbod niet kan aanvaarden. Dit komt de voorzieningenrechter echter vooralsnog niet aannemelijk voor. Ter zitting heeft het VUmc immers verklaard het te zullen toejuichen als[eiser] het voorstel aanvaardt omdat het VUmc grote waardering heeft voor zijn expertise en kundigheid als arts, onderzoeker en hoogleraar. De inhoud van het aanbod komt hierna nog aan de orde.

4.4. Een functiewijziging als door het VUmc voorgesteld is slechts geoorloofd indien voldaan is aan drie voorwaarden: (1) De werkgever moet een aanleiding hebben om het voorstel te doen, (2) het voorstel moet redelijk zijn en (3) de aanvaarding van de wijziging moet van de werknemer kunnen worden gevergd. Bij de toetsing of aan deze voorwaarden is voldaan moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen (HR 11 juli 2008, LJN BD 1847). Hierna zal worden onderzocht of aan de voorwaarden is voldaan.

4.5. De achtergrond van het wijzigingsvoorstel is dat het VUmc van de Inspectie opdracht heeft gekregen om de communicatie en samenwerking tussen de medisch specialisten weer op peil te brengen. De Inspectie heeft deze opdracht gegeven omdat onderzoek binnen het VUmc had uitgewezen dat de communicatie en de verstandhoudingen tussen (sommige van) de in dit vonnis genoemde afdelingen slecht is en dat dit in het uiterste geval tot vermijdbare sterfgevallen kan leiden. In het kader van deze opdracht hebben de leidinggevenden van de bij het incident op de Intensive Care betrokken afdelingen, onder wie [eiser], mediation gevolgd en afspraken gemaakt. Kennelijk – zo blijkt uit het verslag van de bespreking van 6 juli 2012 – hebben zij daarbij onder meer afgesproken de VUmc leefregel, dat niet over elkaar maar met elkaar moet worden gesproken, na te leven. [Eiser] heeft ter zitting aangevoerd dat hij eigenlijk geen plaats had in die mediation en dat hij er slechts bij is gehaald omdat een stagiaire van zijn afdeling dienst had gehad ten tijde van het sterfgeval op de Intensive Care, maar dit blijkt niet uit de in het geding gebrachte stukken. Bovendien laat dit onverlet dat (...) [eiser] de afspraak over de wijze waarop de leidinggevenden met elkaar dienen te communiceren wel heeft gemaakt en hij zich derhalve aan die afspraak dient te houden.

4.6. De directe aanleiding voor het wijzigingsvoorstel is geweest dat [eiser] de beslissing heeft genomen om op zijn afdeling geen nieuwe patiënten aan te nemen waarvan voorzienbaar was dat zij op korte termijn een longchirurgische ingreep nodig zouden hebben. Over dit besluit heeft hij niet van tevoren contact gehad met het hoofd van de afdeling Heelkunde – welke afdeling verantwoordelijk is voor de sectie waar zich volgens [eiser] problemen voordeden – of met (één van) de betrokken divisievoorzitters, of met de raad van bestuur. Dit terwijl [eiser] wel de Inspectie heeft geïnformeerd.

[Eiser] stelt zich op het standpunt dat het hier gaat om een gewone ‘werkvloer’ beslissing, waarin het afdelingshoofd Heelkunde noch de raad van bestuur hoeft te worden gekend. Volgens hem gaat het binnen het VUmc al twintig jaar zo. Verder benadrukt hij dat hij steeds heeft gehandeld in het belang van de patiënten en dat door zijn optreden de zorg voor die patiënten niet in het geding is geweest. Dat hij steeds het belang van de patiënten voor ogen heeft gehad, wordt door het VUmc niet in twijfel getrokken. Wel betwist het VUmc dat overleg met de hiërarchisch verantwoordelijke bestuurders niet noodzakelijk was. In dat verband heeft het VUmc aangevoerd dat het afdelingshoofd Heelkunde de raad van bestuur – nadat deze door de Inspectie op het probleem werd gewezen – ervan heeft weten te overtuigen dat het rooster van de sectie Longchirurgie in de betreffende periode 7x24 gedekt was. Bovendien acht zij het onwenselijk dat zij door de Inspectie wordt gewezen op mogelijke problemen binnen haar organisatie, en niet vanuit haar organisatie zelf.

