Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BY0020

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-08-2012
Datum publicatie
12-10-2012
Zaaknummer
13.706.347.2012
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Officier van justitie niet-ontvankelijk in vordering verlenging gevangenhouding t.b.v. uitlevering. De wet voorziet niet in mogelijkheid een, bij het sluiten van het onderzoek ter zitting gegeven, bevel gevangenhouding te verlengen in de situatie dat de rechtbank het onderzoek bij tussenuitspraak heeft heropend. Bij gebreke van een wettelijke regeling zoekt de rechtbank aansluiting bij de situatie waarin de rechtbank het onderzoek ter zitting zou hebben geschorst en voor onbepaalde tijd zou hebben aangehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

BESCHIKKING

Parketnummer: 13.706.347.2012

RK nummer: 12/2864

Op 3 augustus 2012 heeft de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam de verlenging van de gevangenhouding gevorderd voor de duur van dertig dagen van de opgeëiste persoon:

[opgeëiste persoon], alias [opgeëiste persoon],

geboren te [plaats] (voormalig Joegoslavië, thans Bosnië-Herzegovina) op [1952],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring ‘[locatie]’ te [plaats].

De Kroatische autoriteiten hebben om uitlevering van de opgeëiste persoon verzocht.

De rechtbank heeft op 6 juli 2012 de opgeëiste persoon, zijn raadsman mr. O.O. van der Lee, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie ter openbare zitting gehoord. Het onderzoek is vervolgens gesloten en daarbij is bepaald dat op 20 juli 2012 uitspraak zal worden gedaan. Tevens heeft de rechtbank op die zitting de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen op grond van artikel 27 van de Uitleveringswet (ULW) voor de duur van 30 dagen. Bij tussenuitspraak van 20 juli 2012 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere inlichtingen in te winnen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het dossier, waaronder de stukken die op de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon betrekking hebben.

Ter openbare zitting van deze rechtbank en kamer van 3 augustus 2012 is de officier van justitie mr. K. van der Schaft gehoord. De opgeëiste persoon heeft bij schrijven van 3 augustus 2012 afstand gedaan van zijn recht om op de vordering te worden gehoord. De raadsman van de opgeëiste persoon, mr. O.O. van der Lee, was – met bericht van verhindering – niet aanwezig.

Standpunt van de officier van justitie

Het bevel gevangenhouding van 6 juli 2012 is dertig dagen van kracht. In de tussenuitspraak van

20 juli 2012 heeft de rechtbank geen beslissing genomen over het bevel gevangenhouding zodat het bevel gevangenhouding op 5 augustus 2012 zal eindigen. De officier van justitie heeft de rechtbank daarom verzocht het bevel gevangenhouding te verlengen met 30 dagen danwel te bevelen dat het bevel gevangenhouding zal voortduren totdat het onderzoek ter zitting wordt gesloten.

Beoordeling

Op 11 april 2012 is de opgeëiste persoon op grond van artikel 21, derde lid, van de ULW in verzekering gesteld tot aan het tijdstip dat de rechtbank over zijn gevangenhouding heeft beslist.

Op 6 juli 2012 heeft de rechtbank conform artikel 27, tweede lid, van de ULW voor de sluiting van het onderzoek ambtshalve de gevangenhouding voor de duur van dertig dagen bevolen. Een op grond van artikel 27 van de ULW bevolen vrijheidsbeneming eindigt op grond van artikel 37, eerste lid, aanhef en onder b, van de ULW zodra de detentie dertig dagen heeft geduurd, tenzij de officier van justitie heeft gevorderd dat deze termijn wordt verlengd.

Op grond van artikel 38, derde lid, van de ULW kan verlenging alleen geschieden in de daarin onder a tot en met d genoemde gevallen. Dit betreft telkens een geval waarin de rechtbank al op het verzoek tot uitlevering heeft beslist. Hieruit concludeert de rechtbank dat verlenging niet mogelijk is zolang de rechtbank nog geen definitieve uitspraak heeft gedaan over de toelaatbaarheid van de uitlevering. De wet voorziet derhalve niet in mogelijkheid een, bij het sluiten van het onderzoek ter zitting gegeven, bevel gevangenhouding te verlengen in de situatie dat de rechtbank het onderzoek bij tussenuitspraak heeft heropend.

Bij gebreke van een wettelijke regeling zoekt de rechtbank aansluiting bij de situatie waarin de rechtbank het onderzoek ter zitting zou hebben geschorst en voor onbepaalde tijd zou hebben aangehouden. De rechtbank neemt in dat geval geen beslissing over de gevangenhouding en de uitleveringsdetentie duurt dan voort op grond van artikel 21 of 22 van de ULW totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan.

Het bevel tot gevangenhouding van 6 juli 2012 is, gelet op de heropening van het onderzoek van

20 juli 2012, naar het oordeel van de rechtbank niet meer van kracht. De detentie van de opgeëiste persoon vindt momenteel plaats en blijft voortduren op grond van de door de officier van justitie op

11 april 2012 bevolen inverzekeringstelling op grond van artikel 21, derde lid, in samenhang met artikel 27, tweede lid, van de ULW.

Nu de wet de officier van justitie geen mogelijkheid biedt te vorderen dat het bevel gevangenhouding van 6 juli 2012 wordt verlengd, zal de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan door

mr. W.H. van Benthem, voorzitter,

mrs. H.P. Kijlstra en J. Piena, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 3 augustus 2012.