Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY0459

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2012
Datum publicatie
17-10-2012
Zaaknummer
AWB 11-5134 WABOA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bomenkap ivm bereikbaarheid ziekenhuis. Illegale kap, spoedweg. Geen onderzoek naar de bereikbaarheid van het onderzoek. Beroep gegrond. De rechtbank is van oordeel dat na het advies van de Commissie Bezwaarschriften alsmede het oordeel van de voorzieningenrechter, het voor verweerder duidelijk had moeten zijn dat het op zijn weg lag om onderzoek te verrichten naar dit gestelde maatschappelijke belang, door bijvoorbeeld verkeersdrukmetingen te verrichten en onderzoek te verrichten naar de aanrijtijden van ambulances. Dit geldt des te meer nu door eiser en ook door anderen in de bezwaarfase deze onbereikbaarheid van het ziekenhuis betwist wordt. De rechtbank is van oordeel dat, na de illegale kap van de 33 bomen, verweerder de noodzaak van de kap van de resterende bomen niet heeft onderbouwd. Daarbij hecht de rechtbank er belang aan dat er thans door de illegale kap een 'spoedweg' is gerealiseerd, waarmee het ziekenhuis in ieder geval door ambulances wordt bereikt en de bereikbaarheid dus nog minder dan voorheen in het gedrang is. Bovenstaand oordeel wordt niet anders nu de werkzaamheden inmiddels zijn begonnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/5134 WABOA

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. A. Kamphuis,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum,

verweerder,

gemachtigde ing K.R. Kooistra.

Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen:

de Stichting Tergooiziekenhuizen,

gevestigd te Hilversum,

vergunninghouder,

gemachtigde mr. M. Bekooy.

Procesverloop

Op 24 maart 2011 heeft verweerder twee afzonderlijke besluiten genomen (de primaire besluiten) waarin aan vergunninghouder de gevraagde omgevingsvergunningen voor het kappen van in totaal 154 bomen op het terrein van haar ziekenhuis is verleend.

Bij besluit van 20 oktober 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2012.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde alsmede [A] en [B]. Tevens is verschenen [C], belangstellende.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. In verband met de risico’s van blokkades of stremmingen tijdens de uitvoering van verschillende werkzaamheden door de gemeente Hilversum rond het Tergooiziekenhuis te Hilversum, heeft vergunninghouder op 18 januari 2011 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het kappen van 106 bomen op het perceel C7046 en 48 bomen op het perceel C7304 (hoek Soestdijkerstraatweg – Oostereind) te Hilversum. Deze kap is noodzakelijk voor het aanleggen van een door vergunninghouder noodzakelijk geachte tweede (tijdelijke) ontsluitingsweg voor het ziekenhuis.

1.2. Bij afzonderlijke besluiten, gepubliceerd op 24 maart 2011, heeft verweerder aan vergunninghouder de gevraagde omgevingsvergunningen verleend. Bij brief van 1 mei 2011 heeft eiser bezwaar ingesteld tegen deze besluiten.

1.3. Vervolgens heeft verweerder – in afwijking van het advies van de Commissie Bezwaarschriften – het bezwaar bij besluit van 20 oktober 2011 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser bij brief van 28 oktober 2011 beroep ingesteld en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

1.4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 november 2011, samen met de voortgezette behandeling van het verzoek in de zaak AWB 11/5039 WABOA van [C]. De voorzieningenrechter heeft het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen. De voorzieningenrechter heeft het bestreden besluit van 20 oktober 2011, alsmede de afzonderlijke besluiten (omgevingsvergunningen) van 24 maart 2011 geschorst totdat op het beroep tegen het besluit van 20 oktober 2011 is beslist.

1.5. Na de uitspraak van de voorzieningenrechter heeft er illegale kap plaatsgevonden doordat in strijd met de uitspraak 33 bomen op de desbetreffende percelen zijn gekapt. Met de illegale kap is een ‘spoedweg’ gerealiseerd, welke geschikt is voor en ook gebruikt wordt door ambulances. Deze ‘spoedweg’ is gesitueerd vanaf de Soestdijkerstraatweg, loopt door de betreffende percelen en eindigt bij het Tergooiziekenhuis, te Hilversum. De ‘spoedweg’ betreft een weg geschikt voor tweerichtingsverkeer en is ongeveer gelegen op de route van de beoogde ontsluitingsweg, waarvoor de omgevingsvergunningen inzake het kappen in de primaire besluiten waren verleend.

1.6. Ter zitting is gebleken dat er inmiddels een nieuwe aannemer is gevonden. De beoogde werkzaamheden op Oostereind en op het kruispunt met de Soestdijkerstraatweg zijn inmiddels aangevangen.

2. Standpunten van partijen

2.1. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een groot maatschappelijk belang om met het kappen van de bomen en het als gevolg daarvan kunnen aanleggen van een tijdelijke ontsluitingsweg, de bereikbaarheid van het ziekenhuis te kunnen waarborgen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden aan het Oostereind – Soestdijkerstraatweg.

2.2. In beroep heeft eiser – kort weergegeven – aangevoerd dat de werkzaamheden aan het Oostereind – Soestdijkerstraatweg inmiddels een jaar gaande zijn en er sindsdien nog geen calamiteiten zijn geweest. Mocht er toch sprake zijn van problemen in de route van en naar het ziekenhuis, dan had een andere planning van de werkzaamheden en alternatieve routes door verweerder overwogen moeten worden, aldus eiser. Daartoe heeft de Commissie Bezwaarschriften terecht overwogen dat de toegankelijkheid van het ziekenhuis met de bestaande aan- en afvoerroutes in feite niet afwijken van de situatie daarvoor. Voorts heeft de Commissie Bezwaarschriften terecht geoordeeld dat een termijn van anderhalf jaar te kort is om aan het kapvergunningenbeleid te voldoen. Verweerder had hier rekening mee moeten houden, aldus eiser. Voorts heeft eiser aangevoerd dat het ziekenhuis niet heeft onderbouwd dat de verkeersdruk zodanig is dat daarmee de acute zorg (ambulancevervoer) in gevaar komt. Ten slotte heeft eiser aangevoerd dat het reactiedocument alleen een reactie betreft op de brieven van bezwaarden en dat daarin geen heroverweging plaatsvindt ten aanzien van de grondslagen van het bezwaar en het Kapvergunningenbeleid.

3. Wettelijk kader

3.1. Op grond van artikel 4.5.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Hilversum (APV) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een houtopstand te vellen of te doen vellen.

3.2. Op grond van artikel 4.5.4, eerste lid, van de APV kunnen burgemeester en wethouders de kapvergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van de handhaving van het natuur-, landschaps- of dorps-/stadsschoon of om andere redenen van milieubeheer. Zij kunnen hierbij als criterium de boomwaarde hanteren.

3.3. Op grond van het Kapvergunningbeleid van de gemeente Hilversum (het beleid) gelden de regels voor het kappen (vellen en verplanten) van bomen, die, gemeten op een hoogte van 1,30 meter boven de grond, een stamdiameter hebben van 20 centimeter of meer, zowel voor bomen in tuinen en plantsoenen als voor bomen in de openbare ruimte. De bij de gemeente ingediende kapaanvragen worden getoetst aan de selectiecriteria zoals weergegeven in bijlagen 2, 3, 4, 5 en 6. De te vellen bomen worden ingedeeld in een van de drie beleidscategorieën, de eerste, tweede of derde categorie. Ingeval de kapvergunning wordt aangevraagd ten behoeve van een bouwwerk of andere aanleg wordt het belang hiervan voor de samenleving op grond van bijlage 6 van het beleid vertaald in een prioriteitstelling, prioriteit één, twee, drie of vier. De categorie van de bomen wordt volgens een schema afgewogen tegen de prioriteit van het bouwwerk of andere aanleg en op basis hiervan wordt al dan niet een kapvergunning afgegeven. Bij ‘verlenen’ geldt bovendien dat geen alternatief mogelijk is (passend binnen het bestemmingsplan) en dat er geen bouwkundige oplossingen mogelijk zijn die tot behoud van de houtopstand leiden.

3.4. Prioriteit 1 houdt het volgende in: “bouwwerk of aanleg van groot maatschappelijk belang, waaronder redenen van sociale en economische aard. Dit is geen absoluut begrip. Het bouwwerk of de aanleg moet in ieder geval bijdragen aan fundamentele waarden (milieu, veiligheid, gezondheid) of een groot sociaal-economisch belang dienen. Het kan ook gaan om particuliere initiatieven voor het algemene nut (o.a. transport, energie, communicatie). Het belang moet voor een lange termijn gelden. Belangrijk is dat het belang goed gemotiveerd wordt”.

3.5. Prioriteit 2 houdt het volgende in: “bouwwerk of aanleg van maatschappelijk belang voor een lange termijn. Anders dan bij prioriteit 1 is er geen sprake van zwaarwegende belangen. Tevens een bouwwerk, een hoofdgebouw zijnde (woning, kantoor, etc.) van individueel belang dat past binnen het vigerende bestemmingsplan”.

4. Inhoudelijke beoordeling

4.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij één bestreden besluit heeft besloten op het bezwaar tegen twee verleende vergunningen, die slechts twee percelen betreffen maar overigens aangevraagd zijn met het oog op één te realiseren plan. Het beroep is gericht tegen dat ene besluit en de beoordeling van het beroep betreft ook een beoordeling tegen bovengenoemd toetsingskader van dat ene plan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het beroep zich richt tegen dit gehele plan. Daarbinnen past niet een afzonderlijke toets of eiser al dan niet belanghebbende is ten aanzien van bomen op het ene dan wel het andere perceel. Nu vaststaat dat eiser belanghebbende is ten aanzien van sommige van de te kappen bomen, merkt de rechtbank eiser aan als belanghebbende in dit beroep dat handelt over een rechtsoordeel over beide omgevingsvergunningen.

4.2. De rechtbank sluit zich daarnaast aan bij het oordeel van de voorzieningenrechter dat hoewel in beginsel uit moet worden gegaan van een ruime discretionaire bevoegdheid van verweerder tot het verlenen van een vergunning als het hier betreft, verweerder zijn bevoegdheid in deze heeft ingevuld met beleidsregels. Volgens deze beleidsregels zijn de te kappen bomen, hetgeen tussen partijen niet in geschil is, van de tweede categorie, zodat, om deze te mogen kappen, er volgens het beleid sprake dient te zijn van prioriteit 1 of 2.

4.3. De vraag die daarom beantwoord dient te worden is of er (minimaal) sprake is van (groot) maatschappelijk belang, dat voor een langere termijn geldt, op grond waarvan verweerder de omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen mocht verlenen.

4.4. De rechtbank stelt voorop dat de bereikbaarheid van het ziekenhuis van groot maatschappelijk belang is. Dit belangrijke aspect in de onderhavige procedure wordt door alle partijen erkend. In geschil is wel of met deze geplande – en inmiddels aangevangen – werkzaamheden de bereikbaarheid van het ziekenhuis ook daadwerkelijk in gevaar komt en daarmee of het kappen van de bomen dit maatschappelijke belang ook dient. Overigens is ter zitting gebleken dat de werkzaamheden nog ongeveer een jaar zullen duren.

4.5. De rechtbank stelt vast dat de Commissie Bezwaarschriften een negatief advies heeft gegeven voor de omgevingsvergunning betreffende de kap van de 154 bomen. De Commissie Bezwaarschriften heeft aan dat advies ten grondslag gelegd dat verweerder onvoldoende het gevaar van de bereikbaarheid van het ziekenhuis aannemelijk heeft gemaakt. Ook de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het realiseren van de noodweg van belang is voor het bereiken van het ziekenhuis. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de bereikbaarheid van het ziekenhuis zodanig is verminderd en tot gevaarlijke situaties leidt, dat er sprake is van een maatschappelijk belang dat de kap kan rechtvaardigen.

4.6. De rechtbank is van oordeel dat na het advies van de Commissie Bezwaarschriften alsmede het oordeel van de voorzieningenrechter, het voor verweerder duidelijk had moeten zijn dat het op zijn weg lag om onderzoek te verrichten naar dit gestelde maatschappelijke belang, door bijvoorbeeld verkeersdrukmetingen te verrichten en onderzoek te verrichten naar de aanrijtijden van ambulances. Dit geldt des te meer nu door eiser en ook door anderen in de bezwaarfase deze onbereikbaarheid van het ziekenhuis betwist wordt. De rechtbank is van oordeel dat, na de illegale kap van de 33 bomen, verweerder de noodzaak van de kap van de resterende bomen niet heeft onderbouwd. Daarbij hecht de rechtbank er belang aan dat er thans door de illegale kap een ‘spoedweg’ is gerealiseerd, waarmee het ziekenhuis in ieder geval door ambulances wordt bereikt en de bereikbaarheid dus nog minder dan voorheen in het gedrang is.

4.7. Bovenstaand oordeel wordt niet anders nu de werkzaamheden inmiddels zijn begonnen. Weliswaar heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het verkeer op het Oostereind nu en dan wordt stilgelegd, maar daarmee is nog niet duidelijk welke gevolgen dit heeft voor de bereikbaarheid van het ziekenhuis. Ook hiermee is immers niet onderbouwd dat de bereikbaarheid van het ziekenhuis daadwerkelijk in gevaar is.

4.8. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de thans bestaande ‘spoedweg’ een inadequate oplossing is in verband met de toegankelijkheid voor de brandweer. Dit standpunt maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Dit oordeel houdt immers in dat onvoldoende is onderbouwd dat de bereikbaarheid (dus ook voor brandweerwagens) van het ziekenhuis in gevaar is door de wegwerkzaamheden en is slechts ten dele mede erop gebaseerd dat inmiddels een voorlopige “spoedweg” is gerealiseerd.

4.9. Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de door verweerder afgegeven omgevingsvergunningen berusten op onvoldoende onderzoek dan wel een onvoldoende motivering. Er is nog onvoldoende gebleken van het bestaan van een (groot) maatschappelijk belang, dat voor een langere termijn geldt, op grond waarvan verweerder de omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen had mogen verlenen. Het bestreden besluit komt derhalve voor vernietiging in aanmerking. De overige beroepsgronden behoeven geen nadere bespreking. Het beroep wordt gegrond verklaard.

4.10. De rechtbank ziet geen aanleiding tot finale geschilbeslechting in deze zaak. Op grond van het vorenoverwogene is het oordeel slechts dat verweerder onvoldoende met objectieve feiten of omstandigheden heeft onderbouwd dat de bereikbaarheid van het ziekenhuis in gevaar komt door de wegwerkzaamheden. Uit nader onderzoek dan wel met een nadere onderbouwing zou alsnog kunnen blijken dat dit wel het geval is. In dat geval zou er wel degelijk sprake kunnen zijn van een (groot) maatschappelijk belang dat gediend zou worden door de aanleg van een (bredere) noodweg. Dit kan thans nog niet worden beoordeeld. Verweerder zal daarom worden opgedragen binnen zes weken opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen. Bij dat besluit zal verweerder ook een nadere motivering dienen te geven omtrent het antwoord op de vraag of de termijn die nog met de werkzaamheden gemoeid zal zijn, beschouwd kan worden als een lange termijn als bedoeld in verweerders (hiervoor onder 3.4 en 3.5 aangehaalde) beleid.

4.11. De rechtbank merkt nog het volgende op. Ter zitting heeft verweerder de mogelijkheid van herplanting van de 33 illegaal gekapte bomen betwist in verband met de levensvatbaarheid van de ‘nieuw’ (in dezelfde leeftijd en staat) te planten bomen. De rechtbank is van oordeel dat het onderhavige beroep zich niet richt tegen deze herplant zodat dit buiten het thans te beoordelen geschil valt.

4.12. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van eiser voor verleende rechtshulp. Deze kosten worden begroot op € 874,00 in beroep. De rechtbank zal verweerder voorts opdragen het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om binnen zes weken na deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 152,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 874,00, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. Rombouts, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M. Kolkman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2012.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB