Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY2016

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
01-11-2012
Zaaknummer
13.706.369-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering. Verzoek in de uitvaardigende lidstaat tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf: afwijzing van het verzoek tot schorsing van het onderzoek in afwachting van de uitkomst van die procedure, omdat niet onderbouwd is dat de rechter in de uitvaardigende lidstaat het verzoek daadwerkelijk in behandeling heeft genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.706.369-12

RK nummer: 12/4531

Datum uitspraak: 28 augustus 2012

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 juni 2012 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 5 april 2012 door de Arrondissementsrechtbank te Warschau [Sad Okregowy w Warszawie], VIIIe Afdeling Strafzaken (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren op [1981] te [plaats] (Polen),

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvend op het adres [adres], [postcode] te [plaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 14 augustus 2012. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R.O.Bosman. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman mr. G.L.D. Thomas, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd, omdat zij er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis bij verstek van de Districtsrechtbank voor Warschau Sródmiescie te Warschau van 2 januari 2012, dossiernummer V K 147/11.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog elf maanden en 29 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 van de OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dat vonnis heeft geleid en terwijl zich geen van de in artikel 12, aanhef en onder a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Op grond van artikel 12, aanhef en onder d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld (i) dat het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en (ii) dat hij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende EAB.

De bijlage bij het faxbericht van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 27 juli 2012 houdt onder meer in:

e. this person was not served the summons in person, but:

– the judgment shall be delivered to the person in person immediately after being surrendered

AND

– following the judgment serving the person will be clearly instructed upon his/her right for case recognition again or upon lodging an appeal, where he/she is entitled to participate and which allow re-recognition of the case in merits and considering new evidence, and which may provide for the reversal or a change of the original decision

AND

– the person concerned will be informed about the date when he/she needs to apply for the further re-recognition of the case or to lodge an appeal, that is 30 days.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, aanhef en onder d, OLW en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond dan ook niet van toepassing.

4. Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, onder a, 2e van de OLW gestelde eisen.

De rechtbank stelt vast dat het feit waarvoor overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van Polen als naar Nederlands recht strafbaar is en dat op dit feit in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

diefstal.

5. Verzoek om aanhouding van de behandeling van het EAB

De raadsman heeft om aanhouding van de behandeling van het EAB verzocht. Onder overlegging van een aantal producties, heeft hij daartoe het volgende aangevoerd.

De opgeëiste persoon heeft contact gezocht met een advocaat in Polen. Deze heeft in Polen een procedure tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf aanhangig gemaakt, zoals blijkt uit - de niet vertaalde - productie 1. De Poolse advocaat heeft het dossier al opgevraagd. Hij zal ook het gegarandeerde rechtsmiddel van “verzet” entameren.

De opgeëiste persoon heeft er alle belang bij om de uitkomst van die procedures in Nederland af te wachten, te meer omdat het feit waarvoor hij is veroordeeld, te weten de diefstal van een jas ter waarde van € 200,-- , een “bagatel”-delict is. Overlevering zou dan ook disproportioneel zijn. Bovendien lijdt de opgeëiste persoon ernstig onder de onzekerheid en de spanning die de overleveringsprocedure meebrengt, zoals blijkt uit doktersverklaringen (producties 2 en 3). Tenslotte heeft de raadsman erop gewezen dat de opgeëiste persoon onlangs in het huwelijk is getreden, zoals blijkt uit productie 4, dat zijn echtgenote zwanger is en dat zij afhankelijk is van het inkomen dat de opgeëiste persoon genereert.

Desgevraagd heeft de raadsman meegedeeld dat hem geen datum bekend is waarop de Poolse rechtbank het verzoek zal behandelen en dat hij met betrekking tot het verzoek alleen beschikt over een stuk van de Poolse advocaat.

De officier van justitie heeft zich verzet tegen inwilliging van het verzoek. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de enkele omstandigheid dat de Poolse advocaat een verzoek heeft ingediend naar haar mening onvoldoende is om aan te nemen dat de Poolse rechtbank het verzoek zo zal beoordelen dat het EAB zal worden ingetrokken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het verzoek om aanhouding van de behandeling van het EAB is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd, nu de raadsman geen stukken van de Poolse rechtbank

heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij het verzoek daadwerkelijk in behandeling heeft genomen. In de enkele omstandigheid dat een Poolse advocaat namens de opgeëiste persoon een verzoek om opschorting van de vrijheidsstraf heeft ingediend, ziet de rechtbank geen aanleiding de behandeling van het EAB aan te houden.

Hetgeen de raadsman voor het overige heeft aangevoerd kan noch afzonderlijk noch tezamen tot aanhouding van de behandeling van het EAB - of tot weigering van de overlevering - leiden.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van (on)evenredigheid moet men onderscheid maken tussen de zogenoemde “stelselevenredigheid” van de OLW en de evenredigheid bij de uitvaardiging van een EAB in een concreet geval (zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 23 augustus 2011, LJN BR5804 en Rb. Amsterdam 3 januari 2012, LJN BV1112). Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaan dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken. Dat neemt niet weg dat de concrete toepassing van de OLW, te weten de uitvaardiging van een EAB, onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Een beroep op de onevenredigheid van een EAB kan echter slechts onder bijzondere omstandigheden slagen. Van zulke bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet gebleken.

Het beroep op de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon komt in wezen neer op een beroep op redenen van humanitaire aard. Redenen van humanitaire aard leveren geen grond tot weigering van de overlevering op (zie Hoge Raad 28 november 2006, NJ 2007, 487 en 489, r.o. 3.5). Het is aan de officier van justitie voorbehouden om, nadat de rechtbank de overlevering heeft toegestaan, te beoordelen of de aangevoerde omstandigheden aanleiding geven tot uitstel van de feitelijke overlevering (artikel 35, derde lid, OLW).

De rechtbank wijst het verzoek dan ook af.

6. Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder d, OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

8. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Arrondissementsrechtbank te Warschau [Sad Okregowy w Warszawie], VIIIe Afdeling Strafzaken (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. W.H. van Benthem, voorzitter,

mrs. C.W. Inden en P. Rodenburg, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 28 augustus 2012.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

A