Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY2937

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-08-2012
Datum publicatie
13-11-2012
Zaaknummer
11-2027/495956
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging van een bij rechterlijke beslissing vastgestelde omgangsregeling o.g.v. art. 1:263b BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

BESCHIKKING

Zaak- en rekestnummer:

11-2027/495956

Beschikking van de kinderrechter in de bovengenoemde rechtbank naar aanleiding van

het verzoek van het Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland

gevestigd te Den Haag,

hierna ook te noemen: het BJZ Z-H,

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren te [plaats] op [2005].

[moeder], wonende te [plaats], is de moeder.

[vader], wonende te [plaats], is de (juridische) vader.

De moeder is belast met de uitoefening van het gezag over de minderjarige.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt: de moeder, de vader en de pleegouders.

VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De kinderrechter houdt rekening met de beschikking van 30 augustus 2011, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Bij deze beschikking heeft de kinderrechter, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, een voorlopige omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en [minderjarige], inhoudende dat de vader eenmaal in de twee maanden contact zal hebben met [minderjarige], onder begeleiding van Bureau Jeugdzorg, op neutraal terrein. Daarnaast heeft de kinderrechter opdracht gegeven aan de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek in te stellen naar de vraag of en zo ja welke omgangsregeling tussen de vader, grootvader vaderszijde en de minderjarige het meest in het belang van de minderjarige is en hierover rapport en advies uit te brengen. De zaak is hiertoe aangehouden tot een pro forma zitting in de maand januari 2012.

Ter terechtzitting van 23 januari 2012 is gebleken dat het onderzoek nog niet is gestart.

Vervolgens is op 21 februari 2012 ter griffie ingekomen een faxbericht d.d. 16 februari 2012 van [A], teamleider van de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem, waaruit blijkt dat de zaak in behandeling is genomen, maar het onderzoek nog niet is afgerond. Gelet hierop heeft de kinderrechter de behandeling van de zaak voor de duur van drie maanden pro forma aangehouden.

Bij de pro forma zitting van 14 mei 2012 is gebleken dat het raadsrapport nog altijd niet is voltooid waarna de kinderrechter de zaak wederom pro forma heeft aangehouden voor de duur van twee maanden.

Op 24 juli 2012 is ter griffie ingekomen vorenbedoeld rapport van de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem van 27 juni 2012.

Vervolgens is een zitting bepaald op 29 augustus 2012.

Op 29 augustus 2012 heeft de kinderrechter het verzoek ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld. De griffier heeft daarvan aantekening gemaakt.

Verschenen en gehoord zijn: de moeder, de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. P.M.J.R. Maes, de pleegouders, mevrouw [B] namens het BJZ Z-H en mevrouw [C] namens de Raad voor de Kinderbescherming te Amsterdam (verder te noemen: de Raad).

De uitspraak is nader bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Bij beschikking van de kinderrechter te Utrecht van 16 oktober 2007 is voornoemde minderjarige onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd tot

25 september 2013.

In het kader van de ondertoezichtstelling is de minderjarige uit huis geplaatst. De laatst gegeven machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf bij een pleegouder is geldig tot

25 september 2013.

Bij beschikking van de kinderrechter te Utrecht van 19 september 2008 is een omgangs- regeling vastgesteld tussen voornoemde minderjarige en de vader inhoudende dat de vader recht heeft op omgang met [minderjarige] gedurende eenmaal in de zes weken een weekend van vrijdagavond tot zondag, waarbij is bepaald dat [minderjarige] in dat weekend bij haar grootouders vaderszijde verblijft.

Deze omgangsregeling is bij tussenbeschikking d.d. 30 augustus 2011 van de kinderrechter

te Amsterdam gewijzigd in die zin dat een voorlopige omgangsregeling is vastgesteld inhoudende dat de vader eenmaal in de twee maanden contact zal hebben met [minderjarige], onder begeleiding van Bureau Jeugdzorg, op neutraal terrein.

Ter terechtzitting heeft mevrouw [C] namens de Raad het raadsrapport nader toegelicht. Zij verklaart dat het een lastige zaak is, maar de Raad uiteindelijk tot het advies is gekomen om geen omgangsregeling vast te stellen tussen [minderjarige] en vader en grootvader vaderszijde. Mevrouw [C] geeft hierbij aan dat de Raad gekeken heeft naar hoe [minderjarige] haar leven ervaart en welke rol alle volwassenen om haar heen in haar leven spelen. Geconcludeerd is dat [minderjarige] een druk leven heeft en dat veel rollen van de volwassenen om haar heen, waaronder die van vader en grootvader vaderszijde, onduidelijk zijn voor haar. Ook is geconcludeerd dat de omgang met vader en grootvader vaderszijde, op dit moment geen meewaarde heeft voor haar. Voor [minderjarige] zijn de contacten van volwassenen die dichter bij haar staan, belangrijker. Mevrouw [C] geeft aan dat de Raad het wel van belang acht dat er iets van contact blijft bestaan tussen [minderjarige] en haar vader en grootvader vaderszijde en zij voorlichting moet krijgen wie zij zijn, gelet op de voorgeschiedenis en het feit dat [minderjarige] de achternaam draagt van vader. De Raad hoopt hierbij dat dit contact op een ongedwongen manier, in overleg met de gezinsvoogd, tot stand zal kunnen komen.

Namens het Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland heeft mevrouw [B] naar voren gebracht dat het goed is dat er door onafhankelijk onderzoek duidelijkheid is gekomen in deze zaak en het BJZ Z-H zich conformeert aan het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. Mevrouw [B] verklaart dat de inhoud van het advies helder is en gekeken zal moeten worden hoe in een informeel kader contact tot stand gebracht kan worden tussen [minderjarige] en de vader en grootvader vaderszijde en hoe het contact tussen partijen verbeterd zou kunnen worden.

De moeder heeft ter zitting verklaard dat steeds gekeken moet worden naar wat het beste is voor [minderjarige] en het meest in haar belang is.

De pleegouders hebben ter terechtzitting aangegeven zich te kunnen vinden in het advies van de Raad. Zij geven daarbij aan dat het leven van [minderjarige] op dit moment vol en druk is en zij wel heel erg veel volwassenen en familie om haar heen heeft. De pleegmoeder geeft daarbij aan dat het gaat om de ingewikkeldheid van de relaties die [minderjarige] met deze volwassenen moet aan gaan en het verwarrend is voor een 7-jarig meisje om meerdere vaders, moeders en opa en oma’s te hebben.

De advocaat van de vader heeft ter zitting het woord gevoerd overeenkomstig haar ter terechtzitting overgelegde pleitnotities. Zij concludeert dat de omgang tussen [minderjarige] en de vader en grootvader vaderszijde weer opgebouwd zou moeten worden en een nieuwe start moet worden gemaakt. Zij verklaart hierbij dat gezegd kan worden dat alle partijen momenteel niet tevreden zijn met de huidige begeleide omgang van eenmaal in de zes weken op een neutrale locatie. En eigenlijk iedereen vindt, aldus de advocaat, dat de onbegeleide omgang zoals die vroeger liep, beter was. Voorts brengt de advocaat naar voren dat de vader en de grootvader vaderszijde hebben ervaren dat niemand van de begeleiders er eigenlijk echt voor ging. Ze zagen er niets in en zagen de begeleiding van de omgang meer als een noodzakelijk kwaad. Hierin hebben de begeleidende instanties tekort geschoten, aldus de advocaat. Ook nadelig is in deze zaak dat in de loop van de tijd de vader en grootvader vaderszijde ongeveer veertien andere gezinsvoogden, inclusief pleegzorgbegeleiders hebben gehad, die zich allemaal opnieuw in het dossier moesten inlezen. Daarnaast hebben veel misverstanden de sfeer rond de begeleide omgang negatief beïnvloed. De advocaat verklaart dat de vader de aantijgingen ontkent dat hij [minderjarige] zou belasten met uitspraken en zegt altijd rekening te houden met haar belangen. Verder geeft de advocaat aan dat het ook opmerkelijk is dat er nog nooit een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de gezinsvoogd en [minderjarige] over het wel of geen omgang hebben met vader. Bovendien, verklaart de advocaat, is het ook vervelend dat als vader contact wil opbouwen met [minderjarige] op een leuke manier, dit de kop wordt ingedrukt door de pleegouders. Een cadeautje, een Nintendo DS, die hij voor haar verjaardag had gegeven, werd bij de volgende gelegenheid weer teruggegeven door de pleegouders. Belangrijk punt hierbij is dat ook de pleegouders de omgang eigenlijk niet zien zitten. Dit voelt [minderjarige] natuurlijk feilloos aan, zij voelt de spanning rond de omgang. Daaruit concludeert men dan dat zij geen behoefte zou hebben aan deze omgang en de omgang niet in haar belang zou zijn. De advocaat geeft aan dat deze conclusie niet getrokken mag worden en de Raad hiermee een merkwaardige draairedenering maakt, welke totaal niet onderbouwd is. Geprobeerd zou juist moeten worden een oplossing te zoeken. [minderjarige] zal begeleid moeten worden om haar weg te vinden in de familiebanden, waarbij ook de vader en de grootouders vaderszijde een rol dienen te krijgen.

