Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY1797

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
31-10-2012
Zaaknummer
13-656916-11 + 13-650585-11 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring poging doodslag. Verdache handelde uit noodweer maar deed dit disproportioneel. Hij wordt ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij handelde in situatie van noodweerexces.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/656916-11 + 13/650585-11 (Tul) (Promis)

Datum uitspraak: 5 september 2012

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1984],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het

adres [adres], [postcode] [plaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 augustus 2012, 28 februari 2012 en 1 december 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. W.J. de Graaf en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouwe, mr. M.H. Aalmoes, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging op de zitting van 22 augustus 2012 - ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 28 augustus 2011 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [A]van het leven te beroven, met dat opzet die [A] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in diens nek en/of (linker)arm heeft gestoken en/of gesneden;

(artikel 287 jo 45 Wetboek van strafrecht)

Subsidiair:

hij op of omstreeks 28 augustus 2011 te Amsterdam aan [A] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten steek en/of snijwonden in de nek en/of de (linkerarm) en/of een slagaderlijke bloeding en/of zenuwletsel, heeft toegebracht, door voornoemde [A] met dat opzet in de nek en/of de (linker)arm te steken en/of te snijden;

(artikel 302 Wetboek van strafrecht)

Meer subsidiair:

hij op of omstreeks 28 augustus 2011 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [A] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [A] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in diens nek en/of (linker)arm heeft gestoken en/of gesneden.

(artikel 302 jo 45 Wetboek van strafrecht)

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie stelt zich, onder verwijzing naar zijn requisitoir - verkort weergegeven - op het standpunt dat uit de aangifte van [A], diverse getuigenverklaringen en de verklaring van verdachte blijkt dat verdachte enkele malen met een mes in zijn hand heeft geslagen in de richting van [A]. Het slachtoffer heeft door het handelen van verdachte flinke verwondingen aan zijn linkerarm en nek overgehouden, die resulteerden in een beschadiging van een slagader en zenuw in de arm. De vraag is of dit letsel ooit helemaal zal genezen. Verdachte heeft door aldus te handelen de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer door zijn gedragingen zou komen te overlijden. De officier van justitie baseert zich daarbij onder meer op jurisprudentie (Gerechtshof Den Bosch (LJN: BB 2789) en Hoge Raad (LJN: BC 5982)) en acht de poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe stelt zich - zakelijk weergegeven - op het standpunt dat verdachte niet de bedoeling heeft gehad het slachtoffer te steken. Vaststaat dat een situatie ontstond waarin werd getrokken en geduwd. Verdachte wist dat hij een aardappelmesje van zijn werk in zijn tas had. Op het moment dat [A] op hem afkwam dacht verdachte ervoor te moeten zorgen dat het mes niet in de handen van [A] zou belanden. Dit is de reden waarom verdachte het mes uit zijn tas heeft gehaald. De raadsvrouwe bepleit dat verdachte is geslagen door [A] en vervolgens het opzet heeft gehad om terug te slaan. Verdachte is zich echter op geen enkel moment bewust geweest van de omstandigheid dat hij het mes in zijn hand had en heeft niet de bedoeling gehad [A] met dit mes te slaan. Zij bepleit dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het overlijden van aangever tengevolge van zijn handelen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.i

Op 28 augustus 2011 omstreeks 05.45 uur staan verdachte en [A] (hierna: [A]) in een snackbar. Verdachte en Möller Costa hebben woorden.ii Verdachte verlaat de snackbar.iii [A] loopt buiten naar verdachte toe.iv Verdachte pakt een mes uit zijn tas.v Verdachte maakt meerdere slaande bewegingen in de richting van [A].vi Verdachte haalt uit met zijn rechterarm.vii Hij heeft het mes in zijn rechthand.viii Voornoemde [A] heeft een diepe steekwond in zijn linkerarm en aan de linkerzijde van zijn nek een kleine snede.ix

Nadere bewijsoverweging

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouwe en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte heeft met het mes slaande bewegingen gemaakt in de richting van het bovenlichaam van [A]. Hij heeft daarbij [A] in zijn nek geraakt en in zijn linkerarm bij één van zijn slagaders. Slagaders vormen een vitaal onderdeel van het lichaam. Door meerdere malen met een mes met kracht in het bovenlichaam te steken, bestaat, naar algemene ervaringsregels, een aanmerkelijke kans dat die persoon letsel oploopt waarvan zijn dood het gevolg kan zijn. De aanmerkelijke kans bestond derhalve dat [A] zou komen te overlijden ten gevolge van het handelen door verdachte. Daaruit volgt dat bij verdachte in ieder geval sprake is geweest van voorwaardelijk opzet gericht op de dood van [A]. De omstandigheid dat geen sprake is van een dodelijke afloop is een gelukkige omstandigheid te noemen, die echter geenszins aan de verdachte te danken is.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3. vervatte bewijsmiddelen bewezen

* Het primair ten laste gelegde, te weten dat verdachte:

op 28 augustus 2011 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [A] van het leven te beroven, met dat opzet die [A] met een mes in diens nek en linkerarm heeft gestoken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit en van de verdachte

6.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat een beroep op noodweer niet kan slagen. Er was geen sprake van een noodweersituatie. Hij wijst er in dit verband op dat [A] buiten op verdachte afliep en dat vervolgens duw- en trekwerk ontstond. Daar is het van de zijde van aangever bij gebleven. Niet aannemelijk is geworden dat er geen andere uitweg was voor verdachte dan zich te verdedigen, nu de mogelijkheid bestond om zich aan de onmiddellijke en wederrechtelijke aanranding door [A] te onttrekken door bijvoorbeeld hulp te roepen of weg te rennen.

Indien de rechtbank oordeelt dat sprake was van een noodweersituatie, acht de officier van justitie de reactie van verdachte niet noodzakelijk ter verdediging. Het handelen van verdachte is niet proportioneel, nu hij meerdere malen heeft uitgehaald met een mes en [A] hiermee zwaar heeft verwond. Er was geen enkele reden voor verdachte om over te gaan tot dergelijk fors geweld. Verdachte komt een beroep op noodweer niet toe, aangezien de verdediging disproportioneel was en de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden.

Van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de aanranding die deze overschrijding zou hebben veroorzaakt, is volgens de officier van justitie geen sprake. Het dossier biedt volgens hem zelfs aanknopingspunten dat verdachte zeer rustig was tijdens zijn handelen. Verdachte heeft verklaard zich bewust te zijn geweest van de politie en de andere mensen op straat ten tijde van het ten laste gelegde. Bovendien heeft hij nagedacht over met welke hand hij niet wilde slaan vanwege het eventueel beschadigen van zijn DVD-speler en over de omstandigheid dat hij het mes uit zijn tas moest pakken voordat [A] het in handen zou krijgen. Een beroep op noodweerexces door verdachte kan derhalve niet slagen.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe stelt zich op het standpunt dat verdachte handelde uit noodweer en ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. Het slaan met het mes was geboden ter noodzakelijke verdediging van het eigen lijf tegen de ogenblikkelijke en wederechtelijke aanranding door [A]. Verdachte heeft verklaard dat hij zich bedreigd voelde op het moment dat [A] voor de tweede keer de confrontatie met hem zocht. Verdachte had geen mogelijkheid om zich te onttrekken aan de aanranding.

Indien de rechtbank van oordeel is dat het gebruikte geweld niet proportioneel is, wordt een beroep op noodweerexces gedaan. Verdachte dient volgens de raadsvrouwe op die grond ontslagen te worden van alle rechtsvervolging. Zij voert daartoe aan dat uit het dossier en het Pro Justitia rapport blijkt dat verdachte zich zeer bedreigd voelde ten tijde van de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Het was [A] die tot tweemaal toe de confrontatie met verdachte heeft gezocht. In de snackbar sprak hij verdachte aan en buiten zocht hij verdachte onmiddellijk opnieuw op. De raadsvrouwe benadrukt dat het van belang is dat de persoonlijkheid en de belevingswereld van verdachte niet vergeleken kunnen worden met een willekeurige ander die wellicht op een passender manier had gereageerd op de aanval van [A]. Daarbij merkt zij voorts op dat verdachte nog heeft geroepen dat [A] hem los moest laten. Deze lezing wordt bevestigd door twee getuigenverklaringen. Nu [A] hem niet los heeft willen laten en constant op zijn huid bleef zitten, is vervolgens het kookpunt bij verdachte bereikt. Verdachte is mede door zijn psychische gesteldheid en de aanhoudende confrontatie in een hevige gemoedstoestand terechtgekomen en heeft vervolgens op een dergelijke manier gehandeld.

6.3. Het standpunt van de rechtbank

6.3.1. De rechtbank heeft hiervoor onder 4.3 vastgesteld dat verdachte op 28 augustus 2011 [A] in zijn linkerarm en in zijn nek heeft gestoken met een mes. Uit de verschillende verklaringen blijkt dat [A] al in de snackbar de confrontatie opzocht met verdachte door hem zonder enige aanleiding uitdagend aan te spreken. [A] bevond zich in het gezelschap van een andere jongen. Verdachte werd vervolgens door de portier de snackbar uitgezet. Na enkele minuten liepen ook [A] en de andere jongen de snackbar uit. [A] zocht ook buiten weer de confrontatie op met verdachte, pakte hem vast en duwde hem enkele meters voor zich uit. Verdachte liep achteruit. Getuigen hoorden verdachte roepen: "laat me los, laat me los".

De rechtbank concludeert dat het [A] is geweest die de confrontatie met verdachte (herhaaldelijk) zocht zonder dat verdachte daarvan gediend was. Ook buiten het café doet [A] dit weer en staat een vriend van hem in de buurt. Het is [A] geweest die verdachte aanviel waarna tussen hen een vechtpartij ontstond.

Uit de genoemde omstandigheden leidt de rechtbank af dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, en wel een zodanig aanranding, dat verdachte gerechtigd was zich hiertegen te verdedigen. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich op dat moment aan het ontstane gevecht heeft kunnen onttrekken. Voor zover hij die mogelijkheid al heeft gehad, kon en hoefde van hem niet worden verwacht hiertoe over te gaan. De rechtbank houdt daarbij rekening met de omstandigheid dat een en ander zich in een kort tijdsbestek heeft afgespeeld en dat verdachte niet hoefde te verwachten dat hij buiten het café weer door [A] zou worden lastig- en uiteindelijk aangevallen.

6.3.2. De aanval waaraan verdachte is blootgesteld, was hevig. Echter, de rechtbank acht de verdediging door verdachte disproportioneel. Verdachte heeft het aardappelschilmes, dat hij voor zijn werk gebruikt, uit zijn tas gepakt, kennelijk om dit mes te gebruiken. Weliswaar heeft [A] tot tweemaal toe de confrontatie met verdachte opgezocht, verdachte ging te ver op het moment dat hij [A] met dit mes in zijn hand heeft geslagen. Het door verdachte aangewende geweld stond niet in redelijke verhouding tot het voor hem te duchten gevaar, nu [A] verdachte ongewapend tegemoet trad. Ook heeft verdachte de grens van de subsidiariteit overschreden. Er stonden voor verdachte immers ook andere, minder ingrijpende verdedigingsmiddelen open.

6.3.3. De grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn derhalve overschreden. Het primair bewezen geachte feit is volgens de wet dan ook strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.3.4. De rechtbank is echter van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden als onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte, veroorzaakt door de daaraan voorafgaande gebeurtenissen in de snackbar en de wederrechtelijke aanranding op straat. Uit de door verdachte afgelegde verklaring ter terechtzitting acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte erg bang was toen [A] hem buiten de snackbar aanviel en dat hij niet durfde weg te rennen, nu hij vreesde dat [A] opnieuw achter hem aan zou komen, misschien zelfs met (een of meerdere van) zijn vrienden.

Verdachte voelde zich op het moment dat [A] hem vast had, wegduwde en probeerde te slaan dusdanig in het nauw gedreven dat hij niet meer wist hoe hij deze aanval af moest wenden. Nadat hij een mes uit zijn tas had gepakt, haalde hij met het mes in zijn hand uit naar [A].

