Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY0770

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-08-2012
Datum publicatie
22-10-2012
Zaaknummer
AWB 11-3519 WRB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op de toelichting van verweerder ter zitting, acht de rechtbank het tijdelijke beleid van verweerder van 4 mei 2011 met betrekking tot ‘de Dublin zaken’ en herleefde asielprocedure (gepubliceerd op www.rvr.org) niet onredelijk en evenmin in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/3519 WRB

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

kantoorhoudende te [plaats],

eiseres,

en

de Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. E.J.W. Reijnders.

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een toevoeging afgewezen.

Bij besluit van 15 juni 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 april 2012. Eiseres is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Bij beslissing van 25 april 2012 heeft de rechtbank het onderzoek ingevolge artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen te verstrekken.

Verweerder heeft bij brief van 3 mei 2012 met bijlagen gereageerd.

Partijen hebben vervolgens de rechtbank toestemming verleend om een uitspraak te doen zonder een nadere zitting als bedoeld in artikel 8:57, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij beschikking van 22 september 2010 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst de asielaanvraag van de cliënt van eiseres, [A], afgewezen. Reden hiervoor was dat Griekenland verantwoordelijk werd geacht voor de inhoudelijke beoordeling van die asielaanvraag, de zogenaamde ‘Dublin claim’.

1.2. Naar aanleiding van een aanvraag van eiseres van 30 augustus 2010 heeft verweerder op 28 september 2010 aan eiseres een toevoeging met kenmerk 4IH3396 verleend voor het indienen van een zienswijze tegen het voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag van de cliënt van eiseres. Aan deze toevoeging is de code “V050 AA-procedure” toegekend.

1.3. Naar aanleiding van de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 21 januari 2011 in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland (zaaknr. 30696/09, JV 2011/68) heeft de minister voor Immigratie en Asiel besloten om de cliënt van eiseres niet aan Griekenland over te dragen en om alsnog inhoudelijk te beslissen op de asielaanvraag. Eiseres heeft hiervan bij brief van 17 februari 2011 bericht ontvangen.

1.4. Op 31 maart 2011 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een toevoeging voor werkzaamheden in het kader van de inbreng zienswijze voornemen.

1.5. Bij het primaire besluit heeft verweerder deze aanvraag (met kenmerk 4IR0807) afgewezen, omdat het verzoek betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan aanspraak kan worden gemaakt op rechtsbijstand op grond van de eerder op 28 september 2010 verstrekte toevoeging met het kenmerk 4IH3396. Bij de zaak is de code “V050 AA-procedure” vermeld.

1.6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

1.7. Op 1 juli 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel het voornemen uitgebracht om de asielaanvraag van de cliënt van eiseres opnieuw, maar deze keer op inhoudelijke gronden, af te wijzen. Voor het indienen van een zienswijze tegen dit nieuwe voornemen heeft eiseres, namens haar cliënt, de hiervoor onder 1.4 vermelde aanvraag om een toevoeging ingediend.

2. De rechtbank overweegt ambtshalve het volgende.

2.1. De rechtbank dient ambtshalve de ontvankelijkheid van het bezwaar te beoordelen.

De vraag is aan de orde of eiseres in bezwaar terecht als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is aangemerkt.

2.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft alleen een rechtshulpzoekende rechtstreeks belang bij de afwijzing van zijn verzoek om een toevoeging. Het belang van de rechtshulpverlener is de afgeleide van het belang van zijn cliënt en is dus niet rechtstreeks bij de afwijzing van de toevoeging betrokken. Dat is anders bij besluiten betreffende toevoeging waarbij de rechtshulpzoekende en de rechtshulpverlener uiteenlopende, tegengestelde (financiële) belangen hebben (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2008, te vinden op www.rechtspraak.nl, LJN: BD9408).

2.3. Ter zitting is de ontvankelijkheid van eiseres in bezwaar aan de orde gesteld. Verweerder heeft zich (met eiseres) op het standpunt gesteld dat eiseres bij de afwijzing van een tweede verzoek om toevoeging, omdat sprake is van een rechtsbelang ter zake waarvan aanspraak gemaakt kan worden op rechtsbijstand op grond van een eerder verleende toevoeging, een tegengesteld belang heeft aan dat van haar cliënt. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verweerder na de heropening van het onderzoek (onder meer) de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2007 (LJN: BB8398) overgelegd. Hierin is overwogen dat onder de omstandigheden als hierboven weergegeven sprake is van een tegengesteld belang, omdat de rechtshulpverlener belang heeft bij de toekenning van een tweede toevoeging, terwijl toekenning voor rechtshulpzoekende leidt tot de verplichting een tweede eigen bijdrage te voldoen. Gelet op deze uitspraak volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat eiseres in bezwaar terecht als belanghebbende is aangemerkt.

3. De rechtbank komt tot de volgende inhoudelijke beoordeling van het geschil.

3.1. Artikel 28, eerste lid, onder b, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) bepaalt dat verweerder een toevoeging kan weigeren, indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan de aanvrager aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder afgegeven toevoeging.

3.2. Artikel 32 van de Wrb bepaalt dat de toevoeging uitsluitend geldt voor het rechtsbelang terzake waarvoor zij is afgegeven en, in het geval van een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen.

3.3. Blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt uit de artikelen 28 en 32 van de Wrb, in onderlinge samenhang bezien, dat indien sprake is van één rechtsbelang met één toevoeging kan worden volstaan, tenzij sprake is van verschillende procedures dan wel in geval van één procedure sprake is van meer dan één instantie als bedoeld in artikel 32 van de Wrb (zie onder meer de uitspraak van 15 oktober 1999, LJN: AI5601). Er is geen sprake van verschillende procedures als beide procedures wat betreft het onderwerp van geschil en het eraan ten grondslag liggende feitencomplex (vrijwel) identiek zijn (zie onder meer de uitspraak van 2 mei 2007, LJN: BA4197).

3.4. De eerste vraag die moet worden beantwoord, is of sprake is van één rechtsbelang.

3.4.1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de onderhavige aanvraag om toevoeging (met kenmerk 4IR0807) op hetzelfde rechtsbelang ziet als waarvoor eerder een toevoeging (met kenmerk 4IH3396) is verleend. In beide zaken gaat het om het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel. Dat in het verlengde daarvan beoogd werd om overdracht aan Griekenland te voorkomen, maakt dit volgens verweerder niet anders.

3.4.2. Eiseres voert hiertegen in beroep aan dat er wel degelijk sprake is van twee verschillende rechtsbelangen. In de eerste procedure moest eiseres zien te voorkomen dat haar cliënt werd overgedragen aan Griekenland. In de tweede procedure moest eiseres het voornemen tot de afwijzing van de asielaanvraag op inhoudelijke gronden aanvechten. Eerst in deze laatste procedure was het rechtsbelang het verkrijgen van een asielvergunning, aldus eiseres.

3.4.3. De rechtbank overweegt dat in het Handboek Toevoegen 2007 in aantekening 2 bij artikel 32 van de Wrb is opgenomen dat voor de beoordeling van de vraag of sprake is van hetzelfde rechtsbelang geen exacte criteria zijn te formuleren. De beoordeling zal veelal plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Voor de beoordeling zijn wel indicatoren aan te reiken. Het begrip rechtsbelang is in artikel 1 van het Besluit rechtsbijstand en toevoegcriteria gedefinieerd als het belang waarvoor de rechtzoekende rechtsbijstand aanvraagt. Aldus gedefinieerd zal in de beoordeling moeten worden betrokken wat het door de rechtzoekende met de rechtsbijstand beoogde eindresultaat is, ofwel met welk oogmerk rechtsbijstand is verzocht.

3.4.4. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het rechtsbelang waarop de tweede aanvraag om een toevoeging (met kenmerk 4IR0807) betrekking heeft, hetzelfde rechtsbelang is als waarvoor eerder een toevoeging (met kenmerk 4IH3396) is verleend. Het door de cliënt van eiseres beoogde eindresultaat bij beide aanvragen om toevoeging is immers het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel. Dat in het verlengde daarvan beoogd werd een overdracht aan Griekenland te voorkomen, maakt dit niet anders. Deze beroepsgrond faalt dan ook.

3.5. De volgende vraag die moet worden beantwoord, is of verweerder de toevoeging desondanks had moeten verlenen, omdat sprake was van verschillende procedures.

3.5.1. Verweerder meent dat van diversiteit aan procedures in deze zaak geen sprake is. Volgens verweerder is er sprake van voortgezette behandeling van de zaak bij dezelfde instantie. Verweerder meent dat het beleid inzake de hernieuwde bezwaarprocedure overeenkomstig van toepassing is op de hernieuwde behandeling van de asielaanvraag.

3.5.2. Eiseres voert aan dat er wel sprake is van verschillende procedures. De eerste procedure was om de overdracht van haar cliënt aan Griekenland te voorkomen, terwijl in de tweede procedure inhoudelijk is bepleit dat haar cliënt in aanmerking behoort te komen voor een verblijfsvergunning asiel in Nederland. Ter zitting heeft eiseres hieraan toegevoegd dat de procedure rondom een ‘ Dublin claim’ juridisch en feitelijk een andere procedure is dan een procedure ter verkrijging van een verblijfsvergunning asiel.

3.5.3. De rechtbank overweegt dat in het Handboek Toevoegen 2007 in aantekening 4 bij artikel 32 van de Wrb is opgenomen dat de hernieuwde behandeling van een bezwaarschrift wordt aangemerkt als een verlenging van dezelfde procedure in dezelfde instantie waarvoor geen tweede toevoeging wordt verleend.

3.5.4. Zoals de Afdeling heeft overwogen (onder meer in de uitspraken van 18 november 2009, LJN: BK3669 en BK3670), bestaan tussen de bezwaarprocedure en de hernieuwde behandeling van de asielaanvraag voldoende overeenkomsten op grond waarvan verweerder het beleid inzake de hernieuwde bezwaarschriftprocedure overeenkomstig heeft kunnen toepassen op de hernieuwde behandeling van een asielaanvraag. De eerdere en de hernieuwde behandeling van de asielaanvraag hebben, net als bij een hernieuwde bezwaarprocedure, betrekking op dezelfde aanvraag bij dezelfde instantie. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat de voornemenprocedure met de mogelijkheid daarin een zienswijze in te dienen in asielzaken in de plaats is gekomen van de bezwaarprocedure.

3.5.5. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht overwogen dat er geen sprake is van verschillende procedures op grond waarvan een tweede toevoeging dient te worden verleend. Ook deze beroepsgrond van eiseres faalt.

3.6. Eiseres doet verder een beroep op nieuw beleid dat verweerder sinds 4 mei 2011 hanteert voor zogenaamde ‘ex-Dublinklanten’. Eiseres meent dat verweerder op grond van dit beleid tot afgifte van een nieuwe toevoeging had moeten overgaan.

3.6.1. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. In dit beleid van verweerder van 4 mei 2011 inzake de herleefde asielprocedure (gepubliceerd op www.rvr.org) is bepaald dat verweerder een nieuwe V041-toevoeging verstrekt voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag die nog in een lopende Dublinprocedure werd behandeld, indien sprake is van substantiële werkzaamheden. De regeling geldt uitsluitend voor die groep asielzoekers die naar aanleiding van eerdergenoemde uitspraak van het EHRM van 21 januari 2011 inzake M.S.S. tegen België en Griekenland worden opgenomen in de nationale asielprocedure. In het beleid is verder bepaald dat deze tijdelijke regeling niet geldt wanneer de asielzoeker uit deze groep voor zijn Dublinprocedure al een V050-toevoeging heeft ontvangen. Gelet op het forfaitaire karakter en het modulaire systeem uit de beleidsregel Asiel, vallen de vervolgwerkzaamheden onder het bereik van deze toevoeging, aldus het beleid. Nu uit de gedingstukken volgt dat aan de cliënt van eiseres op 28 september 2010 voor de Dublinprocedure een V050-toevoeging is verstrekt, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen aanspraak kan worden gemaakt op een nieuwe V041-toevoeging.

3.6.2. De rechtbank interpreteert de beroepsgronden en het betoog van eiseres ter zitting aldus dat eiseres het onredelijk acht dat verweerder in genoemd beleid heeft uitgesloten dat aan haar cliënt een nieuwe toevoeging wordt verstrekt alleen vanwege het feit dat aan de eerder verstrekte toevoeging de code V050 is toegekend. Was aan die eerdere toevoeging de code V041 verbonden, dan was er nu wel een nieuwe toevoeging verstrekt. Eiseres acht dit onderscheid onredelijk en in strijd met het gelijkheidsbeginsel, te meer omdat zij geen invloed kan uitoefenen op de toekenning van de codes door verweerder.

3.6.3. Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat, zoals ook uit de gepubliceerde werkinstructies van verweerder blijkt, de code V041 alleen wordt verstrekt aan asielaanvragen die vóór 1 juli 2010 zijn ingediend. Indien de verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komt, wordt aan de zaak 7 punten toegekend. Alle asielaanvragen die op of nà 1 juli 2010 zijn ingediend, krijgen de code V050. Indien de verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komt, wordt aan de zaak 4 punten toegekend onder de code V057. Dit aantal punten kan worden verhoogd tot maximaal 12 punten, onder toekenning van de code V053. Als er een hoorzitting is bijgewoond, kan men 2 punten extra krijgen. Alles bij elkaar opgeteld kan men voor deze asielaanvragen onder code V050 derhalve 14 punten krijgen. Inmiddels is de code V050 vervallen en vervangen door de code V060. De zogenaamde ‘Dublin zaken’ behorende bij de asielaanvragen ingediend op of nà

1 juli 2010 vielen en vallen nog steeds onder de code V050 en voor de vergoeding onder de code V057 dan wel V053. De tijdelijke regeling waar eiseres op doelt, heeft betrekking op de “ Dublin zaken’ behorende bij de asielaanvragen ingediend vóór 1 juli 2010. Voor die zaken kan er een nieuwe toevoeging worden aangevraagd, die bij toekenning recht geeft op 7 punten. Deze punten opgeteld bij de eerder onder code V041 toegekende 7 punten, leidt tot toekenning van 14 punten. Nu het maximaal aantal punten dat onder beide codes kan worden verkregen hetzelfde is, is van strijd met het gelijkheidsbeginsel volgens verweerder dan ook geen sprake.

3.6.4. Gelet op de toelichting van verweerder ter zitting acht de rechtbank het beleid (de tijdelijke regeling) van verweerder niet onredelijk. Uit de uiteenzetting van verweerder ter zitting volgt dat de toepassing van dit beleid niet tot ongelijke behandeling leidt van gelijke gevallen, maar zorgt dit beleid er juist voor dat er in gelijke gevallen een gelijke vergoeding volgt. Reeds hierom kan het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel niet slagen. Verweerder heeft bovendien dit beroep van eiseres gemotiveerd weerlegd met de verklaring dat de door eiseres in bezwaar aangehaalde zaken betrekking hadden op V041-toevoegingen en dus niet gelijk zijn aan de onderhavige zaak waarin een V050-toevoeging is verstrekt.

3.7. Eiseres betoogt verder dat de zaak zich qua inhoud en tijdsbesteding leent voor een nieuwe toevoeging. Eiseres wijst er op dat verweerder haar verzoek om toekenning van extra uren heeft afgewezen en zij vraagt zich af hoe zij haar cliënt anders dan kosteloos van deugdelijke rechtsbijstand kan voorzien. Eiseres heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat zij niet in beroep is gegaan tegen de afwijzing van haar verzoek om toekenning van extra uren. Eiseres heeft de rechtbank verzocht de juistheid van deze afwijzing in de beoordeling van de onderhavige zaak te betrekken.

3.7.1. De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande betoog van eiseres buiten de omvang van het geschil valt. De rechtbank zal dit betoog dan ook niet verder bespreken.

3.8. Eiseres voert tot slot aan dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Uit de brief van 9 juni 2011 volgt dat verweerder eiseres nog nader zou berichten over de behandeling van haar bezwaar. Echter, zonder deze nadere berichtgeving heeft verweerder het bestreden besluit genomen, aldus eiseres.

3.8.1. Verweerder meent dat van schending van de hoorplicht geen sprake is. Eiseres is uitgenodigd voor de hoorzitting en vóór die datum is het verzoek om herziening van het primaire besluit afgewezen. Eiseres had dan ook geen reden om aan te nemen dat de hoorzitting geen doorgang zou vinden. Dat eiseres ervoor heeft gekozen niet naar de hoorzitting te komen, komt voor haar eigen rekening en risico, aldus verweerder.

3.8.2. Uit de gedingstukken leidt de rechtbank af dat verweerder eiseres bij brief van

25 mei 2011 heeft uitgenodigd voor een hoorzitting op 15 juni 2011. Naar aanleiding daarvan heeft eiseres verweerder bij brief van 1 juni 2011 meegedeeld dat haar aanwezigheid slechts nut zou hebben als verweerder op haar verzoeken van 19 april 2011 en 20 mei 2011 om herziening van het primaire besluit zou hebben beslist. Eerst na een reactie van verweerder zou eiseres nagaan of zij het bezwaar zou handhaven of niet. Verweerder heeft vervolgens bij brief van 9 juni 2011 het verzoek om herziening van het primaire besluit afgewezen en eiseres meegedeeld dat haar brief van 19 april 2011 naar de afdeling Bezwaar en Beroep zal worden doorgestuurd om als bezwaarschrift te worden behandeld. Verder is eiseres in deze brief meegedeeld dat zij van genoemde afdeling nader bericht zal ontvangen. Vervolgens heeft verweerder op 15 juni 2011 het bestreden besluit genomen.

De rechtbank acht het feit dat eiseres na de brief van 9 juni 2011 niets meer heeft ondernomen en het verdere verloop van de bezwaarprocedure heeft afgewacht een logisch gevolg van de zinsnede in diezelfde brief dat eiseres van de afdeling Bezwaar en Beroep nader bericht zou ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder zich er zorgvuldigheidshalve van dienen te vergewissen of eiseres prijs stelde op het bijwonen van de hoorzitting. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is sprake van een schending van de hoorplicht.

3.9. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:2 van de Awb.

3.10. Ingeval een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken, waarbij onder meer aan de orde is of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten (zie de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2008, LJN: BG6401). In dit verband overweegt de rechtbank dat eiseres desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat zij in beroep voldoende in de gelegenheid is gesteld om haar standpunten naar voren te brengen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres, ondanks het geconstateerde gebrek, niet in haar belangen is geschaad. Gelet hierop en op de voorgaande overwegingen, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand laten.

3.11. Nu eiseres voor zichzelf procedeert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Wel dient verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Eggink, voorzitter, mrs. M.P. Verloop en A.M. van der Linden-Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. S. Vosse-Pirs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2012.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB