Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY0767

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
22-10-2012
Zaaknummer
AWB 12/133 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bevel aan eiser op grond van art. 2.9A van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (hierna: de APV) zich uit het dealeroverlastgebied DOG 1.1 te verwijderen en zich gedurende drie maanden, van 2 juli 2011 tot en met 1 oktober 2011 niet in het gebied op te houden. Aanleiding voor het opgelegde gebiedsverbod is de overtreding van art. 2.7, lid 2 van de APV.

Eiser heeft aangevoerd dat de artikelen 2.7 en 2.9A van de APV onverbindend zijn, omdat de Opiumwet het voorhanden hebben en verkopen van (hard)drugs reeds verbiedt. Eiser heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de ABRS van 13 juli 2011 (LJN: BR1425). De ABRS heeft in deze uitspraak overwogen dat voor gemeentelijke verbods- en strafbepalingen die voorschriften uit de Opiumwet dupliceren, ongeacht het motief dat daaraan ten grondslag ligt, geen ruimte bestaat.

Daargelaten het antwoord op de vraag of art. 2.9A van de APV als een op zichzelf staande bepaling moet worden beschouwd, danwel in samenhang moet worden gelezen met art. 2.7, lid 2 van de APV, is de Rb. van oordeel dat art. 2.7, lid 2 van de APV niet hetzelfde gedrag verbiedt als art. 2 van de Opiumwet.

De artt. 2.9A en 2.7, lid 2 van de APV verbieden enkel het zich op of aan de weg ophouden als aannemelijk is dat dit gebeurt om middelen als bedoeld in de artt. 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, dan wel slaapmiddelen, kalmeringsmiddelen of stimulerende middelen of daarop gelijkende waar, te kopen of te koop aan te bieden. De Rb. acht van belang dat dus niet het daadwerkelijke kopen of verkopen is verboden, maar uitsluitend de aanwezigheid op of aan de weg als de betrokkene het voornemen heeft om de in art. 2.7, lid 2 genoemde handelingen te verrichten. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de overlast van en rondom straathandel in harddrugs en/of daarop gelijkende middelen in bepaalde gebieden van Amsterdam onaanvaardbaar hoog is. Dit draagt significant bij aan gevoelens van onveiligheid bij bewoners en ondernemers. Voor een belangrijk deel zijn de dealers die zich in die gebieden ophouden verantwoordelijk voor veel overlast. Het dealen gaat gepaard met intimidatie en geweld naar passanten, gebruikers en andere dealers. Er is een sterke verwevenheid tussen dealen, handel in nepdope, hosselen en straatroven. De straathandel drukt een negatief stempel op het imago van de stad. De aanhoudende problematiek van straathandel is ernstig en structureel van aard. Met het opleggen van verblijfsverboden aan dealers in het dealeroverlastgebied wordt in de eerste plaats beoogd een einde te maken aan de ernstige verstoring van de openbare orde die met het dealen zelf gepaard gaat. Door dealers voor langere tijd uit een dealeroverlastgebied te weren worden deze gebieden minder aantrekkelijk voor gebruikers, zodat ook de daaraan gerelateerde overlast afneemt. Tevens wordt op deze manier beoogd de loop uit het gebied te halen. Het verbod geldt dus voor de overlast veroorzakende handelingen en gedragingen die samengaan met het dealen.

Gelet op het hiervoor overwogene valt naar het oordeel van de Rb. noch uit de letterlijke tekst van de artt. 2.7, lid 2 en 2.9A, van de APV, noch uit het doel dat met deze artikelen wordt beoogd, af te leiden dat de betreffende artikelen zich begeven op het gebied dat door art. 2 van de Opiumwet wordt bestreken. Dit geldt eens te meer voor het te koop aanbieden van nepdrugs, welke handeling niet verboden is in de Opiumwet.

De Rb. ziet hierin een verschil met het zogenaamde blowverbod dat aan de orde was in de uitspraak van de ABRS van 13 juli 2007 en is van oordeel dat de artt. 2.7, lid 2 en 2.9A van de APV niet als onverbindend kunnen worden aangemerkt.

De Rb. overweegt voorts dat de artikelen in de APV niet hetzelfde gedrag verbieden als de Vw. Het gedrag van eiser dat aanleiding is geweest voor oplegging van het gebiedsverbod – het zich op of aan de weg ophouden als aannemelijk is dat dit gebeurt om handelingen te verrichten als bedoeld in art. 2.7, lid 2 van de APV – wordt immers niet verboden in de Vw. De ongewenstverklaring is opgelegd omdat eiser bij herhaling een bij de Vw strafbaar gesteld feit heeft begaan.

De ongewenstverklaring op grond van de Vw bevat weliswaar – net als het gebiedsverbod in de APV – een openbare orde toets, maar ziet niet op de openbare ordeverstoring waarop de APV ziet. In het tweede geval wordt de (lokale) openbare orde verstoord door de hierboven omschreven handelingen. In het eerste geval wordt de (nationale) openbare orde en veiligheid verstoord door de enkele aanwezigheid van eiser hier te lande. De bevoegdheid van de burgemeester op grond van de APV met betrekking tot de openbare orde in het geval van het hier aan de orde zijnde gedrag wordt dan ook niet beïnvloed door de bevoegdheid van de Staatssecretaris van Justitie op grond van de Vw.

Eiser heeft aangevoerd dat de omschrijving in de APV van “op harddrugs gelijkende waar” te vaag is. De Rb. verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 17 november 1992 (LJN: AD1779), waarin is geoordeeld dat de bepaling (destijds art. 83 van de APV) ook voor zover zij melding maakt van ‘daarop gelijkende waar’, waarmee kennelijk is bedoeld waar die voor enig verdovend middel kan doorgaan, voldoende duidelijk maakt welke gedraging daarbij is verboden en strafbaar gesteld.

Ongegrond beroep.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 121
Gemeentewet 149
Opiumwet 2
Vreemdelingenwet 2000 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/133 GEMWT

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

eiser,

gemachtigde mr. A. Kilinç,

en

de burgemeester van Amsterdam,,

verweerder,

gemachtigde mr. F. Aharchaoui.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser op grond van artikel 2.9A van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (hierna: de APV) een bevel gegeven zich uit het dealeroverlastgebied DOG 1.1 te verwijderen en zich gedurende drie maanden, van 2 juli 2011 tot en met 1 oktober 2011 niet in het gebied op te houden. Aanleiding voor het opgelegde gebiedsverbod is de overtreding van artikel 2.7, tweede lid, van de APV.

Bij besluit van 2 december 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2012.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun voornoemde gemachtigden. Verweerder heeft zich tevens laten vertegenwoordigen door mr. R. Osterwald.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Op 9 januari 2009 heeft verweerder eiser een bevel tot verwijdering uit het overlastgebied 1 Centrum en de ondergrondse metrostations voor de duur van 24 uur gegeven wegens overtreding van artikel 2.7, tweede lid, van de APV.

1.2. Op 12 mei 2011 heeft [verbalisant], [functie] bij de Politie Amsterdam- Amstelland, (hierna: de verbalisant) een proces-verbaal opgemaakt waarin is vermeld dat de verbalisant gezien heeft dat eiser op de Oudezijds Achterburgwal voorbijgangers aansprak. Verbalisant heeft twee van de aangesproken personen gevraagd wat eiser tegen hen heeft gezegd. Deze personen verklaarden dat eiser hen drugs had aangeboden. Bij aankomst op het politiebureau Beursstraat heeft de verbalisant gezien dat eiser een plastic zakje met daarin 8 witte bolletjes, met daarin een op cocaïne gelijkende substantie op de grond gooide. Na onderzoek bleken dit bolletjes nepdrugs te zijn. Dit proces-verbaal is ondertekend door voornoemde [verbalisant]. Naar aanleiding van deze waarneming is door de politie aan verweerder een voordracht gedaan voor de oplegging van een verwijderingsbevel voor het dealeroverlastgebied 1.1 (centrum) voor de duur van drie maanden.

1.3. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser een verwijderingsbevel opgelegd. Dit besluit is gepubliceerd in de krant “Metro Amsterdam” op 29 juni 2011.

2. Standpunten partijen

2.1. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het primaire besluit op een geschikte wijze is bekendgemaakt in de krant Metro, nu eiser geen geregistreerd adres in de Gemeentelijke Basisadministratie heeft. Verweerder is voorts bevoegd dit besluit te nemen. Het besluit is gegrond op artikel 2.9A van de APV. Deze bepaling bevat geen verbod om soft- of harddrugs te gebruiken, maar de plicht om zich na een daartoe strekkend bevel voor de daarbij aangegeven duur uit een door de burgemeester aangewezen overlastgebied te verwijderen, indien degene tot wie het bevel is gericht zich op of aan de weg ophoudt om drugs of nepdrugs aan te bieden of te verkopen. Deze gedraging wordt niet door de Opiumwet verboden. Het verblijfsverbod is niet opgelegd in verband met eisers verblijfsstatus, maar ter bestrijding van de overlast die door de verkoop van drugs en nepdrugs wordt veroorzaakt. De burgemeester treedt hiermee dan ook niet op het terrein van de Vreemdelingenwet.

2.2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het dealerverbod is gelegen in het feit dat eiser artikel 2.7, tweede lid, van de APV zou hebben overtreden. Verweerder heeft deze grondslag miskend. Artikel 2.7 van de APV is in strijd met artikel 2, aanhef en onder A en C van de Opiumwet, nu in deze wet het verbod van het hebben of verkopen van harddrugs al geregeld is. Daarbij was verweerder onbevoegd om aan eiser een gebiedsverbod op te leggen, nu eiser in Nederland op grond van artikel 67, eerste lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000, ongewenst is verklaard.

3. Wettelijk kader en regelgeving

3.1. Artikel 121 van de Gemeentewet bepaalt dat de bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten, algemene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen is voorzien, blijft gehandhaafd, voor zover de verordeningen met die wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale verordeningen niet in strijd zijn.

3.2. Artikel 149 van de Gemeentewet bepaalt dat de raad de verordeningen maakt die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt.

3.3. Op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de APV is het verboden zich op of aan de weg op te houden als aannemelijk is dat dit gebeurt om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, dan wel slaapmiddelen, kalmeringsmiddelen of stimulerende middelen of daarop gelijkende waar, te kopen of te koop aan te bieden.

3.4. Op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de APV kan verweerder een overlastgebied aanwijzen als naar zijn oordeel sprake is van een ernstige verstoring of bedreiging van de openbare orde. Hij bepaalt daarbij of artikel 2.9, 2.9A of 2.9B van toepassing is.

3.5. Op grond van artikel 2.9A, eerste lid, van de APV is diegene die zich in een op grond van artikel 2.8, eerste lid, aangewezen overlastgebied op of aan de weg ophoudt waarbij aannemelijk is dat dit gebeurt om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet en/of daarop gelijkende waar te verkopen of te koop aan te bieden en antecedenten heeft op het gebied van het verkopen of te koop aanbieden van drugs en/of daarop gelijkende waar verplicht zich onmiddellijk uit dat overlastgebied te verwijderen en zich daar voor de duur van drie maanden niet meer te bevinden, wanneer de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel heeft gegeven.

3.6. Artikel 2 van de Opiumwet bepaalt:

Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:

A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;

B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;

C. aanwezig te hebben;

D. te vervaardigen.

Op lijst I staat cocaïne genoemd.

3.7 Artikel 67 eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000 bepaalt:

1. Tenzij afdeling 3 van toepassing is, kan Onze Minister de vreemdeling ongewenst verklaren:

a. indien hij niet rechtmatig in Nederland verblijft en bij herhaling een bij deze wet strafbaar gesteld feit heeft begaan.

4. inhoudelijke beoordeling

4.1. Nu de APV door de gemeenteraad wordt vastgesteld is deze regeling gebaseerd op artikel 149 van de Gemeentewet en niet, zoals eiser meent, op artikel 172a van de Gemeentewet, welk artikel een bevoegdheid verleent aan de burgemeester. De rechtbank ziet niet in dat de gemeenteraad de bevoegdheid om een gebiedsverbod uit te vaardigen niet mag toedelen aan de burgemeester.

4.2. Eiser heeft aangevoerd dat de artikelen 2.7 en 2.9A van de APV onverbindend zijn, omdat de Opiumwet het voorhanden hebben en verkopen van (hard)drugs reeds verbiedt. Eiser heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 13 juli 2011 (LJN:BR1425). De ABRvS heeft in deze uitspraak overwogen dat voor gemeentelijke verbods- en strafbepalingen die voorschriften uit de Opiumwet dupliceren, ongeacht het motief dat daaraan ten grondslag ligt, geen ruimte bestaat.

4.3. Daargelaten het antwoord op de vraag of artikel 2.9A van de APV als een op zichzelf staande bepaling moet worden beschouwd, danwel in samenhang moet worden gelezen met artikel 2.7, tweede lid van de APV, is de rechtbank van oordeel dat artikel 2.7, tweede lid van de APV niet hetzelfde gedrag verbiedt als artikel 2 van de Opiumwet.

4.4. De artikelen 2.9A en 2.7, tweede lid van de APV verbieden enkel het zich op of aan de weg ophouden als aannemelijk is dat dit gebeurt om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, dan wel slaapmiddelen, kalmeringsmiddelen of stimulerende middelen of daarop gelijkende waar, te kopen of te koop aan te bieden. De rechtbank acht van belang dat dus niet het daadwerkelijke kopen of verkopen is verboden, maar uitsluitend de aanwezigheid op of aan de weg als de betrokkene het voornemen heeft om de in artikel 2.7, tweede lid genoemde handelingen te verrichten.

4.5. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de overlast van en rondom straathandel in harddrugs en/of daarop gelijkende middelen in bepaalde gebieden van Amsterdam onaanvaardbaar hoog is. Dit draagt significant bij aan gevoelens van onveiligheid bij bewoners en ondernemers. Voor een belangrijk deel zijn de dealers die zich in die gebieden ophouden verantwoordelijk voor veel overlast. Het dealen gaat gepaard met intimidatie en geweld naar passanten, gebruikers en andere dealers. Er is een sterke verwevenheid tussen dealen, handel in nepdope, hosselen en straatroven. De straathandel drukt een negatief stempel op het imago van de stad. De aanhoudende problematiek van straathandel is ernstig en structureel van aard. Met het opleggen van verblijfsverboden aan dealers in het dealeroverlastgebied wordt in de eerste plaats beoogd een einde te maken aan de ernstige verstoring van de openbare orde die met het dealen zelf gepaard gaat. Door dealers voor langere tijd uit een dealeroverlastgebied te weren worden deze gebieden minder aantrekkelijk voor gebruikers, zodat ook de daaraan gerelateerde overlast afneemt. Tevens wordt op deze manier beoogd de loop uit het gebied te halen. Het verbod geldt dus voor de overlast veroorzakende handelingen en gedragingen die samengaan met het dealen.

4.6. Gelet op het hiervoor overwogene valt naar het oordeel van de rechtbank noch uit de letterlijke tekst van de artikelen 2.7, tweede lid en 2.9A, van de APV, noch uit het doel dat met deze artikelen wordt beoogd, af te leiden dat de betreffende artikelen zich begeven op het gebied dat door artikel 2 van de Opiumwet wordt bestreken.. Dit geldt eens te meer voor het te koop aanbieden van nepdrugs, welke handeling niet verboden is in de Opiumwet.

4.7. De rechtbank ziet hierin een verschil met het zogenaamde blowverbod dat aan de orde was in de uitspraak van de ABRvS van 13 juli 2007 en is van oordeel dat de artikelen 2.7, tweede lid en 2.9A van de APV niet als onverbindend kunnen worden aangemerkt.

4.8. Voorts heeft eiser aangevoerd dat verweerder specifiek in het geval van eiser niet bevoegd was om een gebiedsverbod op te leggen, omdat eiser reeds op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) tot ongewenst vreemdeling is verklaard. Eiser stelt dat zowel artikel 67 Vw als het gebiedsverbod dienen ter handhaving van de openbare orde. De ongewenstverklaring heeft volgens eiser in deze voorrang op het gebiedsverbod, met name nu artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht de aanwezigheid van eiser (in het dealeroverlastgebied) vanwege zijn ongewenstverklaring strafbaar stelt. Het gebiedsverbod mist ook om die reden verbindende kracht aldus eiser.

4.9. De rechtbank overweegt dat ook hier de artikelen in de APV niet hetzelfde gedrag verbieden als de Vw. Het gedrag van eiser dat aanleiding is geweest voor oplegging van het gebiedsverbod – het zich op of aan de weg ophouden als aannemelijk is dat dit gebeurt om handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de APV – wordt immers niet verboden in de Vw. De ongewenstverklaring is opgelegd omdat eiser bij herhaling een bij de Vw strafbaar gesteld feit heeft begaan.

4.10. De ongewenstverklaring op grond van de Vw bevat weliswaar – net als het gebiedsverbod in de APV – een openbare orde toets, maar ziet niet op de openbare ordeverstoring waarop de APV ziet. In het tweede geval wordt de (lokale) openbare orde verstoord door de hierboven omschreven handelingen. In het eerste geval wordt de (nationale) openbare orde en veiligheid verstoord door de enkele aanwezigheid van eiser hier te lande. De bevoegdheid van de burgemeester op grond van de APV met betrekking tot de openbare orde in het geval van het hier aan de orde zijnde gedrag wordt dan ook niet beïnvloed door de bevoegdheid van de Staatssecretaris van Justitie op grond van de Vw.

4.11. Eiser heeft aangevoerd dat de omschrijving in de APV van “op harddrugs gelijkende waar” te vaag is. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 17 november 1992 (LJN: AD 1779), waarin is geoordeeld dat de bepaling (destijds artikel 83 van de APV) ook voor zover zij melding maakt van ‘daarop gelijkende waar’, waarmee kennelijk is bedoeld waar die voor enig verdovend middel kan doorgaan, voldoende duidelijk maakt welke gedraging daarbij is verboden en strafbaar gesteld.

4.12. Op grond van het procesverbaal van 12 mei 2011 acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat eiser zich op de weg ophield om middelen als bedoeld in artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te verkopen. Hiermee is voldoende aannemelijk dat eiser artikel 2.7, tweede lid, van de APV heeft overtreden. Eiser is op 9 januari 2009 ook al aangehouden in verband met gedragingen waarbij het in artikel 2.7, tweede lid, van de APV neergelegde verbod is overtreden. Gelet op het voorgaande heeft verweerder het dealerverblijfsverbod van artikel 2.9A van APV mogen opleggen.

4.13. Eiser heeft gesteld dat het antecedent in 2009 een gebiedsverbod voor de duur van drie maanden niet rechtvaardigt, nu artikel 2.9A van de APV in 2009 nog niet in werking was getreden en de overtreding destijds plaatsvond in een overlastgebied, dat nog niet was aangewezen als dealeroverlastgebied. De rechtbank overweegt dat blijkens de toelichting bij artikel 2.9A van de APV van de bevoegdheid van dit artikel gebruik kan worden gemaakt ten aanzien van personen die antecedenten hebben op het gebied van handel in drugs of daarop gelijkende waar. Niet is vereist dat een antecedent heeft plaatsgevonden in hetzelfde (dealer)overlastgebied. Dat het antecedent heeft plaatsgevonden voor inwerkingtreding van artikel 2.9A van de APV betekent evenmin dat geen sprake is van een antecedent als bedoeld in dat artikel. Voor zover eiser een beroep heeft gedaan op het rechtszekerheidsbeginsel faalt dat, nu eiser op het moment van inwerkingtreding van artikel 2.9A van de APV wist of had kunnen weten dat verweerder antecedenten bij zijn beoordeling zou betrekken.

4.14. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

4.15. De rechtbank ziet geen aanleiding één der partijen te veroordelen in de proceskosten of te bepalen dat het griffierecht aan eiseres moet worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Singeling, voorzitter en mrs. T.P.J. de Graaf en I.W. Neleman leden, in aanwezigheid van mr. I. Krajenbrink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2012.

de griffier de voorzitter

de griffier is buiten staat

deze uitspraak mede te ondertekenen

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB