Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY2657

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
08-11-2012
Zaaknummer
13/706642-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit de feitsomschrijving blijkt dat de opgeëiste persoon is veroordeeld voor het zich toe-eigenen van een mobiele telefoon die hij had gevonden maar die aan een ander toebehoorde. Nu de opgeëiste persoon er kennelijk voor heeft gekozen dit voorwerp te behouden en geen stappen heeft ondernomen om de telefoon bij de rechtmatige eigenaar terug te bezorgen (bijvoorbeeld door de telefoon af te geven aan de politie) is sprake van een opzettelijke en wederrechtelijke toe-eigening van een voorwerp dat aan een ander toebehoort en dat de opgeëiste persoon, anders dan door misdrijf (namelijk door een vondst), onder zich had. Dit feit levert naar Nederlands recht op verduistering, zoals bedoeld in artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht en het wordt bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Uit de brief d.d. 31 augustus 2012 blijkt dat het vonnis aan de opgeëiste persoon is betekend: hij heeft een afschrift van het vonnis persoonlijk afgehaald en is daarbij op de hoogte geraakt van de mogelijkheid om een rechtsmiddel aan te wenden. Hij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt en de tijd om een rechtsmiddel in te stellen is verlopen. Onder deze omstandigheden is de weigeringsgrond van artikel 12 van de OLW evident niet aan de orde. De rechtbank beschouwt de informatie in het EAB, in samenhang met de genoemde brief, als genoegzaam.

Het is niet aan de rechtbank om te beoordelen of er sprake is van een bagatelfeit. Het gaat om de verduistering van een mobiele telefoon, een feit waarvoor naar Nederlands recht ook een aanzienlijke vrijheidsstraf kan worden opgelegd. Er moet van worden uitgegaan dat de door de raadsman bedoelde afweging bij het uitvaardigen van het EAB reeds is gemaakt en dat deze afweging heeft geresulteerd in het verzoek om overlevering van de opgeëiste persoon teneinde de opgelegde straf te ondergaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/706642-12

RK nummer: 12/5801

Datum uitspraak: 25 september 2012

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 augustus 2012 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 22 mei 2012 door the Judge of the Circuit Court in Lublin, Polen, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [plaats], Polen, op [1991],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gede¬tineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘[locatie]’,

Huis van Bewaring ‘[locatie]’ te [plaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 september 2012. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. L.J. Woltring, advocaat te Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, gewezen door the District Court in Pulawy, Polen, op 19 februari 2009, referentienr. VI K 967/08.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van een jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4. Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, lid 1, onder a, 2e van de OLW gestelde eisen.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bestreden dat van dubbele strafbaarheid sprake zou kunnen zijn, nu het feitencomplex betrekking heeft op een voorwerp (mobiele telefoon) dat de opgeëiste persoon heeft gevonden en behouden.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het feit naar Nederlands recht gekwalificeerd kan worden als verduistering en derhalve aan de voorwaarde van dubbele strafbaarheid is voldaan.

Oordeel rechtbank

Uit de feitsomschrijving blijkt dat de opgeëiste persoon is veroordeeld voor het zich toe-eigenen van een mobiele telefoon die hij had gevonden maar die aan een ander toebehoorde. Nu de opgeëiste persoon er kennelijk voor heeft gekozen dit voorwerp te behouden en geen stappen heeft ondernomen om de telefoon bij de rechtmatige eigenaar terug te bezorgen (bijvoorbeeld door de telefoon af te geven aan de politie) is sprake van een opzettelijke en wederrechtelijke toe-eigening van een voorwerp dat aan een ander toebehoort en dat de opgeëiste persoon, anders dan door misdrijf (namelijk door een vondst), onder zich had. Dit feit levert naar Nederlands recht op verduistering, zoals bedoeld in artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht en het wordt bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

De rechtbank stelt dan ook vast dat het feit waarvoor overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van Polen als naar Nederlands recht strafbaar is en dat op dit feit in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.

5. Overige verweren

5.1 Artikel 12 van de OLW

Standpunt verdediging

Het EAB en de door de uitvaardigende justitiële autoriteit nadien verstrekte informatie (de brief d.d. 31 augustus 2012) bevat onvoldoende gegevens om vast te kunnen stellen of de weigeringsgrond van artikel 12 van de OLW aan de orde is. In dat opzicht is het EAB ongenoegzaam.

Standpunt officier van justitie

Omdat in het EAB onder D vet gedrukt staat dat de opgeëiste persoon niet ter zitting aanwezig is geweest, maar verder niet stond aangegeven of de opgeëiste persoon van het instellen van een rechtsmiddel tegen het vonnis had afgezien, of de tijd die daarvoor staat had laten verlopen, zijn vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De brief van 31 augustus 2012 is daar het antwoord op, waarbij de officier van justitie met name wijst op het slot van de eerste alinea. De weigeringsgrond is dan ook niet aan de orde, aldus de officier van justitie.

Oordeel rechtbank

De rechtbank volgt de officier van justitie in zijn standpunt. Uit de brief d.d. 31 augustus 2012 blijkt dat het vonnis aan de opgeëiste persoon is betekend: hij heeft een afschrift van het vonnis persoonlijk afgehaald en is daarbij op de hoogte geraakt van de mogelijkheid om een rechtsmiddel aan te wenden. Hij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt en de tijd om een rechtsmiddel in te stellen is verlopen. Onder deze omstandigheden is de weigeringsgrond van artikel 12 van de OLW evident niet aan de orde. De rechtbank beschouwt de informatie in het EAB, in samenhang met de genoemde brief, als genoegzaam.

5.2.1 Evenredigheid

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat het hier een zogenaamd ‘bagatelfeit’ betreft, door de opgeëiste persoon begaan toen hij 17 jaar oud was. Dat hij alsnog de opgelegde straf zou moeten gaan uitzitten staat in geen verhouding tot de ernst van het feit.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft dit standpunt bestreden. De opgelegde straf lijkt inderdaad aan de forse kant maar die beoordeling is niet aan de Nederlandse rechtbank of officier van justitie. Feit is dat de straf is opgelegd en dat in verband daarmee de overlevering wordt gevraagd.

Oordeel rechtbank

Het is niet aan de rechtbank om te beoordelen of er sprake is van een bagatelfeit. Het gaat om de verduistering van een mobiele telefoon, een feit waarvoor naar Nederlands recht ook een aanzienlijke vrijheidsstraf kan worden opgelegd. Er moet van worden uitgegaan dat de door de raadsman bedoelde afweging bij het uitvaardigen van het EAB reeds is gemaakt en dat deze afweging heeft geresulteerd in het verzoek om overlevering van de opgeëiste persoon teneinde de opgelegde straf te ondergaan. Het verweer wordt dan ook verworpen, de verzochte overlevering is niet onevenredig.

6. Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7. Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 321 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 van de OLW.

8. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Judge of the Circuit Court in Lublin, Polen, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf van één jaar, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. J.W. Vriethoff, voorzit¬ter,

mrs. J.O. Rutten en M.J. Alink, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 25 september 2012.

De griffier is buiten staat deze uitspraak

mede te ondertekenen.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak

mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, lid 2 OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[C]