Bij de afweging of verdachte een beroep op noodweerexces toekomt oordeelt de rechtbank dat bovenstaande omstandigheden gezien moeten worden mede in het licht van de psychische gesteldheid van verdachte. Uit het Pro Justitia rapport van 22 mei 2012 blijkt dat verdachte ten tijde van zijn handelen enigszins verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd en niet in staat is in confronterende situaties te reageren zoals dat van hem wordt verwacht. De psycholoog beschrijft in voornoemd rapport de belevingswereld van een verwaarloosde jongeman bij wie de persoonlijkheid zich kenmerkt door narcistische en antisociale problematiek, die gevoelens van onmacht, angst en kleinheid omzet in macht en kracht. De combinatie van de intensiteit van de gemoedsbeweging en de voorafgaande wederrechtelijke aanranding heeft ertoe geleid dat verdachte, zonder dat sprake was van berekendheid of rationaliteit, het slachtoffer heeft gestoken. Aldus de psycholoog.

6.3.5. Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte weliswaar de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden maar dat deze overschrijding een onmiddellijk gevolg is geweest van een bij verdachte ontstane hevige gemoedsbeweging.

Daarbij heeft de rechtbank niet alleen rekening gehouden met de omstandigheden in de snackbar en daarna, waarbij [A] verdachte herhaaldelijk heeft benaderd en uiteindelijk aangevallen, maar ook met de psychische gesteldheid van verdachte zoals is gebleken uit de over hem opgemaakte Pro Justitia rapportage. Het beroep op noodweerexces slaagt derhalve, zodat verdachte niet strafbaar is en hij zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 19 december 2011 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/650585-11, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis

d.d. 20 april 2011 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, geheel voorwaardelijk, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of niet heeft gehouden aan de gestelde bijzondere voorwaarden.

Tevens blijkt uit de stukken dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, aan verdachte is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.

De rechtbank ziet echter geen aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten, nu verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. De vordering tot tenuitvoerlegging wordt daarom afgewezen.

7. De vordering van de benadeelde partij

Nu aan verdachte - zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - geen straf of maatregel wordt opgelegd, is [A] in zijn vordering niet-ontvankelijk.

8. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het primair bewezen verklaarde:

Poging tot doodslag.

Verklaart het primair bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], ter zake van het primair bewezene niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Wijst af de tenuitvoerlegging van de bij voornoemd vonnis d.d. 20 april 2011 opgelegde voorwaardelijke straf.

Verklaart [A]niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. C.S. Schoorl en M.R. Jöbsis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. van de Venn, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 september 2012.

i Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii Een proces-verbaal van verhoor getuige van 28 augustus 2011 met nummer 2011219975-7, opgesteld door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1], p. 39, een proces-verbaal van bevindingen van 28 augustus 2011 met nummer 2011219975-13, opgesteld door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] en [opsporingsambtenaar 3], p. 10 en een proces-verbaal van aangifte van 29 augustus 2011 met nummer 2011219975-1, opgesteld door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 4] en [opsporingsambtenaar 5], p. 7-8.

iii P. 8, (registratienummer 2011219975-1).

iv Een proces-verbaal van verhoor getuige van 28 augustus 2011 met nummer 2011219975-8, opgesteld door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 6], p. 42 en p. 39 (inzake registratienummer 2011219975-7).

v Het proces-verbaal ter terechtzitting van 22 augustus 2012.

vi P. 42 (inzake registratienummer 2011219975-8).

vii P. 8 (inzake registratienummer 2011219975-1) en p. 39 (inzake registratienummer 2011219975-7).

viii P. 39 (inzake registratienummer 2011219975-7).

ix Een proces-verbaal van bevindingen van 28 augustus 2011 met nummer 2011219975-11, opgesteld door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 7], p. 22.

??

??

??

??

Vonnis (Promis) inzake [verdachte]

Parketnummers: 13/656916-11 + 13/650585-11 (Tul) (Promis)

6

8