Jeugdzorg zal in de diverse gezinnen omgangsbegeleiding moeten geven. Er zal een nieuwe start gemaakt moeten worden en de omgang zal opgebouwd moeten worden, bijvoorbeeld door vader de gelegenheid te geven om samen met grootvader vaderszijde iets leuks te ondernemen met [minderjarige] gedurende een dag in de vier weken. Als dit goed gaat zou er een nachtje bij vader thuis aan vastgekoppeld kunnen worden; op deze wijze zou de omgang verder uitgebreid kunnen worden. Tot slot merkt de advocaat op dat de informatie aan vader van de kant van Jeugdzorg onvoldoende is, wat onwenselijk is.

De vader voegt hieraan toe dat de omgang zoals die nu loopt niet leuk is voor [minderjarige] en

het hem op deze manier moeilijk wordt gemaakt een goede band op te bouwen met haar. Desgevraagd geeft de vader aan dat hij ziet dat [minderjarige] het goed heeft in het huidige pleeggezin en dat hij aanvaardt dat [minderjarige] daar blijft wonen in de toekomst. Hierbij geeft de vader aan dat zijn inzet niet is om [minderjarige] uiteindelijk bij hem thuis te laten wonen, maar wel dat een goede omgangsregeling wordt vastgesteld zodat hij de band die hij met haar had kan herstellen en behouden. Ten aanzien van het incident met de Nintendo DS geeft de vader aan dat hij wist dat dit een grote wens was van [minderjarige] en dat hij haar hiermee blij wilde maken.

De kinderrechter stelt voor dat betrokken partijen met behulp van bemiddeling van

een onafhankelijke deskundige in gezamenlijk overleg een omgangsregeling vast stellen.

De pleegvader merkt hierover op dat gekeken moet worden naar het belang van [minderjarige] en dat het rapport van de Raad concludeert dat het in haar belang is dat geen omgang wordt vastgesteld. De pleegvader verklaart dat er wel iets is gebeurd in de afgelopen periode en er bij [minderjarige] meer aan de hand is dan dat zij het alleen druk heeft en moeilijk om kan gaan met haar diverse familiebanden. De pleegvader geeft aan dat er bij [minderjarige] ook sprake is van hechtingsproblematiek. Hij merkt hierbij op dat hij het betreurt dat de mensen die echt iets over [minderjarige] kunnen vertellen, de pleegzorgmedewerkster en de gezinsvoogd vandaag niet bij de zitting aanwezig zijn en er redenen zijn geweest waarom de omgang op enig moment is teruggedraaid door Jeugdzorg. De pleegouders geven aan nu het gevoel te hebben alleen te staan en zich niet gehoord te voelen. Ten aanzien van het incident met de Nintendo DS merkt de pleegmoeder nog op dat de reden dat deze is teruggegeven niet is dat de vader geen cadeautjes mag geven aan [minderjarige], maar de regel in huis is dat de kinderen geen Nintendo DS krijgen, ook de eigen kinderen niet. De pleegmoeder geeft aan dat de vader had moeten overleggen hierover met haar of de gezinsvoogdes.