4.7. De stelling van [eiser], dat zijn beslissing een specifieke groep patiënten voorlopig niet te accepteren een gewone ‘werkvloer’ beslissing is, komt vooralsnog niet aannemelijk voor, omdat hij wel van tevoren contact heeft gezocht met de Inspectie, naar zijn zeggen teneinde te vernemen hoe de Inspectie tegenover de voorgenomen maatregel zou staan en omdat hij de raad van commissarissen heeft geïnformeerd. Zijn beslissing is ingegeven door de grote zorgen die [eiser] had over de continuïteit van de zorg op de sectie Longchirurgie. [Eiser] stelt dat zijn zorgen terecht waren omdat die werden bevestigd door stafleden van de sectie Longchirurgie. Het VUmc betwist dat niet 7x24 een longchirurg beschikbaar was. Maar ook als de zorgen van [eiser] terecht waren, dan is dit bij uitstek een punt dat hij eerst op managementniveau in de organisatie had moeten bespreken, opdat de nodige maatregelen zouden kunnen worden getroffen. Met de verwijzing van patiënten naar andere ziekenhuizen zou immers wel de zorg voor de patiënt zijn gewaarborgd, maar het probleem binnen het VUmc nog niet zijn opgelost. Uit het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter dat het niet ging om een gewone ‘werkvloer’ beslissing. Gelet op hetgeen in de bespreking van 6 juli 2012 aan de orde is gekomen en [eiser] in zijn notitie van

10 september 2012 heeft vermeld, lijkt het erop dat de handelwijze van [eiser] mede is ingegeven door een gebrek aan inzicht in de noodzaak van overleg op managementniveau en een gebrek aan vertrouwen in de raad van bestuur.

4.8. Dat bij onderbezetting al twintig jaar op deze manier naar oplossingen worden gezocht, zoals [eiser] stelt, neemt niet weg dat het onwenselijk is dat de eigen organisatie niet wordt geraadpleegd of in ieder geval ingelicht over beslissingen als hier aan de orde. Mogelijk is het al die tijd niet gegaan zoals zou moeten. Niet voor niets heeft de Inspectie geconcludeerd dat er aan verbetering van de communicatie en de verhoudingen moet worden gewerkt.

4.9. [Eiser] stelt in dit verband tot slot dat het VUmc miskent dat hij een eigen verantwoordelijkheid jegens de patiënten heeft, die meebrengt dat hij niet anders kon dan het nemen van de gewraakte beslissing. Die verantwoordelijkheid, die overigens door het VUmc wordt erkend, staat er echter niet aan in de weg dat [eiser] beslissingen als hier aan de orde van tevoren bespreekt met, of in ieder geval meldt aan, de hiërarchisch neven- en bovengeschikte bestuurders.

4.10. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter had [eiser] derhalve het afdelingshoofd Heelkunde deelgenoot van zijn zorgen moeten maken en, afhankelijk van diens reactie, ook de voorzitters van de desbetreffende divisies en zo nodig ook de raad van bestuur. Dit geldt te meer nu[eiser] kort tevoren de afspraak had gemaakt dat hij (net als de andere bij de mediation betrokken leidinggevenden) niet over elkaar, maar met elkaar zou communiceren. Door wel de Inspectie te informeren maar onvoldoende intern overleg te plegen, is [eiser] voor het VUmc een onberekenbare factor gebleken. Dat in dit concrete geval geen mensenlevens op het spel hebben gestaan, neemt niet weg dat een structureel gebrekkige communicatie in het uiterste geval wel daartoe kan leiden. Dat heeft de ervaring geleerd. Vooralsnog acht de voorzieningenrechter dan ook voldoende aanleiding voor het wijzigingsvoorstel aanwezig.

4.11. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het voorstel redelijk is. Partijen zijn het erover eens dat tot het takenpakket van het afdelingshoofd Longziekten behoren: Het leiding geven aan de afdeling Longziekten, het behandelen van patiënten, het geven van onderwijs aan (geneeskunde) studenten en arts-assistenten in opleiding tot specialist, het begeleiden van promovendi en het doen van wettenschappelijk onderzoek. De voorgestelde functiewijziging houdt in dat van dit takenpakket uitsluitend het onderdeel ‘leiding geven aan de afdeling Longziekten’ komt te vervallen.

4.12. Tot het leiding geven aan een afdeling behoort het onderhouden van een goede communicatie en contacten met de overige organisatorische eenheden van de organisatie waartoe de afdeling behoort, omdat een afdeling deel uitmaakt van een groter geheel en niet geïsoleerd opereert. Aannemelijk is geworden dat [eiser] op dit punt bij herhaling, met name in de managementlijn communicatie, steken heeft laten vallen en dat hij er tot dusver geen blijk van heeft gegeven in te zien dat het nodig is dat hij zich op dit onderdeel verbetert. Nog ter zitting heeft [eiser] verklaard dat, indien hij het kon overdoen, hij alleen de melding aan de Inspectie niet zou hebben gedaan. Dat betekent dat hij ook nu nog het afdelingshoofd Heelkunde, de voorzitters van de divisies I en IV alsmede de raad van bestuur zou passeren. Dit wijst op een gebrek aan inzicht in het belang van een goede communicatie tussen zijn eigen afdeling en andere eenheden binnen het VUmc. Dit is voor het VUmc een punt van zorg. Over het functioneren van [eiser] in al zijn andere taken heeft het VUmc niets dan lof. Het gebrek aan communicatie is derhalve kennelijk alleen problematisch op het gebied van het leidinggeven, en dan nog niet zozeer aan de afdeling zelf – gebleken is van een grote betrokkenheid bij en waardering voor [eiser] bij zijn directe collega’s – maar aan de afdeling als eenheid van een groter geheel. Aan splitsing van de leidinggevende taken van het afdelingshoofd zijn echter grote nadelen verbonden. Een minder verstrekkend voorstel van het VUmc, dat voor [eiser] acceptabel zou zijn, is derhalve niet goed denkbaar. Tot slot is van belang dat in het voorstel de arbeidsvoorwaarden gelijk blijven, zodat [eiser] er in inkomen niet op achteruit zal gaan en de hoogte van zijn pensioen niet zal worden beïnvloed. Het voorstel komt vooralsnog dan ook redelijk voor.

4.13. Ten slotte dient te worden onderzocht of van [eiser] kan worden gevergd dat hij het voorstel aanvaardt. [Eiser] weigert dat tot dusver omdat het voorstel – in zijn woorden – een degradatie inhoudt. Dat is echter in de gegeven omstandigheden onvoldoende om het voorstel niet te accepteren. In dat verband is van belang dat het VUmc heeft aangeboden om de interne en externe berichtgeving over de functiewijziging in samenspraak met [eiser] op te stellen. Op grond van deze omstandigheid, in combinatie met de redelijkheid van het aanbod en de aanleiding voor de voorgestelde wijziging, mag van [eiser] worden gevergd dat hij de functiewijziging accepteert.

4.14. Uit het voorgaande vloeit voort dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldaan is aan de voorwaarden waaronder eenzijdig een functiewijziging mag worden doorgevoerd. Het gebod tot wedertewerkstelling in de functie van afdelingshoofd Longziekten is dan ook niet toewijsbaar.

4.15. [Eiser] vordert tevens het VUmc te veroordelen de toegang tot zijn e-mailaccount te herstellen en in een gelijke situatie te brengen als voor de op non-actiefstelling. Deze vordering zal worden afgewezen omdat het VUmc ter zitting heeft verklaard dat, wanneer [eiser] als staflid terugkeert op het werk, de blokkade van zijn e-mailaccount zal worden opgeheven en er vooralsnog geen reden is om ervan uit te gaan dat het VUmc deze toezegging niet zal naleven.

4.16. Een drietal vorderingen van [eiser] is gericht tegen de berichtgeving door het VUmc over de situatie. Zo vordert hij het VUmc te veroordelen het persbericht van 4 september 2012 van haar website te verwijderen. Hij is van mening dat met het persbericht van 4 september 2012 publiekelijk is gesuggereerd dat hij een belangrijke rol zou hebben in het binnen het VUmc bestaande communicatieprobleem, maar bovendien dat daardoor de patiëntveiligheid in het geding zou zijn. Gelet op hetgeen hiervoor, onder 4.4 tot en met 4.10, is overwogen, wordt het persbericht echter niet onrechtmatig jegens [eiser] geacht.

4.17. [Eiser] stelt verder dat het VUmc bij herhaling zowel in haar interne als externe berichtgeving de indruk heeft gewekt dat [eiser] handelingen zou hebben verricht die een gevaar voor de patiëntveiligheid zouden hebben opgeleverd. Hij vordert daarom een interne en een externe rectificatie.

Deze vordering kan slechts worden toegewezen indien door het VUmc uitlatingen zijn gedaan die onrechtmatig jegens [eiser] zijn. Interne berichtgeving waaruit blijkt dat het VUmc onrechtmatige uitlatingen over [eiser] heeft gedaan, is niet overgelegd. Verder heeft [eiser] niet geconcretiseerd welke externe uitlatingen onrechtmatig jegens hem zijn. Hij heeft het gelaten bij een algemene verwijzing naar de berichtgeving van het VUmc naar buiten toe en overlegging – als producties 1, 4, 8 en 21 – van berichten uit de media. Vooralsnog acht de voorzieningenrechter de grondslag van de vordering onvoldoende concreet om die vordering te kunnen toewijzen.

4.18. Ook voor toewijzing van de vordering om het VUmc te veroordelen tot nakoming van haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, zoals doorbetaling van het loon van [eiser], bestaat vooralsnog onvoldoende grond. Gesteld noch gebleken is dat het VUmc op dit punt nalatig is geweest of zal zijn.

4.19. De vordering om het VUmc te veroordelen de door [eiser] gemaakte kosten van rechtsbijstand te vergoeden, zal op grond van het voorgaande eveneens worden afgewezen.

4.20. [Eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het VUmc worden begroot op:

- griffierecht € 575,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.391,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van het VUmc tot op heden begroot op € 1.391,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2012.