Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY1269

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-09-2012
Datum publicatie
25-10-2012
Zaaknummer
432919 / HA ZA 09-2265
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geding is geschorst op grond van artikel 29 Faillissementswet (Fw). Hoewel de in artikel 29 Fw genoemde grond voor voortzetting van het geding zich niet voordoet, is de rechtbank van oordeel dat in een geval als het onderhavige een redelijke wetsuitleg meebrengt dat indien geen verificatievergadering plaatsvindt, het geding na beëindiging van het faillissement desverzocht kan worden hervat tussen de oorspronkelijke partijen. In casu is, na de beëindiging van het faillissement, de failliet opgehouden te bestaan. Onder die omstandigheden is voortzetting van het geding tussen de oorspronkelijke partijen niet mogelijk. Volgt niet-ontvankelijkverklaring van de eisende partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/501
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 432919 / HA ZA 09-2265

Vonnis van 12 september 2012

in de zaak van

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK AMSTEL EN VECHT U.A.,

gevestigd te Amstelveen,

eiseres,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] BEHEER B.V.,

gevestigd te Amstelveen,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna Rabobank en [A] Beheer B.V. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. In deze zaak zijn bij dagvaarding van 17 juni 2009 [A] en [A] Beheer B.V gezamenlijk door Rabobank gedagvaard. De zaak jegens [A] Beheer B.V. is op grond van artikel 29 van de Faillissementswet (Fw) van rechtswege geschorst in verband met haar op 14 juli 2009 uitgesproken faillissement. In de zaak tegen [A] is op 11 mei 2011 eindvonnis gewezen.

Het verloop van de procedure blijkt verder uit:

- de dagvaarding van 17 juni 2009,

- de akte overleggen producties door Rabobank,

- de conclusie van antwoord van [A],

- het tussenvonnis van 13 januari 2010 waarbij een comparitie van partijen is gelast in de zaken tegen beide gedaagden die vervolgens niet heeft plaatsgevonden,

- de aantekening van de schorsing van de zaak tegen [A] Beheer B.V. ter rolle van 19 april 2011,

- het eindvonnis in de zaak tegen [A] van 11 mei 2011 en het verwijzen van de zaak tegen [A] Beheer B.V. naar de parkeerrol,

- het uitlaten omtrent voortzetting van het geding tegen [A] Beheer B.V. ter rolle van 4 april 2012, waarbij Rabobank en [A] hebben verzocht vonnis te wijzen.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij beschikking van 26 maart 2010 heeft de rechter-commissaris in deze rechtbank beslist dat op de voet van artikel 137a FW in het faillissement van [A] Beheer B.V. de behandeling van concurrente vorderingen achterwege blijft en geen verificatievergadering wordt gehouden.

2.2. Het eindvonnis van 11 mei 2011 in de zaak tussen Rabobank en [A] (met [A] c.s. worden bedoeld: [A] Beheer B.V. en [A]) houdt het volgende in:

2. Het geschil

2.1 Rabobank vordert veroordeling van [A], uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van:

I € 180.000,00 te vermeerderen met contractuele rente van 7,5% per jaar vanaf 17 juni 2009 tot de dag der algehele voldoening,

II € 159.674,00 te vermeerderen met contractuele rente van 8,05% per jaar vanaf 1 april 2009 tot de dag der algehele voldoening,

III de beslagkosten,

IV de kosten van het geding.

2.2 Rabobank legt het volgende aan de vordering ten grondslag. Rabobank en [A] Beheer c.s. hebben op 3 september 2008 een kredietovereenkomst gesloten, waarbij krediet

wordt verschaft ten behoeve van de damesmodezaak van [A] Beheer c.s. Op grond van

de overeenkomst is een geldlening tot een bedrag van € 200.000,--, met een jaarlijkse rente

van 7,5%, verstrekt, en voorts een krediet in rekening-courant van € 218.100,-- met een

jaarlijkse rente van 8,05%. [A] Beheer c.s. is hoofdelijk verbonden voor de

verplichtingen voortvloeiend uit de kredietovereenkomst. Bij brief van 5 maart 2009 heeft

Rabobank de kredietovereenkomst rechtsgeldig opgezegd, waardoor de openstaande

bedragen, zoals gevorderd onder I en II, direct opeisbaar zijn geworden. Rabobank heeft

conservatoir beslag doen leggen op de aandelen in [A] Beheer B.V. en op de

inventaris van de winkel, zulks op 18 respectievelijk 19 mei 2009 en met verlof van de

voorzieningenrechter van deze rechtbank.

2.3. [A] heeft haar aanvankelijk gevoerde verweer laten vallen en zich

gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3. De beoordeling

3.1. De feitelijke en juridische grondslagen van de vordering zijn kenbaar uit de stukken. Tegen de vordering is, uiteindelijk, geen verweer gevoerd. De vordering komt de rechtbank ook niet onrechtmatig voor. Een en ander leidt tot toewijzing van de vordering. De gevorderde beslagkosten zijn gelet op artikel 706 Rv toewijsbaar en worden op grond van de overgelegde beslagstukken begroot op:

€ 102,00 aan griffierecht voor het beslagrekest

€ 1.229,37 aan overige verschotten

€ 452,00 aan salaris advocaat (1 punt, tarief II)

€ 1.783,37 totaal

3.2. [A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van Rabobank tot heden begroot op:

€ 85,98 aan dagvaardingskosten

€ 4.836,00 aan griffierecht in de hoofdzaak

€ 2.000,00 aan salaris advocaat (1 punt, tarief VI)

€ 6.921,98 totaal

4. De beslissing

De rechtbank

in de zaak tegen [A]

4.1. veroordeelt [A] tot betaling aan Rabobank van € 180.000,00 (zegge: honderdtachtigduizend euro) te vermeerderen met contractuele rente van 7,5% per jaar vanaf 17 juni 2009 tot de dag der algehele voldoening,

4.2. veroordeelt [A] tot betaling aan Rabobank van € 159.674,00 (zegge: honderdnegenenvijftigduizend-en-zeshonderdvierenzeventig euro) te vermeerderen met contractuele rente van 8,05% per jaar vanaf 1 april 2009 tot de dag der algehele voldoening,

4.3. veroordeelt [A] tot betaling aan Rabobank van € 1.783,37 (zegge: éénduizend-zevenhonderddrieëntachtig euro en zevenendertig cent),

4.4. veroordeelt [A] in de kosten van het geding, aan de zijde van Rabobank tot heden begroot op € 6.921,98,

4.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

in de zaak tegen [A] BEHEER B.V.

4.6. verstaat dat het geding is geschorst.

3. Het geschil

3.1. Rabobank vordert van [A] Beheer B.V. hetzelfde als zij vorderde van [A], zoals hierboven geciteerd. [A] Beheer B.V. en [A] zijn immers hoofdelijk verbonden voor de schuld aan Rabobank, aldus Rabobank.

3.2. Tegen [A] Beheer B.V. is, nadat zij niet in het geding was verschenen, verstek verleend.

4. De beoordeling

4.1. Allereerst ligt ter beoordeling voor of de zaak tegen [A] Beheer B.V. thans kan worden voortgezet of dat de schorsing van het geding daaraan (nog steeds) in de weg staat.

Artikel 29 Fw luidt:

Voorzover tijdens de faillietverklaring aanhangige rechtsvorderingen voldoening ener verbintenis uit de boedel ten doel hebben, wordt het geding na de faillietverklaring geschorst, om alleen dan voortgezet te worden, indien de verificatie der vordering betwist wordt. In dit geval wordt hij, die de betwisting doet, in de plaats van de gefailleerde, partij in het geding.

4.2. Vast staat dat geen verificatievergadering en/of betwisting van concurrente vorderingen heeft plaatsgevonden. Blijkens mededeling van Rabobank is het faillissement per 22 oktober 2010 geëindigd door het verbindend worden van de (slot)uitdelingslijst. Hoewel aldus de in artikel 29 Fw genoemde grond voor voortzetting van het geding zich niet voordoet, is de rechtbank van oordeel dat in een geval als het onderhavige een redelijke wetsuitleg meebrengt dat indien geen verificatievergadering plaatsvindt, het geding na beëindiging van het faillissement desverzocht kan worden hervat tussen de oorspronkelijke partijen.

4.3. Vervolgens is aan de orde of het geding tegen [A] Beheer B.V. kan worden voortgezet. Ingevolge artikel 2:19 lid 1 onder c BW wordt een rechtspersoon ontbonden na faillietverklaring door hetzij opheffing van het faillissement wegens de toestand van de boedel, hetzij door insolventie. Het vierde lid van artikel 2:19 BW bepaalt vervolgens dat de rechtspersoon ophoudt te bestaan indien hij op het tijdstip van ontbinding geen baten meer heeft. Aangezien de uitdelingslijst blijkens de mededeling van Rabobank per 22 oktober 2010 verbindend is geworden, geldt ingevolge artikel 137f Fw dat van rechtswege sprake is van insolventie. Nu is gesteld noch gebleken dat na uitdeling nog (bekende) baten resteren, moet het ervoor gehouden worden dat [A] Beheer B.V. is ontbonden en bij gebreke van baten is opgehouden te bestaan. Onder die omstandigheden is voortzetting van het geding tussen de oorspronkelijke partijen niet mogelijk. De rechtbank zal Rabobank om die reden niet-ontvankelijk verklaren. Nu geen van partijen in het ongelijk is gesteld zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart Rabobank niet-ontvankelijk in haar vordering,

5.2. bepaalt dat elk van partijen de eigen kosten zal dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.W.H. Vink en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2012.?