De moeder verklaart dat zij omgangsbemiddeling niet ziet zitten omdat het allemaal al zo lang duurt. De moeder geeft aan dat de pleegouders intensief met de opvoeding van [minderjarige] bezig zijn en zij het beste met [minderjarige] voor hebben. De moeder geeft voorts aan dat het ook bij haar lang heeft geduurd voordat [minderjarige] een nachtje bij haar mocht slapen maar zij alles voor haar dochter over heeft gehad. Ten aanzien van het contact tussen [minderjarige] en de vader en grootvader vaderszijde geeft de moeder aan dat zij hierin toestemt zolang dit in het belang van [minderjarige] is.

Mevrouw [C] verklaart dat het voor [minderjarige] heel erg belangrijk is dat partijen op een goede manier met elkaar communiceren en iedereen wordt erkend in de rol die zij hebben. Ruzie over de omgangsregeling is belastend voor [minderjarige] en niet in haar belang. Mevrouw [C] benadrukt hierbij dat het wel van belang is dat [minderjarige] haar vader kent, zeker ook voor de toekomst, maar de omgang niet afgedwongen moet worden.

De kinderrechter overweegt als volgt:

Bij de beoordeling van het verzoek van Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland gaat de kinderrechter uit van de navolgende feiten. De [juridische vader] is door erkenning de juridische vader van de minderjarige. Na beëindiging van de relatie met de moeder van de minderjarige is door de kinderrechter te Utrecht op 19 september 2008 een omgangsregeling vastgesteld inhoudende een omgang eens per zes weken gedurende een weekend terwijl de minderjarige verblijft bij de grootouders vaderszijde. Bureau Jeugdzorg heeft aanvankelijk eenzijdig en onbevoegd deze omgangsregeling beperkt. Op 20 juli 2011 is een verzoek bij de kinderrechter ingediend om de op 19 september 2008 opgelegde omgangsregeling te wijzigen. In afwachting van het advies van de Raad voor de Kinderbescherming heeft de kinderrechter te Amsterdam bij beschikking d.d. 30 augustus 2011 een voorlopige omgangsregeling vastgesteld inhoudende eenmaal per twee maanden begeleid contact. Door de Raad (locatie Haarlem) is (pas) op 27 juni 2012 gerapporteerd. De Raad adviseert om geen omgangsregeling vast te stellen.

Ingevolge artikel 1: 263b, eerste lid BW kan de kinderrechter een eerder door de rechter opgelegde omgangsregeling wijzigen voor zover dat noodzakelijk is met het oog op het doel van de ondertoezichtstelling. Ingevolge artikel 1: 377a, eerste lid BW heeft een kind en een niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar. Ingevolge het derde lid van dit artikel ontzegt de rechter de omgang slechts indien de omgang ernstig nadeel oplevert voor de ontwikkeling van het kind, de ouder kennelijk ongeschikt is of niet in staat is omgang te hebben, er ernstige bezwaren zijn van het kind (ouder dan 11 jaar) of de omgang anderszins strijd met zwaarwegende belangen. De kinderrechter stelt allereerst vast dat het rapport van de Raad geen argumenten bevat om één van deze ontzeggingsgronden aan te nemen.

De vertegenwoordiger van de Raad ter zitting heeft dit ook beaamd. Bovendien is de Raad met het gegeven advies ook buiten de omvang van het geschil getreden aangezien het verzoek van Bureau Jeugdzorg niet verder strekt dan een beperking van de omgang tot een begeleide omgang van een keer per twee maanden, zodat het advies om de omgang te ontzeggen niet zal worden gevolgd.

Beoordeeld dient te worden of de door Bureau Jeugdzorg voorgestelde beperking van de omgang noodzakelijk is met het oog op het doel van de ondertoezichtstelling.

Uit de door Bureau Jeugdzorg ingediende stukken blijkt dat de ondertoezichtstelling destijds is aangevraagd en uitgesproken omdat er grote zorgen waren over de opvoedsituatie bij de moeder. De kinderrechter gaat er vanuit dat het creëren van een veilige opvoedingsituatie voor de minderjarige het doel van de ondertoezichtstelling is. Met de term noodzakelijk heeft de wetgever aangegeven dat in het kader van de ondertoezichtstelling er niet lichtvaardig ingegrepen mag worden in een eerder door de rechter vastgestelde omgangsregeling. In het verzoekschrift voert Bureau Jeugdzorg aan dat de wijziging noodzakelijk is omdat er de afgelopen periode geen frequente bezoekregeling is geweest en er regelmatig signalen komen na bezoeken dat de minderjarige wordt belast door de bezoeken.

De kinderrechter stelt vast dat de verminderde frequentie van de bezoeken niet is te wijten aan de vader en grootouders vaderszijde, maar aan het eenzijdig (en onbevoegd) genomen besluit van Bureau Jeugdzorg. Nu dit argument niet kan leiden tot toewijzing van het verzoek resteert de beoordeling of de in 2008 door de rechter opgelegde omgang belastend is voor de minderjarige. Door Bureau Jeugdzorg en de pleegouders worden de navolgende argumenten genoemd waarom de omgang belastend is voor de minderjarige. Allereerst zou de vader signalen afgeven dat hij wil dat de minderjarige bij hem komt wonen. Ten tweede zou vader zich niet hebben gehouden aan de afspraak dat de minderjarige tijdens de omgang niet bij hem thuis verblijft en blijft slapen en ten derde wordt het incident met de Nintendo DS als argument genoemd.

De kinderrechter acht het aannemelijk dat de vader destijds inderdaad signalen heeft afgegeven dat hij ontevreden is over het verblijf van de minderjarige bij het pleeggezin en dat hij graag de opvoeding van de minderjarige op zich wil nemen. De vraag is echter of dit zonder meer zou moeten leiden tot beperking van de omgang. Van belang is thans dat de vader op de zitting van 29 augustus 2012 heeft aangeven dat hij inmiddels aanvaardt dat zijn dochter op zal groeien binnen het huidige pleeggezin en dat hij daar in de omgang met zijn dochter ook naar zal handelen.

Ten aanzien van het slaapincident is de kinderrechter van oordeel dat vader weliswaar heeft gehandeld in strijd met de gemaakte afspraken, doch dat deze enkele schending niet direct moet leiden tot een beperking. Gezien de gang van zaken na dit incident is het aannemelijk dat vader het wel uit zijn hoofd zal laten om zich niet aan de afspraken rondom de omgang te houden. Ten aanzien van de Nintendo DS die vader aan zijn dochter heeft gegeven voor haar verjaardag is er deels sprake van tegengestelde verklaringen van de vader en de pleegouders en deels van ongelukkig, doch begrijpelijk handelen van de vader. Achteraf gezien was het natuurlijk verstandig geweest als de vader en de pleegouders vooraf overleg zouden hebben gepleegd over het verjaardagscadeau. De verhouding tussen beiden is echter al gedurende langere tijd slecht, hetgeen aan dit overleg in de weg heeft gestaan.

Alles afwegende is de kinderrechter van oordeel dat niet is voldaan aan het noodzakelijkheid- criterium van artikel 1: 263b, eerste lid BW.

Ingevolge artikel 3 IVRK, dient de kinderrechter bij zijn te nemen beslissing het belang van de minderjarige voorop te stellen. Van de zijde van de pleegouders, daarin gesteund door Bureau Jeugdzorg en de rapportage van de Raad, is aangevoerd dat de minderjarige een druk sociaal leven heeft en dat omgang met vader en grootouders vaderszijde hier niet in past. Bovendien zou het grote aantal volwassenen in het leven van de minderjarige en hun verschillende rollen bij haar voor verwarring en onduidelijkheid zorgen.

Het argument van het drukke sociale leven speelt naar het oordeel van de kinderrechter, gezien de leeftijd van de minderjarige op dit moment, slechts een beperkte rol. Hetzelfde geldt ook voor de verwarring en onduidelijkheid over de rol van alle volwassenen. Uit de stukken blijkt dat de minderjarige, ondanks alles wat ze heeft meegemaakt, slechts in beperkte mate zorgsignalen afgeeft. Dit neemt echter niet weg dat de kinderrechter in het belang van de minderjarige wel rekening dient te houden met het feit dat de omgang het afgelopen anderhalf jaar (niet door toedoen van vader) beperkt is geweest, dat de verhouding tussen de pleegouders en de vader slecht is en dat wel, zij het niet in volle omvang, rekening gehouden moet worden met de volle “agenda” van de minderjarige.

Alvorens een beslissing te nemen over de frequentie van de omgang acht de kinderrechter het van belang het navolgende onder de aandacht te brengen van alle betrokkenen.

Ter zitting heeft de kinderrechter voorgesteld dat betrokken partijen met behulp van bemiddeling van een onafhankelijke deskundige in gezamenlijk overleg een omgangsregeling vaststellen. De pleegouders hebben aangeven hier niet open voor te staan. Van de zijde van Bureau Jeugdzorg is aangegeven dat ingezien wordt dat er gewerkt zal moeten worden aan een verbetering van de verstandhouding tussen de pleegouders en de vader/grootouders vaderszijde. De kinderrechter vindt het jammer dat de pleegouders niet toe zijn aan mediation, doch begrijpt dit wel aangezien zij op basis van het raadsrapport met geheel andere verwachtingen naar de zitting zijn gekomen. De kinderrechter gaat er wel vanuit dat Bureau Jeugdzorg als onafhankelijke boven de partijen staande partij zich in zal zetten voor een verbetering van de verhouding tussen de vader en de pleegouders, waarbij het van belang is dat vader richting de minderjarige duidelijk aangeeft dat hij het er mee eens is dat de minderjarige opgroeit bij pleegouders en dat de pleegouders accepteren dat vader en zijn ouders een rol spelen in het leven van de minderjarige, ondanks dat de vader niet de biologische vader is van de minderjarige. Pleegouders dienen in het belang van de minderjarige de minderjarige de ruimte te geven om contact te blijven houden met vader en zijn ouders.

De kinderrechter ziet geen aanleiding om de omgang te laten begeleiden door de pleegouders en/of Bureau Jeugdzorg. De raadsvouw van de vader heeft terecht aangevoerd dat een omgang op het kantoor van Bureau Jeugdzorg met toezicht voor zowel de minderjarige als de vader geen prettige omgang is.

De kinderrechter acht het tot slot van belang dat zowel de vader als de pleegouders (en de minderjarige) de komende periode begeleid gaan worden bij de omgang.

Alles afwegende is de kinderrechter van oordeel dat de op 19 september 2008 door de rechtbank Utrecht vastgestelde omgangsregeling dient te worden gewijzigd in die zin dat er drie keer per kalenderjaar (in 2012 nog één keer) onbegeleide omgang is tussen de vader en de minderjarige gedurende twee dagen, waarbij de eerste dag aanvangt om 10.00 uur en de tweede dag eindigt om 19.00 uur. De minderjarige zal gedurende de omgang verblijven bij de grootouders vaderszijde. De dagen waarop de omgang plaats zal vinden zullen door Bureau Jeugdzorg na overleg met de pleegouders en de vader worden vastgelegd.

Gelet op vorenstaande zal als volgt worden beslist.

BESLISSING:

De kinderrechter:

- wijzigt de bij beschikking van 19 september 2008 door de kinderrechter te Utrecht vastgestelde omgangsregeling;

- stelt een omgangsregeling vast tussen de vader en [minderjarige] inhoudende dat er drie keer per kalenderjaar (in 2012 nog één keer) onbegeleide omgang is tussen de vader en [minderjarige] gedurende twee dagen, waarbij de eerste dag aanvangt om 10.00 uur en de tweede dag eindigt om 19.00 uur. De minderjarige zal gedurende de omgang verblijven bij de grootouders vaderszijde. De dagen waarop de omgang plaats zal vinden zullen door Bureau Jeugdzorg na overleg met de pleegouders en de vader worden vastgelegd.

- verklaart deze beschikking tot zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R. van de Water, kinderrechter, en uitgesproken

ter openbare terechtzitting van 31 augustus 2012, in tegenwoordigheid van mr. I.P.M.

Dijkstra, griffier..

Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (Prinsengracht 436 / Postbus 1312, 1000 BH / fax: 020 - 541 1899).

Het beroep moet worden ingesteld:

- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.