Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY1899

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-09-2012
Datum publicatie
01-11-2012
Zaaknummer
11.306
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Het is aan de rechter om de orde van de zitting te bepalen. De rechter heeft het procesreglement op de gebruikelijke wijze toegepast en niet gebleken is dat verzoekers hierdoor op enigerlei wijze in een rechtens te respecteren belang zijn geschaad. Het is dan ook geen grond tot wraking dat de rechter niet eerst de ‘voorvragen’ van verzoekers heeft willen behandelen op de zitting. Eveneens is het toegestaan dat de rechter verzoekster heeft gevraagd om haar mond te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking op het op de terechtzitting van 14 september 2011 gedane en onder rekestnummer 11.306 ingeschreven ver¬zoek tot wra¬king van:

[ ] en [ ],

wonende te [ ],

verzoekers,

gemachtigde: [ ],

welk verzoek strekt tot wraking van mr. [ ], kinderrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

? de schriftelijke uitwerking van het wrakingsverzoek ingediend op 14 september 2011,

? het proces-verbaal van de zitting d.d. 14 september 2011,

? de pleitnota van verzoekers.

De rechter heeft medegedeeld niet in de wraking te berusten. Het verzoek is behandeld ter te¬recht¬zit¬ting van 18 november 2011 waar de rechtbank verzoekster, de gemachtigde en de rechter heeft gehoord. Bij aanvang van de zitting was aanwezig [ ], tolk in de Russische taal. Zij is heengezonden omdat klaagster aan een tolk geen behoefte had.

De uitspraak is bepaald op 2 december 2011.

1. Gronden van de beslissing

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

a) Op 14 september 2011 is de rechter overgegaan tot de behandeling van een door de Raad voor de Kinderbescherming met betrekking tot de minderjarige dochter van verzoekers ingediend verzoek tot ondertoezichtstelling.

b) Volgens het proces-verbaal heeft verzoekster na aanvang van de zitting ver-klaard nadat de Raad heeft getracht het verzoek toe te lichten: “Ik wil dit nu stoppen. De Raad moet hier niet aanwezig zijn. Weet u, als u de stand van za-ken wilt bespreken, dan hoeft die organisatie hier niet te zijn.” Nadat de rech-ter had toegelicht hoe de procedure op de zitting was, heeft verzoekster ver-klaard: “Ik stel iets anders voor. Ik wil eerst mijn verweerschrift bespreken. Ik wil dat de voorvragen worden beantwoord.” Nadat de rechter verzoekers heeft voorgehouden dat tijdens de zitting het procesreglement word gevolgd, heeft verzoekster verklaard: “Zo kan ik niet werken. Worden de andere aan-wezigen nu uit de zaal verwijderd? Gaat u nu de voorvragen eerst beant-woorden? Waarom krijgen zij eerst het woord?” Verzoekers hebben vervol-gens de zittingzaal verlaten, waarbij verzoekster opmerkte dat zij een wra-kingsprocedure zou starten. De rechter heeft vervolgens de zitting voortgezet, de Raad gehoord en de ondertoezichtstelling uitgesproken met ingang van 14 september 2011 tot 7 mei 2012.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

2.1 Het verzoek tot wraking, zoals ter zitting nog door verzoekers nader toegelicht en aangevuld, is gebaseerd op de navolgende zakelijk weergegeven gronden, die volgens verzoekers in samenhang moeten worden bezien.

2.2 De rechter heeft zich objectief partijdig getoond doordat hij heeft geweigerd om op een aantal door klaagster in haar verweerschrift tegen het verzoek van de Raad aan de orde gestelde (voor)vragen in te gaan dan wel daar tijdens de zitting een beslissing over te nemen. Deze voorvragen hebben betrekking op de incompleetheid van het dossier, het ontbreken van een indicatiebesluit voor de ondertoezichtstelling, het ontbreken van de aanvraag van de Raad van dat besluit, het ontbreken van het contactjournaal en het ontbreken van ondertekende informantenverklaringen. De rechter wilde de zitting voortzetten zonder eerst op de voorvragen in te gaan. Volgens verzoekers is dat een onjuiste gang van zaken.

2.3 De rechter heeft zich voorts agressief geuit jegens verzoekster en de tolk, onder meer doordat hij tegen verzoekster heeft gezegd “ hou je mond dicht”.

3. Het verweer van de rechter

3.1 De rechter heeft aangevoerd dat de aangevoerde gronden niet tot wraking kunnen leiden. Hij heeft niet de schijn van partijdigheid gewekt.

3.2 Hij heeft de zaak op de gebruikelijke wijze behandeld. Omdat verzoekster echter maar bleef interrumperen, heeft hij aan de tolk gevraagd of verzoekster haar mond kon houden. Het was onmogelijk om een gesprek met haar te voeren. Bij de behandeling van een verzoek tot ondertoezichtstelling is het echter bijzonder belangrijk dat, mede in het belang van de minderjarige, een dergelijk verzoek met spoed wordt behandeld.

4. De beoordeling van het verzoek

4.1 Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek tijdig, want nog op de zitting voordat de ondertoezichtstelling was uitgesproken, gedaan.

4.2 Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uit-zonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoekers dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaar-digd is. Aan de hand van deze maatstaf zal de rechtbank het verzoek beoordelen.

4.3 De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve criterium en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een specifieke rechter dat de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of onafhankelijk van het gedrag van een specifieke rechter, vastgesteld moet worden dat er sprake is van een bij verzoeker objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij deze rechter ontbreekt.

4.4 Naar het oordeel van de rechtbank leveren de door verzoekers genoemde omstandigheden, op zichzelf beschouwd noch in onderling verband bezien een grond op voor de vrees dat de rechter in dit geval de schijn van partijdigheid op zich heeft geladen. Evenmin blijkt uit de gestelde feiten de aanwezigheid van de schijn van partijdigheid.

4.5 Het feit dat de rechter de “voorvragen” van verzoekers niet heeft behandeld alvorens de Raad voor de Kinderbescherming het woord te geven, is geen grond voor wraking. Het is aan de rechter de orde van de zitting van de zitting te bepalen, de rechter heeft het Procesreglement op de gebruikelijke wijze toegepast en niet is gebleken dat verzoekers hierdoor op enigerlei wijze in een rechtens te respecteren belang zijn geschaad.

4.6 Er was geen aanleiding het verzoek buiten de aanwezigheid van de Raad te behandelen. Dat is ook niet gebruikelijk. Uitgangspunt is juist dat alle partijen aanwezig zijn en kennis kunnen nemen van elkaars standpunten, zeker bij de behandeling van een verzoek tot ondertoezichtstelling. Het getuigt dan ook niet van partijdigheid dat de rechter zich op dat reglement heeft beroepen.

4.7 Dat de rechter verzoekster, nadat zij een aantal malen de door de rechter aangegeven orde had verstoord, heeft gevraagd om haar mond te houden, is toegestaan. Dat is onder de gegeven omstandigheden een redelijk verzoek. Dat paste in een ordelijk verloop van de zitting. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de rechter de visie van verzoekster niet wilde horen

5. Nu feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn gesteld noch gebleken, dient het wrakingsverzoek als ongegrond te worden afgewezen.

6. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING:

De rechtbank:

? wijst het wrakingsverzoek af.

Aldus gegeven door mrs. F.G. Bauduin, R.H. de Vries en M.A.H. van Dalen-van Bekkum, leden van genoemde kamer, en uitge¬spro¬ken ter open¬bare terecht¬zitting van 2 december 2011 in tegen¬woor¬dig¬heid van de grif¬fier.

Tegen de beslissing staat ingevolge het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv geen voorziening open.