Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY0154

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
15-10-2012
Zaaknummer
480693 - HA ZA 11-253
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vertegenwoordigingsbevoegdheid, aanvulling rechtsgronden, aansprakelijkheid pseudovertegenwoordigers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 480693 / HA ZA 11-253

Vonnis van 29 augustus 2012

in de zaak van

de rechtspersoon naar het recht van Hong Kong GREAT EAST INDUSTRIAL LTD, gevestigd te Hong Kong (Volksrepubliek China), eiseres in conventie, verweerster in (voorwaardelijke) reconventie,

advocaat: mr. A. van Hees te Amsterdam,

tegen

1. [A],

wonende te [--],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat: mr. L.M. Graal te Amsterdam,

2. [B],

wonende te [--],

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

advocaat: mr. J.J. Poppe te Nieuwegein,

3. [C],

wonende te [--],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat: mr. L.M. Graal te Amsterdam.

Eiseres in conventie/verweerster in (voorwaardelijke) reconventie zal hierna worden aangeduid als Great East. Gedaagden in conventie sub 1 en 3/eisers in reconventie zullen hierna in mannelijk enkelvoud worden aangeduid als [A] c.s. en afzonderlijk als [A] en [C] Gedaagde in conventie sub 2/eiser in voorwaardelijke reconventie zal hierna worden aangeduid als [B].

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in incident van 14 september 2011, met de daarin vermelde gedingstukken;

- de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie van [B], met producties;

- het tussenvonnis van 9 november 2011, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 15 februari 2012, met de daarin vermelde conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie, tevens akte overlegging productie, tevens akte wijziging eis, met producties;

- de brief van mr. M.J. Dezentjé (hierna: mr. Dezentjé), raadsvrouwe van Great East, ter griffie ontvangen op 1 maart 2012 met betrekking tot de inhoud van het proces-verbaal van comparitie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Great East exploiteert een onderneming op het gebied van verkoop en levering van kleding aan derden.

2.2. New Europe Design B.V. (hierna: NED) was klant bij Great East. NED is bij vonnis van 29 juli 2008 failliet verklaard.

2.3. [B] is bestuurder van [X] Trading B.V. (hierna: [X] Trading). [X] Trading is bij vonnis van 16 maart 2010 failliet verklaard.

2.4. [Y] B.V. (hierna: [Y]) is [functie] en [hoedanigheid] van NED. [A] is [functie] en [hoedanigheid] van [Y]. [Y] is bij vonnis van 8 juni 2010 failliet verklaard.

2.5. Great East heeft tot aan het faillissement van NED opdrachten van haar ontvangen tot levering van kleding. Great East heeft [A] voorafgaand aan de faillietverklaring laten weten dat zij vanwege het dreigende faillissement van NED geen uitvoering aan deze opdrachten zou geven.

2.6. In het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor Amsterdam staat als per 1 augustus 2008 gevestigd ingeschreven, de rechtspersoon in oprichting "Barron Casual Tricot B.V. i.o." (hierna ook BCT i.o.). Als bestuurders van BCT i.o. staan ingeschreven [Y] en [X] Trading.

2.7. [B] heeft op 12 november 2008 een e-mail gezonden aan [D] (hierna: [D]) van Great East. De e-mail luidt, voor zover hier van belang:

"Onderwerp: (.) afbetaling oude schuld NED door BCT b.v.

(.)

In aansluiting aan ons gesprek van vorige week bevestig ik hierbij de afspraak die gemaakt is met betrekking tot de oude schuld van NED aan Great East.

Het oude saldo bedraagt plm $ 100.000

Op dit saldo moeten in mindering gebracht worden de diverse claims die er lopen. [A] [rechtbank: [A]] en [C] [rechtbank: [C]] zorgen er zoals afgesproken is voor dat binnen 2 weken alles m.b.t. deze claims op papier gezet wordt.

Met betrekking tot het saldo wat resteert na verrekening van de diverse claims is afgesproken dat dit terugbetaald wordt met een maandelijkse betaling van $ 15.000,-- e.e.a. met ingang van de maand april 2009.

Wellicht ten overvloede merk ik over e.e.a. nog op dat er t.z.t. voor het saldo wat door BCT betaald gaat worden door Great East wel facturen gemaakt moeten worden naar BCT b.v.

Ik hoop hiermede e.e.a. voldoende bevestigt te hebben."

2.8. [D] heeft [B] hierop op 12 november 2008 het volgende teruggeschreven:

"Dank voor je schriftelijke bevestiging, facturen opstellen op BCT is geen probleem, we wachten de afhandeling mbt de claims af, zoals bekend is er door ons reeds meerdere malen hierop gereageerd, per mail en per telefoon (.) dus onze standpunten zijn bekend."

2.9. [B] heeft mr. Dezentjé, advocate van Great East, op 5 januari 2009 geschreven:

"BCT b.v. heeft een schuld aan Great East van $ 43.71,24. Met deze schuld moet verrekend worden een claim die BCT b.v. heeft op Great East b.v. van ? 52.012,84 uit hoofde een ondeugdelijk geleverde partij linnen broeken. (.)

(.)

Schikkingsvoorstel BCT/Great East b.v.

1 BCT b.v. erkent de schuld aan Great East van $ 43.714,24 (.)

2 Great East b.v. erkent de claim van BCT b.v. van ? 52.012,84 (.)

3 BCT b.v. is bereid een oplossing te zoeken voor de oude schuld van NED b.v. aan Great East. Deze schuld wordt vastgesteld op $ 60.000,-- (.)

Als we de bedragen genoemd onder de punten 1 tot en met 3 salderen komen we uit op een per saldo verschuldigd bedrag door BCT b.v. aan Great East b.v. van ? 13.166,50. BCT b.v. is bereid dit bedrag te voldoen in een 2 tal termijnen, te weten ? 7.500,-- direct bij het bereiken van overeenstemming over dit schikkingsvoorstel en het restant uiterlijk per 31.01.2010."

2.10. In het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor Amsterdam stond BCT i.o. op 14 december 2010 nog steeds geregistreerd als in oprichting zijnde.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Great East vordert - na eiswijziging en verkort weergegeven - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [A], [C] en [B] hoofdelijk, dan wel [A] en/of [C] en/of [B] voor het geheel, althans voor een in goede justitie te bepalen bedrag veroordeelt:

1. tot betaling aan Great East van USD 124.777,77 en EUR 3.262,77, vermeerderd met wettelijke handelsrente over deze bedragen en buitengerechtelijke kosten;

2. in de proceskosten, met bepaling dat over deze kosten wettelijke rente verschuldigd is vanaf de datum van het te dezen te wijzen vonnis;

3. in de nakosten van EUR 131,--, dan wel in het geval van betekening, van EUR 199,--.

3.2. Great East legt - onder verwijzing naar de door haar gestelde feiten en de in het geding gebrachte stukken en hier samengevat weergegeven - aan haar vordering ten grondslag dat [A] c.s. en [B] namens BCT i.o. met Great East zijn overeengekomen dat BCT i.o. facturen voor leveringen aan NED aan Great East zou voldoen. Daarnaast hebben [A], [C] en [B] namens BCT i.o. opdrachten aan Great East gegeven tot levering van kleding. Great East heeft deze opdrachten uitgevoerd en heeft hiervoor aan BCT i.o. gefactureerd. BCT i.o. heeft echter zowel de facturen voor de leveringen aan NED als de facturen voor leveringen aan BCT i.o. niet voldaan. Omdat BCT i.o. tot nu toe niet is opgericht, zijn [A] c.s. en [B] op de voet van artikel 2:203 lid 2 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) naast BCT i.o. hoofdelijk verbonden om de facturen tot totaal USD 124.777,77 (USD 85.138,67 betreffende NED en USD 39.639,10 betreffende BCT i.o.) en EUR 3.262,77 (EUR 500,88 betreffende NED en EUR 2.761,89 betreffende BCT i.o.) te voldoen. Zij hebben rechtshandelingen verricht namens een op te richten vennootschap. [A] c.s. en [B] hebben tegenover Great East steeds de indruk gewekt dat de vennootschap perfect was. Zij spraken namelijk steeds over en handelden namens Barron Casual Tricot B.V. en spraken niet over en handelden niet namens Barron Casual Tricot B.V. in oprichting. Great East maakt naast betaling van de hoofdsom aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente van artikel 6:119a BW. Verder maakt Great East op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Het betreft hier kosten voor andere werkzaamheden dan die waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) een vergoeding plegen in te houden. Aldus - steeds - Great East.

3.3. [A] c.s. voert tegen de vorderingen - onder verwijzing naar de door hem gestelde feiten en de in het geding gebrachte stukken en hier samengevat weergegeven - het volgende aan. De juistheid van het door Great East bij dagvaarding als productie 6 overgelegde overzicht met facturen wordt betwist. Dat overzicht bevat slechts de aanduiding van een datum, zonder jaartal en factuurnummer, en een aantal facturen. Tussen Great East en BCT i.o. is geen overeenkomst tot stand gekomen betreffende betaling door BCT i.o. van facturen voor leveringen aan NED. Voor zover er wel een rechtshandeling is verricht dan heeft [A] c.s. deze niet namens BCT i.o. verricht. Tot slot geldt dat de vordering van Great East is tenietgegaan door verrekening door BCT i.o. met haar vordering van EUR 52.012,84. [A] c.s. verzet zich tegen eventuele uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het te wijzen vonnis. Nederland heeft geen verdrag met Hong Kong, althans met de Volksrepubliek China, voor de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen. [A] c.s. loopt dus een restitutierisico als hij in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld. Primair verzoekt [A] c.s. om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en subsidiair verzoekt hij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad uitsluitend te geven onder de voorwaarde dat Great East een bankgarantie stelt ter hoogte van het door [A] c.s. te betalen bedrag, vermeerderd met rente en kosten.

3.4. [B] heeft op zijn beurt tegen de vorderingen aangevoerd dat er tussen Great East en BCT i.o. geen overeenkomst tot stand is gekomen, die betrekking heeft op betaling door BCT i.o. van facturen voor leveringen aan NED. [B] heeft geen rechtshandelingen namens BCT i.o. verricht. Great East heeft verder haar substantiëringsplicht geschonden, doordat zij de hoogte van haar beweerde vordering niet inzichtelijk heeft gemaakt. BCT i.o. heeft een vordering op Great East van EUR 52.012,84, die zij kan verrekenen. Er zijn door Great East geen buitengerechtelijke kosten gemaakt. Voor zover zij wel zijn gemaakt, is niet duidelijk waaruit deze kosten bestaan. [B] verzet zich eveneens tegen uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het te wijzen vonnis, op dezelfde gronden als door [A] c.s. aangevoerd. Ook [B] verzoekt primair om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en subsidiair om de uitvoerbaarverklaring bij voorraad uitsluitend te geven onder de voorwaarde dat Great East een bankgarantie stelt ter hoogte van het door [B] te betalen bedrag, vermeerderd met rente en kosten.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.6. [A] c.s. vordert - samengevat - dat de rechtbank:

1. voor recht verklaart dat BCT i.o. een vordering op Great East heeft van ten minste EUR 52.012,84;

2. voor recht verklaart dat BCT i.o. gerechtigd is haar vordering op Great East te verrekenen met vorderingen van Great East op BCT i.o.;

3. Great East veroordeelt in de proceskosten.

3.7. [A] c.s. legt - onder verwijzing naar zijn verweer in conventie - aan zijn vordering ten grondslag, dat BCT i.o. als gevolg van een ondeugdelijke levering door Great East kosten van ten minste EUR 52.012,84 heeft moeten maken. Great East dient deze kosten te voldoen. BCT i.o. kan daarom haar vordering verrekenen met de vorderingen van Great East.

3.8. De rechtbank begrijpt de hierna samengevat weergegeven vorderingen van [B] aldus, dat de rechtbank - onder voorwaarde dat de vordering van Great East in conventie toewijsbaar is -:

1. voor recht verklaart dat, indien en voor zover de vordering in conventie toewijsbaar is, BCT i.o. een vordering heeft op Great East van ten minste EUR 52.012,84;

2. voor recht verklaart dat BCT i.o., voor zover de vordering in conventie toewijsbaar is, gerechtigd is om haar vordering te verrekenen met de vordering die Great East op BCT i.o. meent te hebben;

3. Great East veroordeelt tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van het te dezen te wijzen vonnis;

4. Great East veroordeelt in de proceskosten en daarbij bepaalt dat, in het geval de proceskosten en buitengerechtelijke kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis door Great East zijn voldaan, de proceskosten en de buitengerechtelijke kosten met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van het vonnis worden vermeerderd met wettelijke rente.

3.9. [B] legt - onder verwijzing naar zijn verweer in conventie - aan zijn vordering ten grondslag, dat BCT i.o. als gevolg van een ondeugdelijke levering door Great East, kosten van ten minste EUR 52.012,84 heeft moeten maken, die zij kan verrekenen met de vordering van Great East. [B] is verder door Great East in een positie gebracht dat hij genoodzaakt was juridische bijstand te zoeken. Hij heeft daardoor aanzienlijke kosten moeten maken, die Great East aan hem dient te vergoeden.

3.10. Great East voert verweer.

3.11. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

In conventie

4.1. Omdat de verweren van [A] c.s. en [B] vrijwel gelijkluidend zijn, zullen zij hierna gezamenlijk worden behandeld, tenzij anders vermeld. Waar hierna wordt gesproken over BCT B.V. wordt hiermee bedoeld de vennootschap die BCT i.o. na oprichting zou vormen.

Toepasselijkheid artikel 2:203 BW

4.2. Great East heeft aan haar vorderingen jegens [A] c.s. en [B] een beroep op artikel 2:203 lid 2 BW ten grondslag gelegd. Dit artikel luidt als volgt:

"Degenen die een rechtshandeling verrichten namens een op te richten besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid zijn, tenzij met betrekking tot die rechtshandeling uitdrukkelijk anders is bedongen, daardoor hoofdelijk verbonden, totdat de vennootschap na haar oprichting de rechtshandeling heeft bekrachtigd."

Partijen hebben hun debat gevoerd op basis van deze door Great East gestelde grondslag. Daarbij zijn zij onder meer ingegaan op de vraag of [A] c.s. en [B] vertegenwoordigend namens BCT i.o. hebben opgetreden.

4.3. Voor toepasselijkheid van artikel 2:203 lid 2 BW is noodzakelijk dat een rechtshandeling is verricht namens, of wel op naam van, de op te richten vennootschap BCT i.o. Great East heeft evenwel aan haar vordering de stelling ten grondslag gelegd dat [A] c.s. en [B] tegenover haar de schijn hebben gewekt dat BCT i.o. perfect was, waarbij de rechtbank perfect begrijpt als volledig opgericht. [A] c.s. en [B] spraken volgens Great East onvoorwaardelijk over en handelden namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Barron Casual Tricot B.V. en dus niet over en niet namens Barron Casual Tricot B.V. in oprichting (dagvaarding, randnummer 10). Uit deze stellingen van Great East volgt dat artikel 2:203 lid 2 BW in het onderhavige geval toepassing mist. [A] c.s. en/of [B] hebben immers blijkens de eigen stelling van Great East niet gehandeld op naam van de op te richten vennootschap, BCT i.o. Great East kan haar vorderingen dan ook niet op artikel 2:203 lid 2 BW baseren.

4.4. Op grond van artikel 25 Rv vult de rechter ambtshalve de rechtsgronden aan. De vraag of er, gelet op de over en weer door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden, aanleiding bestaat de vorderingen op een andere grondslag dan door Great East gesteld te beoordelen, wordt bevestigend beantwoord. In dit verband wordt overwogen, dat de vordering van Great East klaarblijkelijk tot doel heeft dat [A] c.s. en [B] de facturen van Great East voldoen. In de kern legt Great East daaraan ten grondslag, dat [A] c.s. en [B] een vennootschap hebben vertegenwoordigd, die niet bestaat omdat die vennootschap uiteindelijk niet is opgericht. Great East stelt daarmee aan de orde dat [A] c.s. en [B] pseudo-vertegenwoordigers waren. [A] c.s. en [B] hebben betwist dat zij BCT i.o. hebben vertegenwoordigd. Het is tegen deze achtergrond dat de beoordeling van de vorderingen in conventie op de grondslag van pseudo-vertegenwoordiging zal plaatsvinden. Aangezien partijen zich hebben uitgelaten over de vertegenwoordigingsvraag, bestaat er geen aanleiding hen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de op dit punt ambtshalve aanvulling van de rechtsgrond.

Overeenkomst tot betaling facturen voor leveringen aan NED

4.5. Anders dan [A] c.s. en [B], leest de rechtbank in de e-mail van [B] van 12 november 2008 de bevestiging van een overeenkomst tot betaling van facturen van NED - ongeacht de vraag hoe deze overeenkomst moet worden gekwalificeerd (borgstelling of schuldovername) -, met dien verstande dat op het openstaande bedrag claims van NED op Great East in mindering zouden moeten worden gebracht. Dat partijen nader overleg met elkaar zouden hebben over de precieze omvang van het per saldo te betalen bedrag, maar dat dit overleg uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden, doet aan het bestaan van de overeenkomst niet af. Evenmin leidt voormelde omstandigheid ertoe dat, zoals [A] c.s. en [B] lijken te betogen, Great East geen aanspraak zou kunnen maken op nakoming van de overeenkomst. [A] c.s. en [B] hebben niet, althans onvoldoende feitelijk onderbouwd gesteld, dat partijen met het nader te voeren overleg over de precieze omvang van het per saldo te betalen bedrag hebben beoogd een opschortende voorwaarde op te nemen, waarvan de niet vervulling aan opeisbaarheid in de weg staat.

4.6. De vraag of [A] c.s. en [B] als pseudo-vertegenwoordigers hebben opgetreden wordt bevestigend beantwoord voor de gestelde overeenkomst tot betaling van facturen voor leveringen aan NED. In dit verband wordt het volgende overwogen.

Tussen partijen staat vast dat Great East, in de persoon van [D], [A] c.s. en [B] in november 2008 met elkaar hebben gesproken over betaling van de aan NED gezonden facturen en over claims van NED op Great East die daarop in mindering zouden moeten worden gebracht. De e-mail van [B] aan [D] van 12 november 2008 (zie hiervoor onder 2.7) wordt geacht een weergave te zijn van hetgeen partijen in voormeld gesprek hebben besproken. Niet gesteld is immers dat er in november 2008 nog andere gesprekken hebben plaatsgevonden.

4.6.1. Gelet op het in de e-mail van [B] vermelde onderwerp "afbetaling oude schuld NED door BCT b.v." en de mededelingen van [B] in de e-mail dat hij de afspraak bevestigt en dat voor het door "BCT" te betalen saldo facturen moesten worden gezonden aan "BCT b.v." mocht Great East gerechtvaardigd erop vertrouwen dat [B] tijdens voormeld gesprek had opgetreden namens BCT B.V.

4.6.2. Great East mocht ook [A] c.s. gerechtvaardigd beschouwen als vertegenwoordigers van BCT B.V. Great East heeft onbetwist gesteld dat [A] c.s. en [B] haar hadden benaderd met het plan om via BCT B.V. de leveringen voort te zetten. Voor [C] geldt verder dat gesteld noch gebleken is, dat hij tijdens het hiervoor vermelde gesprek in een andere hoedanigheid dan als vertegenwoordiger van BCT B.V. aanwezig was. Vast staat, dat BCT B.V. niet is opgericht, zodat zowel [A] c.s. als [B] zijn opgetreden als vertegenwoordigers, waarvan de vertegenwoordigingsbevoegdheid echter niet bleek te bestaan (vergelijk artikel 3:70 jo. 3:78 BW).

4.6.3. [D] heeft ter comparitie van partijen verklaard dat Great East al meer dan 15 jaar zaken doet met [A] Verder heeft hij verklaard dat [A] c.s. en [B] Great East hadden benaderd met het verzoek om hulp bij een doorstart nu het faillissement van NED nabij was. Great East heeft in dit verband verder onbetwist gesteld dat de doorstart van NED zou plaatsvinden onder de naam Barron Casual Tricot B.V. of wel BCT B.V. Onder deze omstandigheden en gelet op de omstandigheid dat [A] en [B] zelf aan Great East geen duidelijkheid hebben verstrekt over de stand van zaken met betrekking tot de oprichting van BCT i.o., waar dit voor hen als bestuurders van de oprichters ([Y] en [X] Trading) wel op hun weg lag, behoefde Great East ook niet te weten of te begrijpen dat een toereikende vertegenwoordigingsbevoegdheid ontbrak.

4.7. Uit het oordeel onder 4.6 tot en met 4.6.3, dat zij zijn opgetreden als pseudo-vertegenwoordigers, volgt dat [A] c.s. en [B] op grond van artikel 3:70 BW jo. 3:78 BW aansprakelijk zijn voor de door Great East geleden schade. Uit artikel 3:70 BW volgt immers dat [A] c.s. en [B] jegens Great East dienen in te staan voor het bestaan en de omvang van de door hen gepretendeerde vertegenwoordigingsbevoegdheid. Dit houdt in dat [A] c.s. en [B], nu de vertegenwoordigingsbevoegdheid niet aanwezig blijkt te zijn, aan Great East de door het ontbreken van een toereikende vertegenwoordigingsbevoegdheid ontstane schade dienen te vergoeden. Deze schade omvat mede het voordeel dat de beoogde overeenkomst voor Great East zou hebben meegebracht. [A] c.s. en [B] zijn, gelet op het vorenstaande, aansprakelijk voor de door Great East geleden schade, die bestaat uit de onbetaald gebleven facturen voor leveringen aan NED.

4.8. [A] c.s. en [B] hebben zich op het standpunt gesteld dat BCT i.o. een tegenvordering heeft, die zij heeft verrekend (aldus [A] c.s.) c.q. kan verrekenen (aldus [B]). Dit verweer wordt aldus begrepen, dat [A] c.s. en [B] daarmee aanvoeren dat Great East het positief contractsbelang niet zou hebben kunnen bereiken ten gevolge van een oorzaak gelegen buiten het ontbreken van een toereikende vertegenwoordigingsbevoegdheid (zie in dit verband HR 20 februari 2004, NJ 2004/254). Het verweer van [A] c.s. en [B] ziet op de omvang van de door Great East geleden schade als gevolg van de pseudo-vertegenwoordiging en anders dan Great East betoogt, doen [A] c.s. en [B] met dat verweer geen beroep op een eigen recht.

4.9. Aan hun hiervoor onder 4.8 weergegeven verweer leggen [A] c.s. en [B] ten grondslag dat BCT i.o. opdracht aan Great East had gegeven tot levering van damesbroeken. BCT i.o. zou deze damesbroeken doorleveren aan een derde. Volgens [A] c.s. en [B] bevonden de geleverde broeken zich in slechte staat, waardoor BCT i.o. de broeken heeft moeten laten reconditioneren. [A] c.s. en [B] hebben gesteld dat BCT i.o. hiervoor kosten heeft moeten maken van ten minste EUR 52.012,84, bestaande uit kosten voor het per broek moeten uitpakken en beoordelen van de broek, het afknippen van draden aan de broeken en het nastrijken van de broeken.

[D] heeft ter comparitie van partijen verklaard dat Great East akkoord kon gaan met een bedrag van EUR 15.000,-- voor het reconditioneren van de broeken, maar dat er ook kosten werden geclaimd voor leveringen waar niets mee aan de hand was. [A] heeft ter comparitie van partijen onbetwist verklaard dat de claim is geaccepteerd, maar dat gediscussieerd is over de hoogte van de claim. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze verklaringen, dat de claim van BCT i.o. tot een bedrag van EUR 15.000,-- door Great East is geaccepteerd. Voor zover [A] c.s. en [B] menen dat BCT i.o. een groter bedrag kan c.q. kon verrekenen hebben zij hun stelling onvoldoende onderbouwd. Great East heeft immers betwist dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen, waarbij zij er ter comparitie van partijen op heeft gewezen dat vergoeding werd gevraagd van kosten voor zaken die niet gebrekkig waren geleverd. [A] c.s. en [B] hebben hier niets meer tegenovergesteld. Bij deze stand van zaken zal het vast te stellen schadebedrag slechts kunnen worden verminderd met EUR 15.000,--.

4.10. Uit het voorgaande volgt dat [A] c.s. en [B] in beginsel hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door NED onbetaald gelaten facturen van Great East wegens aan haar geleverde kleding, te verminderen met EUR 15.000,--.

4.11. [A] c.s. hebben de juistheid betwist van het door Great East als spreadsheet in het geding gebrachte overzicht van facturen betreffende sampleleveringen aan NED (dagvaarding, productie 6). Zij hebben onder meer erop gewezen dat uit dit overzicht niet kan worden opgemaakt uit welk jaar de leveringen dateren, welke samples het betreft en welke leveringen het betreft.

Het door Great East in het geding gebrachte spreadsheetoverzicht, waarvan hieronder als voorbeeld de eerste regel van het overzicht wordt weergegeven, ziet er als volgt uit:

Date Invoice No. Items Descriptions Amount Payment details Invoice to

14-Dec GE07-S315 proto sample/6pcs US$125.00 T/T NED

Het verdere overzicht is op dezelfde wijze opgebouwd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Great East met dit overzicht, voor wat betreft de daarin vermelde facturen, onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarop haar vordering betrekking heeft. Gelet op het gemotiveerde verweer van [A] c.s. mocht van Great East worden verwacht dat zij de betreffende facturen, waarover zij blijkens haar stelling bij dagvaarding wel beschikt (dagvaarding, randnummer 8), in het geding bracht en tegenover het verweer van [A] c.s. van een toelichting had voorzien. Nu zij dit niet heeft gedaan, heeft zij haar vordering jegens [A] c.s. op dit punt onvoldoende onderbouwd.

Opgemerkt wordt dat [B] weliswaar in algemene zin heeft aangevoerd dat Great East niet duidelijk heeft gemaakt hoe hoog haar vordering is, maar dat hij niet concreet inzichtelijk heeft gemaakt waarop hij dit verweer baseert. Hij heeft daarmee zijn verweer onvoldoende gemotiveerd, zodat dat verweer van [B] om deze reden faalt.

4.12. Uit het hiervoor onder 4.11 vermelde spreadsheetoverzicht blijkt dat het totaal van de facturen voor de sampleleveringen USD 9.585,17 (USD 1.006,89 + USD 8.578,28) en EUR 500,88 bedraagt. Deze bedragen zijn, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.11 is geoordeeld, niet toewijsbaar jegens [A] c.s. Jegens [A] c.s. is daarmee, voor wat betreft de NED-facturen, toewijsbaar USD 75.553,50 (USD 85.138,67 -/- USD 9.585,17) te verminderen met EUR 15.000,-- (zie hiervoor onder 4.9).

4.13. Jegens [B] is, voor wat betreft de NED-facturen, toewijsbaar USD 85.138,67 te verminderen met EUR 15.000,-- (zie hiervoor onder 4.9).

4.14. [A] c.s. en [B] hebben er nog op gewezen dat uit de pre-processuele correspondentie tussen partijen volgt dat de vordering van Great East op NED lager is dan thans in deze procedure door Great East gesteld. De enkele omstandigheid dat Great East in de pre-processuele fase aanspraak heeft gemaakt op een ander, lager, bedrag dan thans gevorderd kan echter - zonder nadere toelichting die aan de zijde van [A] c.s. en [B] ontbreekt - niet tot dat oordeel leiden. Het verweer faalt daarom.

Facturen voor leveringen aan BCT B.V.

4.15. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor onder 4.3 en 4.4 is overwogen. Hierna zal worden gesproken over leveringen aan BCT B.V. Met betrekking tot de grondslag van de vordering, geldt hier eveneens hetgeen hiervoor onder 4.3 en 4.4 is overwogen. De vordering zal daarom ook hier worden beoordeeld aan de hand van de grondslag pseudo-vertegenwoordiging.

4.16. Gelet op de aanvulling van de rechtsgrond, moeten de stellingen van Great East aldus worden begrepen, dat [A], [C] en [B] ieder namens BCT B.V. opdrachten aan Great East hebben gegeven tot levering van kleding. Onder 4.6.2 is overwogen dat BCT B.V. niet is opgericht zodat, zo vast zou komen te staan dat [A], [C] en [B] de opdrachten aan Great East hebben gegeven, zij als pseudo-vertegenwoordigers hebben opgetreden. Dit brengt dan met zich dat zij op de voet van artikel 3:70 BW jo. 3:78 BW aansprakelijk zijn voor de door Great East als gevolg van het ontbreken van de gestelde vertegenwoordigings-bevoegdheid geleden schade, in dit geval bestaande uit de niet betaalde factuurbedragen.

4.17. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat [A] c.s. en [B] opdrachten aan Great East hebben gegeven. Overwogen wordt dat Great East bij dagvaarding slechts in zeer algemene termen heeft gesteld dat [A] c.s. en [B] actief bij de onderneming betrokken waren. Great East heeft producties in het geding gebracht waaruit dit zou blijken, maar - zoals Great East zelf heeft gesteld - deze producties zien niet op opdrachten waarvoor Great East betaling vordert. Producties 12 en 13 bij dagvaarding zouden wel betrekking hebben op opdrachten verstrekt door [C] waarvoor Great East betaling vordert, maar Great East laat vervolgens na inzichtelijk te maken uit welk deel van deze producties volgt dat [C] deze opdrachten heeft gegeven. Ook na het gemotiveerde verweer van [A] c.s. en [B] bij hun respectieve conclusies van antwoord heeft Great East onvoldoende inzichtelijk gemaakt wie welke opdracht heeft gegeven. Dit klemt te meer nu [D] ter comparitie van partijen heeft verklaard dat bij BCT B.V. een team van mensen werkzaam was. Weliswaar heeft Great East, in aanvulling op haar productie 6 bij dagvaarding, voorafgaand aan de comparitie van partijen als productie 17 een hoeveelheid stukken in het geding gebracht, die volgens haar aantonen welke opdrachten aan de door haar gevorderde factuurbedragen ten grondslag liggen en wie welke rechtshandeling heeft verricht. De rechtbank rekent het echter niet tot haar taak om zonder nadere toelichting op de in het geding gebrachte stukken, die ontbreekt, zelfstandig in de door Great East in het geding gebrachte producties te zoeken naar de aanknopingspunten die de stelling van Great East onderbouwen. Bij deze stand van zaken, waarbij Great East meerdere mogelijkheden heeft gehad om haar stellingen afdoende te onderbouwen, maar zij dit heeft nagelaten, bestaat er geen aanleiding Great East nog in de gelegenheid te stellen om haar productie 17 nader toe te lichten of om haar tot bewijs toe te laten van haar stelling dat [A] c.s. en [B] opdrachten tot levering van kleding hebben gegeven. Dit betekent dat de vordering tot betaling van de BCT-facturen van totaal USD 39.639,10 en totaal EUR 2.761,89 zal worden afgewezen.

Buitengerechtelijke kosten

4.18. Met betrekking tot de gevorderde buitengerechtelijke kosten heeft Great East onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke andere werkzaamheden zijn verricht dan die waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Rv reeds een vergoeding plegen in te sluiten. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

Uitvoerbaarverklaring bij voorraad

4.19. [A] c.s. en [B] hebben zich ieder primair verzet tegen de door Great East gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad, subsidiair hebben zij ieder verzocht om aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde te verbinden van zekerheidstelling door Great East in de vorm van een bankgarantie. Overwogen wordt, dat [A] c.s. en [B] onvoldoende concrete feiten hebben gesteld op grond waarvan een afweging van de belangen van partijen, in het licht van de omstandigheden van het geval, zou moeten resulteren in een afwijzing van de desbetreffende nevenvordering van Great East. Nu haar hoofdvordering ziet op een veroordeling tot betaling van een geldsom is haar belang bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad gegeven, terwijl uit de door [A] c.s. en [B] ingeroepen feiten en omstandigheden niet blijkt dat zij een zwaarwegender belang hebben bij afwijzing daarvan. Verder hebben [A] c.s. en [B] onvoldoende concrete feiten gesteld ter onderbouwing van het door hen gestelde restitutierisico, zodat daarvan niet is gebleken en derhalve onvoldoende grond is voor de gevraagde zekerheidsstelling. De omstandigheid dat tussen Nederland en de Volksrepubliek China geen verdrag bestaat tot wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van civiele vonnissen, brengt op zichzelf bezien niet met zich dat [A] c.s. en [B] met een onaanvaardbaar restitutierisico worden geconfronteerd.

Conclusies

4.20. Jegens [A] en [C] is toewijsbaar USD 75.553,50 te verminderen met EUR 15.000,--. Jegens [B] is toewijsbaar USD 85.138,67 te verminderen met EUR 15.000,--.

4.21. De gevorderde wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW over de hoofdsom is niet toewijsbaar. Deze wettelijke rente is immers niet van toepassing bij betalingsverplichtingen uit hoofde van schadevergoeding. Nu duidelijk is dat Great East vergoeding wenst van rente over de door haar geleden schade, [A] c.s. en [B] daartegen geen verweer dan wel onvoldoende gemotiveerd verweer hebben gevoerd en voldaan wordt aan de eisen van artikel 6:119 BW, zal de wettelijke rente van artikel 6:119 BW worden toegewezen vanaf de vervaldatum van de betreffende facturen.

4.22. Nu op [A], [C] en [B] een verplichting rust tot vergoeding van dezelfde schade, zijn zij op de voet van artikel 6:102 lid 1 BW hoofdelijk verbonden. Met dien verstande dat de hoofdelijkheid ziet op de betaling van USD 75.553,50 te verminderen met EUR 15.000,--. Immers, [A] c.s. heeft succesvol verweer gevoerd tegen het meer dan EUR 75.553,50 gevorderde.

4.23. [A] c.s. en [B] zullen, als de in het ongelijk gestelde partijen, hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van Great East tot op heden begroot op EUR 1.259,89 aan verschotten en EUR 1.788,-- (2 punten x tarief EUR 894,--) aan salaris advocaat. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van deze uitspraak. [A] c.s. en [B] verkeren immers, anders dan door Great East gevorderd, pas in verzuim nadat hen een redelijke termijn is gegeven om aan de veroordeling te voldoen en voldoening binnen deze termijn uitblijft.

4.24. De door Great East gevorderde nakosten zijn toewijsbaar als hierna in het dictum vermeld.

In (voorwaardelijke) reconventie

4.25. De voorwaarde waaronder [B] zijn vordering in reconventie heeft ingesteld is vervuld en de vordering in reconventie van [A] c.s. is onvoorwaardelijk ingesteld. Daarmee wordt thans toegekomen aan de beoordeling in reconventie.

4.26. De door [A] c.s. en [B] gevorderde verklaringen voor recht zullen worden geweigerd. Een verklaring voor recht kan immers slechts worden uitgesproken op vordering van één der bij een bepaalde rechtsverhouding onmiddellijk betrokkenen en kan enkel dienen tot het op jegens de andere betrokkenen op bindende wijze vaststellen van haar bestaan of preciseren van haar inhoud. Noch [A] c.s., noch [B], kan als een direct betrokkene in voormelde zin worden aangemerkt, nu de beoogde partijen bij de overeenkomsten tot levering Great East en BCT B.V. waren. Deze vorderingen zullen daarom worden afgewezen.

4.27. [B] heeft verder nog gevorderd dat Great East wordt veroordeeld tot vergoeding aan hem van buitengerechtelijke kosten. Ook deze vordering is niet toewijsbaar. De omstandigheid dat [B] verweer heeft moeten voeren tegen de vordering van Great East brengt op zichzelf bezien niet met zich dat zij jegens hem schadeplichtig is geworden. Dit geldt temeer nu de vordering jegens [B] in conventie (grotendeels) toewijsbaar is gebleken. [B] heeft ook niet gesteld waarom Great East volgens hem schadeplichtig is en heeft in zoverre niet aan zijn stelplicht voldaan. De stelling dat hij door Great East in een situatie is gebracht waarin juridische bijstand voor hem onontbeerlijk is geworden, is daartoe onvoldoende. De vordering zal daarom worden afgewezen.

4.28. [A] c.s. en [B] zullen, als de in het ongelijk gestelde partijen, hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Great East. Gelet op de omstandigheid dat de vorderingen van [A] c.s. en [B] in reconventie vrijwel identiek luidden en het verweer daartegen ten aanzien van alle partijen gelijkluidend was, zullen de proceskosten aan de zijde van Great East tot op heden worden begroot op nihil aan verschotten en EUR 452,-- (0,5 x 2 punten x tarief EUR 452,--) aan salaris advocaat.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt [A], [C] en [B] hoofdelijk tot betaling aan Great East van USD 75.553,50 te verminderen met EUR 15.000,-- en vermeerderd met wettelijke rente over dit saldo vanaf de vervaldatum van de betreffende facturen tot aan de dag der voldoening;

5.2. veroordeelt [B] tot betaling aan Great East van USD 9.585,17, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de vervaldatum van de betreffende facturen tot aan de dag der voldoening;

5.3. veroordeelt [A], [C] en [B] hoofdelijk in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Great East begroot op EUR 3.047,89, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van deze uitspraak, indien Great East niet voordien aan deze proceskostenveroordeling heeft voldaan;

5.4. veroordeelt [A], [C] en [B] hoofdelijk in de na dit vonnis aan de zijde van Great East ontstane kosten, begroot op EUR 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis is voldaan, met een bedrag van EUR 68,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6. wijst af het meer of anders gevorderde;

in (voorwaardelijke) reconventie

5.7. wijst de vorderingen af;

5.8. veroordeelt [A], [C] en [B] hoofdelijk in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Great East tot op heden begroot op EUR 452,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2012.