Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY0763

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-08-2012
Datum publicatie
22-10-2012
Zaaknummer
AWB 12/596 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat artikel 2.7, tweede lid, van de APV niet hetzelfde gedrag verbiedt als artikel 2 van de Opiumwet. De artikelen 2.9A en 2.7, tweede lid, van de APV verbieden enkel het zich op of aan de weg ophouden als aannemelijk is dat dit gebeurt om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, dan wel slaapmiddelen, kalmeringsmiddelen of stimulerende middelen of daarop gelijkende waar, te kopen of te koop aan te bieden. Niet het (ver)kopen is verboden, maar de aanwezigheid op of aan de weg als de betrokkene het voornemen heeft om de in artikel 2.7, tweede lid, genoemde handelingen te verrichten. De rechtbank ziet hierin een verschil met het zogenaamde blowverbod dat aan de orde was in de uitspraak van de ABRvS van 13 juli 2007 en is van oordeel dat de artikelen 2.7, tweede lid en 2.9A van de APV niet als onverbindend kunnen worden aangemerkt.

Overtreding van artikel 2.7., tweede lid, van de APV is in dit geval aannemelijk. Het feit dat de strafzaak tegen eiser is geseponeerd is niet doorslaggevend voor de beoordeling. Volgens vaste rechtspraak maakt de bestuursrechter een eigen afweging met betrekking tot de aan de orde zijn feiten en omstandigheden.

Eisers stelling dat zijn gedrag geen ernstige overlast of verstoring van de openbare orde oplevert en dus geen aanleiding bestond om de betreffende maatregel op te leggen volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft terecht zijn belang van handhaving van de openbare orde zwaarder laten wegen dan de belangen die eiser had bij toegang tot het overlastgebied.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/596 BESLU

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

eiser,

gemachtigde mr. P.A. van der Waal,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. F. Aharchaoui.

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser op grond van artikel 2.9A van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (APV) een bevel gegeven zich uit het dealeroverlastgebied DOG 1.1 te verwijderen en zich gedurende drie maanden, van 9 april 2011 tot en met 8 juli 2011 niet in het gebied op te houden. Aanleiding voor het gebiedsverbod is de overtreding van artikel 2.7, tweede lid, van de APV.

Bij besluit van 23 december 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2012.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde en mr. R. Osterwald.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Op 4 januari 2011 heeft verweerder eiser een bevel tot verwijdering voor 24 uur gegeven voor het overlastgebied 1 Centrum en de ondergrondse metrostations wegens overtreding van artikel 2.7, tweede lid, van de APV. Tegen dit bevel heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Op 13 maart 2011 heeft [verbalisant], [functie] bij de Politie Amsterdam- Amstelland, (hierna: de verbalisant) een proces-verbaal opgemaakt waarin is vermeld dat de verbalisant gezien heeft dat eiser geruime tijd op de Oudezijds Voorburgwal bij perceelnummer 87 postvatte dan wel heen en weer liep. Eiser sprak voorbijgangers aan, die vervolgens met hun hoofd nee schudden. Verbalisant heeft twee van de aangesproken personen gevraagd wat eiser tegen hen heeft gezegd. Deze personen verklaarden dat eiser hen charlie had aangeboden. Het is verbalisant ambtshalve bekend dat met “charlie” cocaïne wordt bedoeld. Dit proces-verbaal is ondertekend door voornoemde [verbalisant] en [A], [functie] bij de Politie Amsterdam-Amstelland.

Naar aanleiding van deze waarneming is door de politie aan verweerder een voordracht gedaan voor de oplegging van een verwijderingsbevel voor het aangewezen dealeroverlastgebied DOG 1.1 (centrum/de wallen) voor de duur van drie maanden.

1.3. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser dit verwijderingsbevel voor het dealeroverlastgebied DOG 1.1 opgelegd. Dit besluit is gepubliceerd in de krant “Metro Amsterdam”.

2. Standpunten van partijen

2.1. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat op grond van het proces-verbaal van 13 maart 2011 voldoende aannemelijk is dat eiser zich op de weg ophield om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te verkopen. Bij eiser is een plastic bolletje aangetroffen dat een witte, op cocaïne gelijkende stof bevatte. Hiermee is voldoende aannemelijk dat eiser artikel 2.7, tweede lid, van de APV heeft overtreden. Eiser is op 4 januari 2011 ook al aangehouden in verband met gedragingen waarbij het in artikel 2.7, tweede lid, van de APV neergelegde verbod is overtreden. Gelet op het voorgaande heeft verweerder het dealerverblijfsverbod van artikel 2.9A van APV kunnen opleggen.

2.2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de artikelen 2.7 en 2.9A van de APV onverbindend zijn. Voorts betwist eiser dat hij zich op de openbare weg zodanig heeft gedragen dat aannemelijk is dat hij verdovende middelen of daarop gelijkende waar verkocht en dat hij passanten over ‘Charlie’, verdovende middelen of daarop gelijkende waar heeft aangesproken. De betreffende strafzaak tegen hem is geseponeerd en de beweerde verweten gedragingen zijn gebaseerd op de waarneming van één verbalisant. Eiser betwist voorts dat het van algemene bekendheid is dat met ‘Charlie’ cocaïne wordt bedoeld.

Voor zover eiser de gedragingen al zou hebben tentoongespreid is daarmee nog geen sprake van ernstige overlast of van verstoring van de openbare orde en dus geen reden voor oplegging van de betreffende maatregel.

Nu niets wordt gedaan met de materiële norm die eiser zou hebben overtreden - de strafzaak betreffende verkoop van drugs is geseponeerd – maar wel het middel van gebiedsverbod wordt toegepast wordt de rechtsbescherming uitgehold. De strafrechtelijke aanhouding wordt alleen gebruikt om het traject van gebiedsverboden op grond van de APV op te starten.

Eiser heeft geen relevante antecedenten op het gebied van de Opiumwet en heeft evenmin eerder voor overlast gezorgd.

3. Wettelijk kader en regelgeving

3.1. Artikel 121 van de Gemeentewet bepaalt dat de bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten, algemene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen is voorzien, blijft gehandhaafd, voor zover de verordeningen met die wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale verordeningen niet in strijd zijn.

3.2 Op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de APV is het verboden zich op of aan de weg op te houden als aannemelijk is dat dit gebeurt om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, dan wel slaapmiddelen, kalmeringsmiddelen of stimulerende middelen of daarop gelijkende waar, te kopen of te koop aan te bieden.

3.3. Op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de APV kan verweerder een overlastgebied aanwijzen als naar zijn oordeel sprake is van een ernstige verstoring of bedreiging van de openbare orde. Hij bepaalt daarbij of artikel 2.9, 2.9A of 2.9B van toepassing is.

3.4. Op grond van artikel 2.9A van de APV is diegene die zich in een op grond van artikel 2.8, eerste lid, aangewezen overlastgebied op of aan de weg ophoudt waarbij aannemelijk is dat dit gebeurt om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet en/of daarop gelijkende waar te verkopen of te koop aan te bieden en antecedenten heeft op het gebied van het verkopen of te koop aanbieden van drugs en/of daarop gelijkende waar verplicht zich onmiddellijk uit dat overlastgebied te verwijderen en zich daar voor de duur van drie maanden niet meer te bevinden, wanneer de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel heeft gegeven.

3.5. Artikel 2 van de Opiumwet bepaalt:

Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:

A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;

B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;

C. aanwezig te hebben;

D. te vervaardigen.

Op lijst I staat cocaïne genoemd.

4. Inhoudelijke beoordeling

4.1. Eiser heeft aangevoerd dat de artikelen 2.7 en 2.9A van de APV onverbindend zijn, omdat de Opiumwet het voorhanden hebben en verkopen van (hard)drugs reeds verbiedt. Eiser heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 13 juli 2011 (LJN:BR1425). De ABRvS heeft in deze uitspraak overwogen dat voor gemeentelijke verbods- en strafbepalingen die voorschriften uit de Opiumwet dupliceren, ongeacht het motief dat daaraan ten grondslag ligt, geen ruimte bestaat.

4.2. Daargelaten het antwoord op de vraag of artikel 2.9A van de APV als een op zichzelf staande bepaling moet worden beschouwd, danwel in samenhang moet worden gelezen met artikel 2.7, tweede lid, van de APV, is de rechtbank van oordeel dat artikel 2.7, tweede lid, van de APV niet hetzelfde gedrag verbiedt als artikel 2 van de Opiumwet.

4.3. De artikelen 2.9A en 2.7, tweede lid, van de APV verbieden enkel het zich op of aan de weg ophouden als aannemelijk is dat dit gebeurt om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, dan wel slaapmiddelen, kalmeringsmiddelen of stimulerende middelen of daarop gelijkende waar, te kopen of te koop aan te bieden.

4.4. De rechtbank acht van belang dat dus niet het daadwerkelijke kopen of verkopen is verboden, maar uitsluitend de aanwezigheid op of aan de weg als de betrokkene het voornemen heeft om de in artikel 2.7, tweede lid, genoemde handelingen te verrichten.

4.5. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de overlast van en rondom straathandel in harddrugs en/of daarop gelijkende middelen in bepaalde gebieden van Amsterdam onaanvaardbaar hoog is. Dit draagt significant bij aan gevoelens van onveiligheid bij bewoners en ondernemers. Voor een belangrijk deel zijn de dealers die zich in die gebieden ophouden verantwoordelijk voor veel overlast. Het dealen gaat gepaard met intimidatie en geweld naar passanten, gebruikers en andere dealers. Er is een sterke verwevenheid tussen dealen, handel in nepdope, hosselen en straatroven. De straathandel drukt een negatief stempel op het imago van de stad. De aanhoudende problematiek van straathandel is ernstig en structureel van aard. Met het opleggen van verblijfsverboden aan dealers in het dealeroverlastgebied wordt in de eerste plaats beoogd een einde te maken aan de ernstige verstoring van de openbare orde die met het dealen zelf gepaard gaat. Door dealers voor langere tijd uit een dealeroverlastgebied te weren worden deze gebieden minder aantrekkelijk voor gebruikers, zodat ook de daaraan gerelateerde overlast afneemt. Tevens wordt op deze manier beoogd de loop uit het gebied te halen. Het verbod geldt dus de overlast veroorzakende handelingen en gedragingen die samengaan met het dealen.

4.6. Gelet op het hiervoor overwogene valt naar het oordeel van de rechtbank noch uit de letterlijke tekst van de artikelen 2.7, tweede lid en 2.9A, van de APV, noch uit het doel dat met deze artikelen wordt beoogd, af te leiden dat de betreffende artikelen zich begeven op het gebied dat door artikel 2 van de Opiumwet wordt bestreken. Dit geldt eens te meer voor het te koop aanbieden van nepdrugs, welke handeling niet verboden is in de Opiumwet.

4.7. De rechtbank ziet hierin een verschil met het zogenaamde blowverbod dat aan de orde was in de uitspraak van de ABRvS van 13 juli 2007 en is van oordeel dat de artikelen 2.7, tweede lid en 2.9A van de APV niet als onverbindend kunnen worden aangemerkt.

4.8. De rechtbank stelt voorop dat het feit dat de strafzaak tegen eiser is geseponeerd niet doorslaggevend is voor de beoordeling in deze zaak. Volgens vaste rechtspraak maakt de bestuursrechter een eigen afweging met betrekking tot de aan de orde zijn feiten en omstandigheden. In een strafrechtelijke procedure ligt een andere rechtsvraag ter beantwoording voor, terwijl er ook een aanmerkelijk verschil bestaat tussen de vereisten waaraan het bewijs in strafzaken moet voldoen en de vereisten voor het bewijs in een bestuursrechtelijke beroepsprocedure. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 10 oktober 2006 (LJN: AZ0174) en 9 december 2009 (LJN: BK5967).

4.9. Partijen verschillen van mening over de vraag of eiser zich op 13 maart 2011 op de openbare weg zodanig heeft gedragen dat aannemelijk is dat hij verdovende middelen of daarop gelijkende waar verkocht. Op grond van de inhoud van het proces-verbaal van 13 maart 2011, in samenhang bezien met de gedragingen van eiser (het postvatten, heen en weer lopen en voorbijgangers aanspreken), het feit dat bij eiser een bolletje met een op cocaïne gelijkende stof is aangetroffen en het antecedent van 4 januari 2011 acht de rechtbank het zozeer waarschijnlijk dat eiser zich op de weg ophield om middelen als bedoeld in artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te verkopen, dat dit daarom als vaststaand behoort te worden aangenomen. De rechtbank acht dan ook voldoende aannemelijk dat eiser artikel 2.7, tweede lid, van de APV heeft overtreden. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant voor de hier aan te leggen beoordeling of bij het grote publiek van algemene bekendheid is dat met ‘Charlie’ cocaïne bedoeld wordt.

4.10. Met betrekking tot eisers stelling dat hij geen relevante antecedenten op het gebied van de Opiumwet heeft en niet eerder voor overlast heeft gezorgd overweegt de rechtbank dat uit de gedingstukken blijkt dat eiser op 4 januari 2011 ook is aangehouden in verband met gedragingen waarbij het in artikel 2.7, tweede lid, van de APV neergelegde verbod is overtreden. Eiser heeft tegen het 24-uurs verblijfsverbod dat hem naar aanleiding daarvan is opgelegd geen bezwaar gemaakt, zodat dit besluit in rechte vaststaat. In de toelichting op artikel 2.9A van de APV is bepaald dat het begrip antecedent ruim moet worden opgevat. De burgemeester kan van de bevoegdheid van artikel 2.9A van de APV gebruik maken ten aanzien van personen die tevens antecedenten hebben op het gebied van handel in drugs of daarop gelijkende waar. Het kan daarbij gaan om veroordelingen, maar ook om politiemutaties. Gelet hierop betreft het 24-uurs verblijfsverbod van 4 januari 2011 een antecedent als bedoeld in artikel 2.9A van de APV.

4.11. De rechtbank begrijpt de stelling van eiser dat zijn rechtsbescherming wordt uitgehold aldus dat eiser betoogt dat het gebiedsverbod een te zwaar middel is nu de strafzaak van eiser is geseponeerd en het verhoor na de aanhouding heel summier is geweest. Dat de strafzaak door het Openbaar Ministerie is geseponeerd doet naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet af aan verweerders bevoegdheid op grond van de APV. Zoals volgt uit het voorgaande is voldoende komen vast te staan dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 2.9A, zodat verweerder bevoegd was het gebiedsverbod op te leggen. Voor wat betreft de wijze waarop verweerder de wederzijdse belangen heeft afgewogen, en de proportionaliteit van de bestreden maatregel merkt de rechtbank het volgende op.

4.12. Eisers stelling dat zijn gedrag niet kan worden beschouwd als ernstige overlast of verstoring van de openbare orde en dat dus geen aanleiding bestond om de betreffende maatregel op te leggen volgt de rechtbank niet. De rechtbank verwijst allereerst naar hetgeen hiervoor, in 4.5 is overwogen. Daaruit blijkt dat – anders dan eiser veronderstelt – de openbare orde niet (alleen) wordt verstoord wanneer een dealer ordeverstorende gedragingen verricht zoals het plegen van geweldsdelicten of het openlijk gebruiken van en het handelen in harddrugs. De openbare orde wordt ook verstoord door het dealen als zodanig, mede gelet op de aanzuigende werking die het dealen heeft op gebruikers en andere dealers. Dealers die zich in een dealeroverlastgebied ophouden zijn daarmee in algemene zin verantwoordelijk voor veel overlast. Zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft toegelicht is in de dealeroverlastgebieden daadwerkelijk sprake van een ernstige overlast. Zo worden toeristen en andere voorbijgangers regelmatig in portieken geduwd om hen te dwingen (nep)drugs te kopen. Bovendien kan de burgemeester optreden niet alleen bij een daadwerkelijke verstoring van de openbare orde, maar ook wanneer sprake is van een bedreiging van de openbare orde. De rechtbank kan het standpunt van verweerder volgen dat het gedrag van eiser een bijdrage heeft geleverd aan het geheel van ordeverstorende gedragingen in het dealeroverlastgebied en daarom is aan te merken als verstoring van de openbare orde.

4.13 In het licht van het voorgaande heeft verweerder terecht zijn belang van handhaving van de openbare orde zwaarder laten wegen dan de belangen die eiser had bij toegang tot het overlastgebied.

4.14. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

4.15. De rechtbank ziet geen aanleiding één der partijen te veroordelen in de proceskosten of te bepalen dat het griffierecht aan eiser moet worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Singeling, voorzitter,

mrs. T.P.J. de Graaf en I.W. Neleman, leden, in aanwezigheid van

mr. I.H.H.Krajenbrink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2012.

de griffier de voorzitter

de griffier is buiten staat

deze uitspraak mede te ondertekenen

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB