Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY0786

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2012
Datum publicatie
22-10-2012
Zaaknummer
AWB 12-2690 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen verkeersbesluit gegrond. Verweerder komt bij het nemen van een verkeersbesluit een ruime beoordelingsmarge toe. Het is aan verweerder om alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. Verweerder heeft de bij het verkeersbesluit betrokken belangen echter niet afgewogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/2690 BESLU

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

en

het dagelijks bestuur van het Stadsdeel West van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. J.P. de Vries.

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder verplichte fietspaden ingesteld op de daartoe bestemde weggedeelten van de Admiraal de Ruijterweg te Amsterdam tussen de perceelnummers 94 en 162 en tussen perceelnummers 147 en 101.

Bij besluit van 19 april 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juli 2012. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden en standpunten van partijen

1.1. Bij besluit van 28 februari 2006 (het herprofileringsbesluit) heeft verweerder het definitieve ontwerp voor de herinrichting van de Admiraal de Ruijterweg vastgesteld. In het herprofileringsbesluit is vermeld dat de indeling van de straat zal wijzigen omdat vrijliggende fietspaden gecreëerd worden wat zal leiden tot een verbeterde verkeersveiligheid voor alle weggebruikers. In het besluit is ook vermeld dat de huidige bomen zullen worden vervangen. Aan dit besluit heeft een programma van eisen ten grondslag gelegen, waarin onder meer staat dat de aanleg van vrijliggende fietspaden de veiligheid van fietsers en voetgangers ten goede komen en zal aansluiten bij het Hoofdnet Fiets Amsterdam.

1.2. Bij uitspraak van 11 november 2009 (LJN: BK2765) heeft deze rechtbank het besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel De Baarsjes om een kapvergunning te verlenen voor dertien monumentale beeldbepalende iepen in de Admiraal de Ruijterweg vernietigd, omdat het dagelijks bestuur van het stadsdeel onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een zwaarwegend publiek belang om tot kap te kunnen overgaan. Niet is gebleken dat de herprofilering van de Admiraal de Ruijterweg uit oogpunt van verkeersveiligheid noodzakelijk is en dat de worteldruk van de bomen leidt tot een gevaarlijke situatie.

1.3. Bij het primaire besluit heeft verweerder besloten tot het verwijderen van op het wegdek aangebrachte fietssymbolen, het intrekken van de aanwijzing tot fietsstrook op de weggedeelten van de Admiraal de Ruijterweg tussen perceelnummers 94 en 162 en 47 en 101, het plaatsen van een verkeersbord G11 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990) en het instellen van een verplicht fietspad ter hoogte van de Admiraal de Ruijterweg nummers 86 en 98.

1.4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de Algemene bezwaarschriftencommissie West van 1 maart 2012, het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eisers bezwaren feitelijk gericht zijn tegen het herprofileringsbesluit, waartegen geen bezwaar en beroep openstaat. Het primaire besluit kan echter niet het onderliggende profiel wijzigen, maar alleen de verkeersdeelnemers geleiden over de daartoe in het profiel aangemaakte weggedeelten, aldus verweerder.

1.5. In beroep heeft eiser zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat het besluit om fietsstroken en fietssymbolen op te heffen leidt tot onevenredige nadelige gevolgen voor bewoners en voetgangers in verhouding tot het beoogde doel om de verkeersveiligheid te verzekeren. Door het te smalle trottoir ontstaan gevaren voor bewoners en voetgangers. Daarbij heeft eiser gesteld dat de herinrichting van de straat niet noodzakelijk is om de verkeersveiligheid te waarborgen omdat de bestaande verkeerssituatie niet onveilig is. Dit blijkt ook uit de uitspraak van 11 november 2011. Ook heeft hij betoogd dat hij wordt blootgesteld aan fijnstof en andere giftige uitstoot. Verder heeft eiser gesteld dat door extra stank en geluid op de gevels sprake is van een derving van zijn woongenot. Daarbij verdwijnt het gevoel van veiligheid rond huizen en op de stoep, terwijl sprake is van een hoger inbraak- en overvalrisico, aldus eiser.

1.6. In verweer heeft verweerder toegelicht dat het bezwaar ongegrond is verklaard omdat eisers gronden zien op de herinrichting en het verleggen van de fietspaden. De werkzaamheden voor de herprofilering zijn eind november 2011 afgerond. De door eiser genoemde gevolgen hebben betrekking op de verwachte (milieu)overlast van bromfietsen. Het feit dat het aanwijzen als verplicht fietspad faciliterend is voor het sturen van het fiets- en bromfietsverkeer over de fietspaden maakt niet dat het primaire besluit de door eiser voorziene (milieu) gevolgen zou veroorzaken, aldus verweerder. Die gevolgen komen voort uit het herprofileringsbesluit. Het intrekken van het primaire besluit kan het gerealiseerde profiel niet ongedaan maken. Het zou enkel tot gevolg hebben dat verkeersdeelnemers zich overal zouden kunnen bewegen over de weg, hetgeen vanuit de verkeersveiligheid ongewenst zou zijn.

2. Juridisch kader

2.1. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van verkeer.

Op grond van artikel 2, tweede lid, van de WVW 1994 kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

Op grond artikel 15, eerste lid, van de WVW 1994 geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

Op grond van het tweede lid geschieden maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

Op grond van artikel 20 van de WVW 1994 kan een belanghebbende tegen een verkeersbesluit tot plaatsing of verwijdering van verkeerstekens en onderborden of tot het treffen van maatregelen op of aan de weg ter regeling van het verkeer beroep instellen bij de rechtbank.

2.2. Op grond van artikel 12, eerste lid, onder a, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW), voor zover hier van belang, moet de plaatsing of verwijdering van de borden die zijn opgenomen in de hoofdstukken A tot en met G van bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, geschieden krachtens een verkeersbesluit. Een verplicht fietspad is opgenomen op bijlage 1, onder G11.

2.3. Op grond van artikel 21 van het BABW vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW 1994 genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie onder meer de uitspraak van 24 december 2002 (LJN: AF2512), is een (profiel)besluit zoals het herinrichtingsbesluit niet gericht op (extern) rechtsgevolg. Wanneer het project in de uitvoerende fase komt, kan mogelijk besluitvorming volgen die wel op (extern) rechtsgevolg gericht is en waartegen bezwaar gemaakt kan worden, zoals een verkeersbesluit of (indien nodig) een besluit tot wijziging van het bestemmingsplan. In de onderhavige situatie is met het primaire besluit een verkeersbesluit genomen, waarbij verweerder heeft besloten tot het verwijderen van op het wegdek aangebrachte fietssymbolen en het intrekken van de aanwijzing tot fietsstrook op de weggedeelten van de Admiraal de Ruijterweg tussen perceelnummers 94 en 162 en147 en 101. Verder heeft verweerder besloten een verkeersbord G11 te plaatsen en een verplicht fietspad in te stellen ter hoogte van de Admiraal de Ruijterweg nummer 86 en 98.

3.2. De rechtbank stelt vast dat de met het primaire besluit getroffen verkeersmaatregelen direct gevolgen hebben voor de verkeersbewegingen in de Admiraal de Ruijterweg. Het belang van eiser, eigenaar van een pand aan de [adres] en wonende op de derde verdieping, is naar het oordeel van de rechtbank daarmee rechtstreeks betrokken bij het verkeersbesluit.

3.3. Uit vaste jurisprudentie volgt dat een verkeersbesluit als een normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden beschouwd, waarmee een ieder kan worden geconfronteerd en waarvan de nadelige gevolgen in beginsel voor rekening van betrokkenen behoren te blijven. Verweerder komt bij het nemen van een verkeersbesluit als hier aan de orde een ruime beoordelingsmarge toe (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2011, LJN: BT6641). Het is aan verweerder om alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter zal zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit terughoudend moeten opstellen en slechts dienen te toetsen of het besluit strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel of sprake is van zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

3.4. De vraag is dan ook of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe het volgende. Eiser heeft in beroep aangevoerd, en ter zitting nader toegelicht, dat met het verkeersbesluit een onveilige verkeerssituatie ontstaat terwijl de oude verkeerssituatie niet onveilig was. Eiser stelt zich aldus op het standpunt dat het belang van de verkeersveiligheid in het geding is. De stelling van verweerder dat eisers gronden niet inhoudelijk kunnen worden behandeld omdat ze zijn gericht tegen het herinrichtingsbesluit, volgt de rechtbank niet. De verkeersveiligheid is een bij het verkeersbesluit betrokken belang. De rechtbank is van oordeel dat, nu eiser in elk geval de belangenafweging van verweerder op dit punt betwist, verweerder inhoudelijk op eisers bezwaar had moeten ingaan. Verweerder kan niet volstaan met de stelling dat eisers gronden zich niet richten tegen het verkeersbesluit. Op die manier ontneemt verweerder eiser de hem toekomende rechtsbescherming. Uit het bestreden besluit volgt niet dat of hoe verweerder het door eiser gestelde belang van de verkeersveiligheid heeft afgewogen. Verweerder heeft immers in zijn geheel geen belangenafweging gemaakt. Nu verweerder dit heeft nagelaten, zal hij dit alsnog moeten doen.

3.5. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende daadkrachtig heeft gemotiveerd. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat het aan verweerder is om een belangenafweging te maken, acht de rechtbank zich niet in staat het onderhavige geschil finaal te beslechten. Verweerder zal worden opgedragen binnen zes weken na deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar van eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

3.6. Nu eiser in de onderhavige procedure geen professionele rechtsbijstand heeft genoten, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Verweerder dient wel het door eiser betaalde griffierecht ter hoogte van € 156,-- aan hem te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 156,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Bakker, rechter,

in aanwezigheid van mr. C. Koekkoek, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2012.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: C

SB