Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY2315

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
06-11-2012
Zaaknummer
512935 / HA ZA 12-365
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot nakoming van een compensatieregeling wegens het niet realiseren van het overeengekomen verkoopvolume van een IT-product. Overeenkomst rechtsgeldig ontbonden? Toepassing compensatieregeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar? Omvang en opeisbaarheid verschuldigde compensatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 512935 / HA ZA 12-365

Vonnis van 26 september 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CENTRUM VOOR ONLINE ONDERZOEK B.V.,

nader te noemen Centron,

gevestigd te Hilversum,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A.J. Butter,

tegen

de stichting

STICHTING CED-GROEP,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. E.J.A. Vilé.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 februari 2012, waarbij de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard en de zaak heeft verwezen naar deze rechtbank,

- de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, met producties,

- het tussenvonnis van 16 mei 2012, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

- het proces-verbaal van de op 29 juni 2012 gehouden comparitie van partijen, met de daarin genoemde conclusie van antwoord in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Centron is een onderneming die zich bezighoudt met het uitvoeren van markt- en opinieonderzoeken en het beheer van marktgegevens.

2.2. Stichting Eduniek is een voormalige onderwijsbegeleidingsdienst. Op

1 augustus 2011 is Stichting Eduniek als verdwijnende rechtspersoon gefuseerd met Stichting CED-Groep. Nu de onderhavige zaak een geschil tussen Centron en Stichting Eduniek betreft van voor deze fusie, zal gedaagde hierna worden aangeduid als Eduniek.

2.3. Centron heeft een tevredenheidsonderzoek ontwikkeld voor het primair en voortgezet onderwijs, genaamd het Nationaal Scholenonderzoek. Het onderzoek is bedoeld als instrument om de kwaliteit van een school te meten aan de hand van de tevredenheid van ouders, leerlingen en medewerkers.

2.4. Ten behoeve van de verkoop van het Nationaal Scholenonderzoek heeft Centron contact gezocht met onderwijsbegeleidingsdiensten in Nederland, teneinde een landelijk distributienetwerk te organiseren. Een van die onderwijsbegeleidingsdiensten was Eduniek. Vanaf oktober 2009 zijn er onderhandelingen gevoerd tussen Eduniek en Centron.

2.5. Op 15 februari 2010 hebben partijen een overeenkomst gesloten voor de verkoop van het Nationaal Scholenonderzoek door Eduniek in de regio Midden-Nederland (hierna: de overeenkomst). De regio van Eduniek telde 2.038 basisscholen. Voor de andere regio’s (Rotterdam en omstreken, Zeeland, Noord-Nederland, Zuid-Nederland en Noord-Holland) heeft Centron in de zomer van 2010 overeenkomsten gesloten met vijf andere onderwijsbegeleidingsdiensten.

2.6. De overeenkomst bevat, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen:

“ Artikel 3 – Financiële afwikkeling en voorwaarden

3.1 Eduniek heeft een reeks postcodegebieden geselecteerd welke tot haar werkgebied behoren. Deze werkgebieden staan omschreven in bijlage 1 ‘Werkgebieden’. Binnen dit eigen werkgebied garandeert Eduniek een bepaalde dekkingsgraad, zijnde een percentage van alle basisscholen in dat werkgebied dat (betaald) zal gaan deelnemen.

• In 2010 bedraagt de garantie 10%

• In 2011 bedraagt de garantie 15%

• In 2012 bedraagt de garantie 20%

3.2 Over de totaalsom voor iedere school binnen het postcodegebied van Eduniek ontvangt Eduniek een commissie. Met betrekking tot deze commissie komen partijen het volgende overeen: (…)

(…)

3.2.4 In het geval Eduniek aan het einde van het kalenderjaar er niet in geslaagd is om de gegarandeerde dekkingsgraad te realiseren, dan dient zij Centron daarvoor te compenseren door het tekort aan omzet te compenseren middels een eenmalige betaling aan Centron. Deze betaling zal bestaan uit het aantal scholen binnen het dekkingsgebied van Eduniek × 10% minus het aantal scholen dat zich heeft aangemeld. Voor het tekort in aantal scholen zal Eduniek een bedrag voldoen van € 213,- per school.

(…)

Artikel 5 – Duur van de overeenkomst

5.1 Deze overeenkomst heeft een looptijd van 3 (drie) jaar.

(…)

Artikel 7 – Ontbinding

7.1 Partijen hebben het recht, onverminderd haar recht op schadevergoeding, de overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen indien:

(…)

b. een der partijen haar verplichtingen uit deze overeenkomst niet nakomt en niet na blijft komen, mits daartoe schriftelijk – per aangetekende brief of faxbericht – in gebreke te zijn gesteld, waarbij een termijn van veertien dagen dient te worden gegund alsnog de verplichtingen na te komen.

7.2 Ontbinding dient schriftelijk, per aangetekende brief, te worden gedaan.”

2.7. In de periode februari 2010 tot en met juni 2011 hebben in het werkgebied van Eduniek 16 scholen deelgenomen aan het Nationaal Scholenonderzoek. Er is in deze periode tussen partijen meermaals contact geweest over manieren om de verkoop te stimuleren. In dit verband is onder meer een kortingsvoucher geïntroduceerd.

2.8. Op 11 mei 2011 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen Centron en Eduniek over de tegenvallende verkoopresultaten. Daarbij is afgesproken dat Eduniek nog een aantal pogingen zou ondernemen om scholen aan het Nationaal Scholenonderzoek te laten deelnemen. Daarbij zou Eduniek het onderzoek eventueel gratis aan scholen mogen aanbieden.

2.9. Op 10 juni 2011 stuurt Centron een factuur aan Eduniek ten bedrage van € 43.026,- exclusief BTW, met de volgende omschrijving:

“ Garantiebedrag m.b.t. de overeenkomst dd. 15 februari 2010 (Scholenonderzoek)

2022 scholen x 10% = 202 x € 213,- € 43.026,-”

2.10. Eduniek reageert per brief van 21 juni 2011 op de factuur. In deze brief schrijft Eduniek dat Centron een zestal contractsverplichtingen niet is nagekomen en dat de verkoop daardoor “knap lastig” is geworden. Eduniek besluit de brief als volgt:

“ De kans op succes voor Nationaal schoolonderzoek is gebaseerd op het landelijk karakter, het onafhankelijk karakter, landelijke bekendheid en het jaarlijks landelijk publiceren van resultaten. Dit heeft Centron niet waar kunnen maken.

We constateren dat het Eduniek mede daardoor niet gelukt is het product binnen de voor haar bestemde regio voldoende in de markt te zetten. En we zien ook niet dat dit binnen redelijke termijn gaat lukken en concluderen dat de overeenkomst beëindigd moet worden. Dit wordt bevestigd door de resultaten van beide acties die wij de afgelopen vijf weken hebben uitgevoerd en de response van klanten.

Eduniek nodigt Centron uit de resultaten en de gang van zaken te bespreken en op basis hiervan na te gaan op welke wijze wij het partnership kunnen beëindigen. We zijn er geen voorstander van dat gesprek te voeren op basis van al dan niet nagekomen formele contractverplichtingen en wij beschouwen de factuur daarom als niet verzonden.”

2.11. Centron reageert bij e-mail van 27 juni 2011 op de brief van Eduniek. Centron spreekt in deze reactie haar verbazing uit over de brief van Eduniek en stelt dat er tot dan toe “met geen woord (is) gerept over het ‘in gebreke’ zijn van Centron”. Vervolgens gaat Centron in op de door Eduniek gestelde tekortkomingen. Centron besluit de e-mail als volgt:

“ Je geeft vervolgens als slotzin dat je de gang van zaken wilt bespreken maar ook dat de factuur als niet verzonden wordt beschouwd en zegt het contract op. Ik concludeer: Eduniek wenst geen betalingen te verrichten als gevolg van het niet nakomen van de verplichtingen en/of het beëindigen van het contract? Dat noem ik geen correcte afwikkeling van het contract met een looptijd van 3 jaar en een verplichting van nagenoeg 200.000,- Jullie zijn deze verplichting nu eenmaal aangegaan.

Daarom hoor ik graag welk voorstel jullie (in grote lijnen) in gedachten hebben, zodat ik me daarop kan voorbereiden. (…)

Bij het uitblijven van een passend voorstel zal ik de factuur voor het bedrag m.b.t. de resterende periode laten opmaken en die toesturen.”

2.12. In een e-mail van 29 juni 2011 schrijft de raadsman van Eduniek aan Centron, voor zover hier van belang, het volgende:

“ Eduniek heeft de schending van de contractuele verplichtingen door Centron nogmaals duidelijk omschreven in haar brief van 21 juni 2011. Deze brief gold als ingebrekestelling van Centron. De in die brief door Eduniek genoemde zes wezenlijke punten waarop Centron in gebreke is, zijn blijven voortbestaan.

Centron heeft na die brief van Eduniek van 21 juni 2011 zich niet bereid verklaard haar verplichtingen alsnog geheel te zullen nakomen. Dit betekent dat Centron in verzuim is.

Gezien dit verzuim is Eduniek bevoegd de overeenkomst van 15 februari 2010 te ontbinden en hierbij gaat Eduniek tot die ontbinding van de overeenkomst over.”

2.13. Diezelfde dag nog stuurt Centron een factuur aan Eduniek ten bedrage van € 151.656,- exclusief BTW, met de volgende omschrijving:

“ Garantiebedrag m.b.t. de overeenkomst dd. 15 februari 2010 (Scholenonderzoek)

Jaar 2: 2038 scholen x 15% = 305 x € 213,- € 64.965,-

Jaar 3: 2038 scholen x 20% = 407 x € 213,- € 86.691,-”

2.14. Beide facturen die Centron aan Eduniek heeft verstuurd zijn onbetaald gebleven.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Centron vordert samengevat – dat Eduniek bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal worden veroordeeld tot betaling van:

I. een bedrag van € 43.026,- exclusief BTW vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 12 december 2011;

II. een bedrag van € 151.656,- exclusief BTW vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 19 juli 2011;

III. een bedrag van € 1.400,- aan buitengerechtelijke kosten;

IV. schadevergoeding wegens de schade die Centron lijdt ten aanzien van het product ter zake het voortgezet onderwijs, nader op te maken bij staat;

V. de kosten van dit geding.

3.2. Centron legt het volgende aan haar vordering ten grondslag.

Centron heeft met Eduniek een overeenkomst gesloten over de verkoop door Eduniek van een door Centron ontwikkeld tevredenheidsonderzoek. Overeengekomen is dat Eduniek binnen haar werkgebied een bepaalde minimum verkoop zou bewerkstelligen en dat als zij daarin niet zou slagen, zij Centron daarvoor zou moeten compenseren door middel van een eenmalige betaling aan Centron. Eduniek heeft de overeengekomen minimum verkoop niet gerealiseerd. Eduniek is Centron daarom een compensatie verschuldigd van € 43.026,- exclusief BTW over het jaar 2010 en € 151.656,- exclusief BTW over de jaren 2011 en 2012. Voorts moet Eduniek de schade vergoeden die Centron lijdt door het feit dat Eduniek het onderzoek niet aan het voortgezet onderwijs heeft aangeboden. Ten slotte heeft Centron recht op vergoeding van de gemaakte buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

3.3. Eduniek voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. Eduniek vordert in reconventie samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen Centron en Eduniek van 15 februari 2010 is ontbonden per 29 juni 2011 op grond van een toerekenbare tekortkoming door Centron,

II. Centron te veroordelen tot betaling aan Eduniek van een bedrag van € 217.162,49, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2011;

III. Centron te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.5. Eduniek legt het volgende aan haar vordering ten grondslag.

Centron is op zes gronden toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. Eduniek heeft daarom bij e-mail van 29 juni 2011 de overeenkomst ontbonden. Eduniek heeft voorts schade geleden ten gevolge van het handelen van Centron. Deze schade bestaat uit de salariskosten van werknemers die Eduniek tevergeefs heeft ingeschakeld om verkoopwerkzaamheden te verrichten en een bedrag aan diverse kosten waaronder mailings. De totale schade beloopt een bedrag van € 217.162,49. Eduniek heeft recht op vergoeding van deze schade door Centron.

3.6. Centron voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1. Het geschil in conventie draait om de vraag of Eduniek gehouden is Centron financieel te compenseren voor de geringe deelname van scholen aan het Nationaal Scholenonderzoek. De rechtbank overweegt als volgt.

4.2. In artikel 3.1 van de overeenkomst heeft Eduniek binnen haar werkgebied een minimale “dekkingsgraad” gegarandeerd; een bepaald percentage van de basisscholen dat zou deelnemen aan het Nationaal Scholenonderzoek. Gezien het aantal basisscholen in het werkgebied van Eduniek (2038), zouden er in 2010 minimaal 203 basisscholen moeten deelnemen, in 2011 minimaal 305, en in 2012 minimaal 407 basisscholen.

4.3. Onbetwist is dat zich in totaal slechts 16 scholen hebben aangemeld voor deelname aan het Nationaal Scholenonderzoek. Eduniek stelt in haar conclusie van antwoord evenwel dat zij haar verplichtingen uit de overeenkomst volledig is nagekomen. Zij heeft alle mogelijke inspanningen verricht om het product te verkopen en aanzienlijke investeringen gedaan om de overeenkomst goed en volledig uit te voeren, aldus Eduniek.

4.4. Het standpunt van Eduniek veronderstelt dat zij slechts een inspanningsverbintenis is aangegaan ten aanzien van de verkoop van het Nationaal Scholenonderzoek. Haar verbintenis strekt echter verder dan dat. Door een dekkingsgraad te garanderen, is Eduniek in zoverre een resultaatsverbintenis aangegaan: zij heeft zich verbonden een bepaald verkoopresultaat bij de basisscholen in haar werkgebied te realiseren. Met het enkele feit dat dit resultaat niet is bereikt, staat reeds vast dat Eduniek haar verbintenis niet is nagekomen.

4.5. Voorafgaand aan de overeenkomst, hebben partijen met elkaar gesproken over de mogelijkheid dat de gegarandeerde dekkingsgraad over een bepaald jaar niet zou worden gerealiseerd. In de overeenkomst zijn partijen voor deze situatie een compensatieregeling overeengekomen (artikel 3.2.4). Deze regeling houdt in dat Eduniek in een dergelijk geval Centron een financiële vergoeding moet betalen. Centron vordert in deze procedure nakoming van de compensatieregeling.

4.6. Eduniek verweert zich tegen deze vordering en stelt daartoe dat zij de overeenkomst bij e-mail van 29 juni 2011 (zie hiervoor onder 2.12) heeft ontbonden wegens tekortkoming door Centron in de nakoming van haar verplichtingen jegens Eduniek. Met name heeft Centron volgens Eduniek nagelaten het Nationaal Scholenonderzoek up-to-date te houden, waardoor het voor Eduniek onverkoopbaar was. De rechtbank begrijpt het verweer aldus dat Eduniek als gevolg van de ontbinding bevrijd is van eventueel op haar rustende verplichtingen uit hoofde van de compensatieregeling.

4.7. Centron stelt in reactie dat Eduniek haar nimmer in gebreke heeft gesteld ten aanzien van de vermeende tekortkomingen. Ook op andere wijze is Centron niet in verzuim geraakt, aldus Centron.

4.8. Artikel 7 van de overeenkomst geeft beide partijen het recht de overeenkomst te ontbinden indien de wederpartij haar verplichtingen niet nakomt en deze per aangetekende brief of faxbericht in gebreke is gesteld en een termijn van 14 dagen is gegund om alsnog haar verplichtingen na te komen. Op grond van hetgeen partijen met elkaar zijn overeengekomen, dient de ontbindingsverklaring van Eduniek van 29 juni 2011 dan ook te zijn voorafgegaan door een ingebrekestelling.

4.9. De rechtbank is met Centron van oordeel dat aan deze voorwaarde niet is voldaan. Anders dan Eduniek betoogt, kan de brief van 21 juni 2011 (zie hiervoor onder 2.10) niet worden aangemerkt als een ingebrekestelling in de zin van artikel 7 van de overeenkomst. Weliswaar wordt in de brief een aantal tekortkomingen gesteld, maar Centron wordt daarin niet een termijn van 14 dagen – of enige andere termijn – gegund om alsnog aan haar verplichtingen te voldoen. Integendeel, Eduniek concludeert dat de overeenkomst moet worden beëindigd en nodigt Centron uit voor een gesprek over de wijze van beëindiging. Daarmee beantwoordt de e-mail niet aan de wezenlijke functie van een ingebrekestelling, te weten het bieden van een laatste termijn voor nakoming, alvorens de nadelige gevolgen van de ondeugdelijke nakoming in werking treden (zoals ontbinding en schadevergoeding). De stelling van Eduniek dat zij Centron tijdens besprekingen herhaaldelijk heeft aangesproken op de gestelde tekortkomingen, kan het ontbreken van een schriftelijke ingebrekestelling niet ondervangen.

4.10. Eduniek stelt nog dat uit de e-mail van Centron van 27 juni 2011 (zie hiervoor onder 2.11) blijkt dat Centron de mogelijkheden om haar verplichtingen alsnog na te komen niet wilde aangrijpen. Voor zover Eduniek hiermee een beroep doet op het bepaalde in artikel 6:83, aanhef en onder c van het Burgerlijk Wetboek (BW) en bedoelt te zeggen dat zij uit de e-mail mocht afleiden dat Centron in de nakoming van haar verplichtingen tekort zou schieten, volgt de rechtbank haar daarin niet. De bewuste e-mail, waarin Centron ingaat op de door Eduniek gestelde tekortkomingen, is niet geformuleerd als een mededeling dat Centron haar verplichtingen uit de overeenkomst niet zou willen nakomen. Veeleer moet de reactie worden gezien in het licht van de discussie tussen partijen over de door Centron verstuurde factuur en over de oorzaak van de geringe verkoop van het Nationaal Scholenonderzoek.

4.11. Hetgeen Eduniek stelt ten aanzien van schuldeisersverzuim kan haar evenmin baten. Eduniek heeft in dit kader een beroep gedaan op artikel 6:61 BW. Ingevolge dit artikel zou schuldeisersverzuim van Centron een einde maken aan een eventueel verzuim van Eduniek danwel zou Eduniek niet in verzuim kunnen raken. Het gaat er echter niet om of Eduniek al dan niet in verzuim was. Hier is aan de orde of Eduniek gerechtigd was tot ontbinding van de overeenkomst. Ongeacht een eventueel schuldeisersverzuim van Centron, is daarvoor vereist dat voldaan is aan het bepaalde in artikel 6:265, eerste en tweede lid BW alsmede aan hetgeen daaromtrent tussen partijen is overeengekomen.

4.12. Nu Centron niet in gebreke is gesteld en evenmin op andere wijze in verzuim is geraakt, had Eduniek reeds daarom niet het recht de overeenkomst te ontbinden. De vraag of Centron een of meer van haar contractuele verplichtingen heeft geschonden en/of in schuldeisersverzuim is komen te verkeren kan om die reden in dit verband buiten beschouwing blijven. Ook hetgeen partijen over en weer hebben gesteld over de toerekenbaarheid van de gestelde tekortkomingen van Centron behoeft geen nadere bespreking.

4.13. Gezien het voorgaande, is de overeenkomst niet rechtsgeldig ontbonden. Evenmin is de overeenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd. Dat betekent dat de wederzijdse contractuele verplichtingen zijn blijven voortbestaan en dat Eduniek niet op die grond is bevrijd van haar verplichtingen uit hoofde van artikel 3.1 en artikel 3.2.4 van de overeenkomst.

4.14. Subsidiair heeft Eduniek zich op het standpunt gesteld dat in de gegeven omstandigheden Centron in redelijkheid geen beroep kan doen op de garantieregeling van artikel 3 van de overeenkomst en de vordering van Centron naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij wijst Eduniek op het feit dat het Nationaal Scholenonderzoek volgens haar onverkoopbaar was en dat Centron zelf diverse contractsverplichtingen heeft geschonden.

4.15. De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt in het contractenrecht heeft te gelden dat gemaakte afspraken dienen te worden nagekomen. Dit uitgangspunt geldt ook in deze zaak. De door partijen overeengekomen garantie- en compensatieregeling kan slechts opzij worden gesteld indien toepassing van deze regeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar zou zijn (artikel 6:248, tweede lid BW). Naar het oordeel van de rechtbank zou deze situatie zich kunnen voordoen als het Eduniek door de handelwijze van Centron praktisch onmogelijk zou zijn gemaakt het Nationaal Scholenonderzoek te verkopen.

4.16. Hiervan is de rechtbank echter niet gebleken. Eduniek heeft onvoldoende onderbouwd in welk opzicht zij door de gestelde tekortkomingen van Centron is gehinderd in de verkoop van het Nationaal Scholenonderzoek. Zo verwijt Eduniek Centron dat zij geen enquêtes voor het bijzonder onderwijs en het voortgezet onderwijs heeft aangeleverd, maar stelt zij niet waarom dit in de weg stond aan de verkoop van het onderzoek aan het basisonderwijs. Bovendien blijkt uit de in het geding gebrachte correspondentie niet dat Eduniek hier ooit eerder een punt van heeft gemaakt.

4.17. Wel heeft Eduniek deugdelijk onderbouwd dat het ontbreken van een nieuwe publicatie over de resultaten van 2010 een negatief effect had op de verkoopbaarheid van het Nationaal Scholenonderzoek. Centron heeft hier echter terecht tegenovergesteld dat Eduniek tot eind 2010 de publicatie van de resultaten van 2009 kon gebruiken. Ook in die periode (de periode tot eind 2010) hebben zich amper scholen aangemeld. Aldus kan het uitblijven van een nieuwe publicatie niet worden aangemerkt als de voornaamste oorzaak voor de geringe verkoop.

4.18. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat het hier een zakelijke overeenkomst betreft tussen twee professionele partijen. Centron en Eduniek hebben langere tijd met elkaar onderhandeld. Uit de in het geding gebrachte correspondentie uit die periode blijkt dat daarbij ook is gesproken over het verstrekken van garanties, het opnemen van een boeteclausule en – meer in het algemeen – de verdeling van risico’s. Blijkens de uiteindelijk in het contract opgenomen garantie- en compensatieregeling, hebben de onderhandelingen ertoe geleid dat partijen een zeker risico voor tegenvallende verkoop bij Eduniek hebben neergelegd. Eduniek heeft zich immers aan een resultaat verbonden, welke resultaat mede kon worden beïnvloed door externe omstandigheden als tegenvallende belangstelling of opkomende concurrentie.

4.19. In het licht van deze omstandigheden, wordt het verweer van Eduniek dat de vordering van Centron in strijd is met de redelijkheid en billijkheid verworpen. Dat brengt mee dat Eduniek gehouden is tot nakoming van de overeengekomen compensatieregeling. De rechtbank zal in het hiernavolgende ingaan op de verschuldigde compensatie.

4.20. Artikel 3.2.4 van de overeenkomst bepaalt dat Eduniek een compensatie moet betalen in geval aan het einde van het kalenderjaar de gegarandeerde dekkingsgraad niet is gerealiseerd. Tussen partijen is niet in geschil dat Eduniek voor wat betreft de eerste periode feitelijk ruim vijf maanden langer de tijd heeft gehad om de gegarandeerde dekkingsgraad te behalen. Niet eerder dan 10 juni 2011 heeft Centron voor het eerst een factuur gestuurd met betrekking tot de compensatieregeling.

4.21. Eduniek heeft in dit verband gesteld dat partijen zijn overeengekomen om de ingangsdatum van de overeenkomst met een half jaar uit te stellen. Centron heeft betwist dat de ingangsdatum is uitgesteld. Volgens Centron is slechts afgesproken dat de factuur voor de compensatieregeling een half jaar later zou worden verzonden.

4.22. De rechtbank stelt vast dat partijen van mening verschillen over de strekking van de gemaakte afspraak. Eduniek heeft echter niet nader toegelicht of, en zoja in welk opzicht de door haar gestelde afspraak consequenties heeft voor de berekening van de compensatie voor de jaren 2011 en 2012. Behalve een cijfermatige correctie, heeft Eduniek niets ingebracht tegen de berekening door Centron. Evenmin heeft Eduniek gesteld dat de afwijkende ingangsdatum meebrengt dat de termijn voor het behalen van de gegarandeerde dekkingsgraad (ingevolge artikel 3.2.4 einde kalenderjaar) ook telkens een half jaar later zou liggen. De rechtbank zal daarom niet verder ingaan op de wederzijdse stellingen ten aanzien van de ingangsdatum, en volgt voor wat betreft de compensaties over 2011 en 2012 de tekst van de overeenkomst.

4.23. Nu onbetwist is dat in de eerste periode van de overeenkomst 16 scholen hebben deelgenomen aan het Nationaal Scholenonderzoek, kan de compensatie over die periode als volgt worden berekend:

(2038 × 10%) – 16 = 187 scholen × € 213,- = € 39.831,-

4.24. Zoals ter comparitie door de rechter is voorgehouden, strookt de door Centron verstuurde factuur niet met deze berekening. De raadsman van Centron heeft daarop gesteld dat de factuur de bedoeling van partijen weergeeft, nu hiertegen niet is geprotesteerd. Eduniek heeft in reactie daarop betwist dat de factuur de bedoeling van partijen weergeeft en heeft gesteld dat de tekst van de overeenkomst moet worden gevolgd. Centron heeft nagelaten nader te onderbouwen waarom de bedoeling van partijen een andere berekenwijze zou zijn dan in de overeenkomst neergelegd, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat en de voormelde berekening aanhoudt.

4.25. Niet in geschil is dat voor de berekening van de compensatie over het jaar 2011 geen aftrek van deelnemende basisscholen hoeft plaats te vinden. Centron heeft de compensatie over het jaar 2011 blijkens de factuur van 29 juni 2011 als volgt berekend:

(2038 × 15%) = 305 scholen × € 213,- = € 64.965,-

4.26. De rechtbank stelt vast dat Centron in alinea 73 van haar dagvaarding bij de berekening van deze som ten onrechte uitkomt op een bedrag van € 64.695,-. Naar aanleiding hiervan heeft Eduniek gesteld dat de vordering onder B een lager bedrag zou moeten zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is echter, gelet op de factuur die van eerstgenoemd bedrag uitgaat, sprake van een kennelijke verschrijving. Voor het overige heeft Eduniek zich tegen de berekening niet verzet, zodat de rechtbank hiervan zal uitgaan.

4.27. Eduniek vordert eveneens compensatie over het jaar 2012. Nu de overeenkomst is blijven voortbestaan, is deze vordering vooralsnog niet opeisbaar. Immers, krachtens de overeenkomst heeft Eduniek nog tot het einde van het kalenderjaar om de gegarandeerde dekkingsgraad te behalen. De rechtbank is echter van oordeel dat Centron belang heeft bij haar vordering, nu mede gezien de huidige verhoudingen tussen partijen niet aannemelijk is dat Eduniek de gegarandeerde dekkingsgraad over 2012 nog zal behalen. Om die reden zal de rechtbank ten aanzien van dit onderdeel van de vordering een veroordeling uitspreken onder de voorwaarden en tijdsbepaling zoals die volgen uit artikel 3.2.4 van de overeenkomst (hiervoor onder 2.6 weergegeven).

4.28. De rechtbank constateert dat Centron de gefactureerde bedragen aan compensatie heeft verhoogd met 19% BTW. Centron heeft echter nagelaten hiervoor een grondslag te stellen. De rechtbank acht een toereikende grondslag niet aanwezig. De tekst van de overeenkomst biedt hiervoor geen ondersteuning. Verschuldigdheid door Eduniek van BTW over de in rekening gebrachte compensatie ligt ook niet voor de hand, nu niet valt in te zien welke belaste prestatie in het geding is. De rechtbank zal om deze reden geen BTW in de veroordeling opnemen.

4.29. De gevorderde handelsrente over het onder I. gevorderde bedrag, zal worden toegewezen als verzocht. Voor wat betreft de compensatie over het jaar 2011, stelt de rechtbank vast dat deze op 19 juli 2011 – de gevorderde ingangsdatum – nog niet opeisbaar was. Nu de factuur op zijn vroegst op 1 januari 2012 verstuurd had kunnen worden en Centron een betalingstermijn van 14 dagen hanteert zal de handelsrente worden toegewezen vanaf 15 januari 2012. Voor wat betreft de compensatie over het jaar 2012 zal de wettelijke handelsrente worden toegewezen vanaf 15 januari 2013.

4.30. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal worden afgewezen. Centron heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan Centron vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

4.31. Centron heeft daarnaast vergoeding gevorderd van de schade die zij lijdt doordat Eduniek het onderzoek niet aan het voortgezet onderwijs heeft aangeboden. Met Eduniek is de rechtbank van oordeel dat Centron deze vordering onvoldoende heeft onderbouwd. Centron heeft immers nagelaten te stellen op basis waarvan Eduniek verplicht was het onderzoek aan het voortgezet onderwijs aan te bieden. De vordering zal worden afgewezen.

4.32. Uit het voorgaande volgt reeds dat de vorderingen in reconventie van Eduniek niet voor toewijzing vatbaar zijn. Immers, nu Centron niet in verzuim is geraakt, heeft Eduniek de overeenkomst niet rechtsgeldig ontbonden en kan evenmin een recht op schadevergoeding zijn ontstaan.

4.33. Bij deze uitkomst van de procedure wordt Eduniek als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Centron, zowel in conventie als in reconventie. De kosten aan de zijde van Centron in conventie worden begroot op:

- dagvaarding € 76,31

- griffierecht 3.529,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 6.447,31

De kosten aan de zijde van Centron in reconventie worden begroot op:

- salaris advocaat 710,50 (0,5 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 710,50

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt Eduniek tot betaling aan Centron van € 39.831,-, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 12 december 2011 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt Eduniek tot betaling aan Centron van € 64.965,-, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 15 januari 2012 tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt Eduniek tot betaling aan Centron van een geldbedrag opeisbaar vanaf 1 januari 2013 en onder de voorwaarde dat Eduniek uiterlijk op 31 december 2012 er niet in is geslaagd minimaal 407 basisscholen in haar werkgebied te laten deelnemen aan het Nationaal Scholenonderzoek, welk geldbedrag zich als volgt laat berekenen:

407 minus het aantal scholen dat zich in 2012 heeft aangemeld voor deelname, de uitkomst daarvan te vermenigvuldigen met een bedrag van € 213,-,

bij niet betaling te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 15 januari 2013 tot de dag van volledige betaling,

5.4. veroordeelt Eduniek in de proceskosten, aan de zijde van Centron tot op heden begroot op € 6.447,31,

5.5. verklaart dit vonnis in conventie voor wat betreft de veroordelingen onder 5.1. tot en met 5.4. uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie

5.7. wijst de vorderingen af,

5.8. veroordeelt Eduniek in de proceskosten, aan de zijde van Centron tot op heden begroot op € 710,50,-,

5.9. verklaart dit vonnis in reconventie voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2012.?