Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY2010

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-08-2012
Datum publicatie
01-11-2012
Zaaknummer
13.706.438-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering. Dubbele strafbaarheid van conspiracy inzake hulp bij illegaal verblijf. Het bestanddeel “uit winstbejag” a.b.i. art. 197a, tweede lid, Sr kan worden afgeleid uit hetgeen de algemene ervaringsregels omtrent het oogmerk van zulke conspiracies leren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.706.438-12

RK nummer: 12/3838

Datum uitspraak: 14 augustus 2012

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 mei 2012 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 19 april 2012 door the Westminster Magistrates’ Court (Groot-Brittanië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [plaats] (Nederlandse Antillen) op [1974],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres 1], [postcode] te [plaats] en verblijvend op het adres [adres 2] te [plaats];

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 31 juli 2012. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R.O. Bosman. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door haar raadsman, mr. D.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat het voor de rechtbank niet mogelijk is gebleken binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest warrant issued by CROYDON Magistrates’ Court on 17th February 2012 pursuant to s.1 Magistrates’ Court Act 1980.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan een naar het recht van Groot-Brittannië strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB, zoals nader toegelicht bij faxbericht van 12 juli 2012. Door de griffier gewaarmerkte fotokopieën van dit onderdeel en van dit faxbericht zijn als bijlagen aan deze uitspraak gehecht.

4. Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 13, te weten:

hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Groot-Brittannië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Haar overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo zij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, zij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) zal kunnen worden omgezet.

Het Home Office heeft de volgende garantie gegeven:

EXTRADITION FROM THE NETHERLANDS OF DOANNE GRACITA SPANNER (BORN 14 OCTOBER 1974)

You have asked for an assurance that, should [opgeëiste persoon] receive a custodial sentence in a UK court following her extradition here, she will be transferred back to the Netherlands to serve this sentence there. I understand that Dutch law requires that you must be allowed to adapt any sentence passed on the person involved according to the procedure for adaptation, laid down in section 11 of the Convention on the Transfer of Sentenced Persons of 21 March 1983 (“the 1983 Convention”).

The UK authorities, therefore, hereby give the following undertaking under the Convention on the Transfer of Sentenced Persons of 21 March 1983: - in the event that [opgeëiste persoon] is extradited to the United Kingdom and a prison sentence is imposed on her in the United Kingdom then, if the terms of Article 3 of the 1983 Convention (including the condition that [opgeëiste persoon] must consent) and any other relevant terms of that Convention are met, the United Kingdom will, following that transfer, allow the sentence to be adapted by the Netherlands according to the procedure laid down in the 1983 Convention.

(…)

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e, VOGP volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert. Aan deze voorwaarde is voldaan.

Naar Nederlands recht is hulp bij illegaal verblijf strafbaar gesteld in artikel 197a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Hij die een ander uit winstbejag behulpzaam is bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland (…), terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Uit de omschrijving in rubriek e) van het EAB blijkt niet met zoveel woorden dat de opgeëiste persoon “uit winstbejag” zou hebben gehandeld. Uit die omschrijving volgt echter wel dat de Britse autoriteiten de opgeëiste persoon ervan verdenken te hebben deelgenomen aan een conspiracy die tot doel had onderdanen van niet EU-lidstaten wederrechtelijk verblijf in Groot-Brittannië te verschaffen door middel van het aangaan van schijnhuwelijken met onderdanen van lidstaten van de Europese Unie. Een dergelijke conspiracy veronderstelt een hoge mate van organisatie. Naar algemene ervaringsregels hebben zulke georganiseerde samenzweringen een financieel oogmerk, althans niet een louter onbaatzuchtig oogmerk. Het bestanddeel “uit winstbejag” kan aldus uit de omschrijving van de feiten worden afgeleid.

Het onder 4.1 bedoelde feit is naar Nederlands recht strafbaar en levert op:

een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op een strafbare feit dat geacht wordt gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor dit feit.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

- het gaat niet om feiten die in Nederland niet strafbaar zouden zijn en/of die in Nederland niet vervolgd plegen te worden;

- de medeverdachten worden al in het Verenigd Koninkrijk vervolgd, namelijk [A] en [B];

- de rechtsorde in het Verenigd Koninkrijk is rechtstreeks aangetast;

- het strafrechtelijk onderzoek is in het Verenigd Koninkrijk aangevangen.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Britse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen.

7. Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8. Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 van de Overleveringswet.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Westminster Magistrates’ Court (Groot-Brittanië) ten behoeve van het in Groot-Brittannië tegen haar gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor haar overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. J.H.J. Evers, voorzit¬ter,

mrs. J.W. Vriethoff en B. Poelert, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 14 augustus 2012.

De jongste rechter en de oudste rechter zijn buiten staat de uitspraak te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

C