Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY0784

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2012
Datum publicatie
22-10-2012
Zaaknummer
AWB 12-3082 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondanks ongegrondverklaring beroep inzake procedure betreffende persoonsgebonden budget toch proceskostenveroordeling wegens onderliggende onrechtmatige indicatiestelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/3082 AWBZ

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. T.A. Vetter,

en

Agis Zorgkantoor,

verweerder,

gemachtigde: P. van Wolferen en mr. D. Lake.

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder een definitieve toekenningsbeschikking persoonsgebonden budget (pgb) voor het jaar 2011 genomen met de strekking dat het pgb van eiseres voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 18 september 2011 definitief wordt vastgesteld op € 3.330,- en dat eiseres € 736,65 dient terug te betalen.

Bij besluit van 8 mei 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 augustus 2012. Partijen zijn ter zitting vertegenwoordigd door hun voornoemde gemachtigden.

Overwegingen

1. Achtergrond

1.1. Eiseres beschikte over een indicatie voor zorg uit hoofde van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) over de periode van 8 maart 2010 tot 8 maart 2015.

De Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) heeft bij besluit van 19 september 2011 bepaald dat eiseres niet (langer) in aanmerking komt voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Eiseres heeft hiertegen bezwaar en beroep ingesteld.

1.2. Verweerder heeft zich, gelet op de besluitvorming door het CIZ, op het standpunt gesteld dat de zorg die eiseres na 19 september 2011 heeft ingekocht niet ten laste kan worden gebracht van het pgb wegens het ontbreken van een AWBZ-indicatie. Dit heeft geleid tot de definitieve toekenningsbeschikking pgb 2011 zoals neergelegd in het primaire besluit en gehandhaafd bij het bestreden besluit.

1.3. Bij gewijzigd besluit op bezwaar van 9 augustus 2012 heeft het CIZ echter besloten dat eiseres alsnog een indicatie krijgt voor de functie persoonlijke verzorging, klasse 2, over de periode van 19 september 2011 tot en met 31 oktober 2011. Het CIZ heeft eiseres daarmee een afbouwperiode van zes weken geboden. Ter zitting hebben de gemachtigden van verweerder verklaard dat de verlenging van de indicatiestelling tot en met 31 oktober 2011 voor verweerder aanleiding vormt te bezien of in de periode van 19 september 2011 tot en met 31 oktober 2011 door eiseres genoten zorg alsnog als verantwoord kan worden geaccepteerd. Als dit het geval is, dan zal aanvullend een persoonsgebonden budget over die periode definitief worden toegekend.

Beoordeling

2.1. De rechtbank stelt voorop dat, zoals de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft erkend, het bestreden besluit van 8 mei 2012 ten tijde van het nemen van dat besluit niet onrechtmatig kon worden geacht. Nu de bestuursrechter een besluit van een bestuursorgaan toetst naar de situatie ten tijde van het nemen van dat besluit (de zogenaamde ex tunc toetsing) betekent dit dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit maakt eveneens dat de rechtbank geen aanleiding ziet voor toewijzing van de door eiseres gevorderde schadevergoeding.

2.2. De rechtbank merkt op dat verweerder, gelet op de gewijzigde besluitvorming van het CIZ, gehouden is tot nadere besluitvorming over het pgb van eiseres over de periode van 19 september 2011 tot en met 31 oktober 2011.

2.3. Ten aanzien van het griffierecht en het verzoek van eiseres om veroordeling van verweerder in de proceskosten overweegt de rechtbank als volgt.

2.4. De systematiek van de AWBZ is aldus dat een zorgkantoor een verzekerde een pgb verleent voor zover de verzekerde beschikt over een indicatiebesluit waaruit blijkt dat hij is aangewezen op een of meer vormen van AWBZ-zorg.

2.5. Vast staat dat het CIZ eiseres, naar achteraf is gebleken, ten onrechte een AWBZ-indicatie over de periode van 18 september 2011 tot en met 31 oktober 2011 heeft onthouden. Door de keuze van de regelgever voor de eerder geschetste systematiek kan eiseres in dit geval de definitieve toekenning van een pgb over de periode van 18 september tot en met 31 oktober 2011 dus pas achteraf realiseren. Gezien deze door de regelgever gekozen systematiek, is de rechtbank van oordeel dat de wijze van besluitvorming omtrent de AWBZ-indicatie niet zonder betekenis kan blijven bij de beoordeling van de vraag voor wiens rekening de kosten van de onderhavige beroepsprocedure behoren te komen. Daaraan doet niet af dat verweerder geen verwijt kan worden gemaakt dat zij haar besluitvorming op een – achteraf onjuist gebleken – besluit van het CIZ heeft gebaseerd.

De rechtbank acht het in een geval als dit redelijker om de schade die voor een individuele burger als eiseres voortvloeit uit een besluit waarvan inmiddels is gebleken dat het onjuist was, voor rekening te brengen van de collectiviteit dan om die schade voor rekening te laten van de burger jegens wie dat besluit werd genomen. De rechtbank acht het dan ook op zijn plaats de onderhavige kosten in beroep en het griffierecht voor rekening van verweerder te laten komen.

2.6 De rechtbank zal verweerder veroordelen in de kosten die eiseres voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Omdat eiseres heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, moet verweerder dit bedrag aan de griffier van de rechtbank betalen. De rechtbank zal verweerder in verband met het voorgaande op de voet van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb tevens opdragen het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 42,- (tweeënveertig euro) aan eiseres dient te betalen;

- veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres van deze procedure tot een bedrag van € 874,- (achthonderd en vierenzeventig euro), te betalen aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.R. Docter, rechter,

in aanwezigheid van mr. E.M de Buur, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2012.

de griffier, de rechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB