Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX9944

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-06-2012
Datum publicatie
11-10-2012
Zaaknummer
AWB 11/6214 WABOA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het aan verweerder is om te beoordelen of voldoende gegevens en bescheiden bij de aanvraag zijn ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen grond voor het oordeel dat verlening van de omgevingsvergunning achterwege had moeten blijven omdat onvoldoende gegevens zouden zijn overgelegd, danwel dat ten onrechte is overwogen dat door vergunninghouder tot drie weken voorafgaand aan de start van de bouw bescheiden kunnen worden ingediend. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het bouwplan niet voldoet aan de vereisten van de Bouwverordening. Voorts kan de wijze waarop de bouwwerkzaamheden feitelijk zullen worden uitgevoerd niet aan de orde komen bij de beantwoording van de vraag of voor een bouwplan een omgevingsvergunning kan worden verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/6214 WABOA

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. M.P.A. Balder,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. L.C. van Elewoud.

Tevens heeft aan het geding deelgenomen:

[vergunninghouder],

wonende te [plaats],

vergunninghouder,

vergezeld door mr. R.J. Polle.

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het uitvoeren van funderingsherstel aan het pand aan de [adres pand] te Amsterdam.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2012.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is verschenen, vergezeld door mr. R.J. Polle.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Vergunninghouder heeft op 30 maart 2011 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor het uitvoeren van funderingsherstel aan het pand aan de [adres pand] te Amsterdam, van welk pand vergunninghouder eigenaar is. Het pand [adres pand] is een rijksmonument.

Eiser, die eigenaar is van het belendende pand [adres belendend pand] te Amsterdam, heeft op

28 oktober 2011 en 4 november 2011 zienswijzen ingediend tegen de ontwerpvergunning.

1.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder ten behoeve van de volgende activiteiten:

a. het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo)

b. het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een beschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht (artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo)

c. het slopen van een (gedeelte van een) bouwwerk bepaald in planologische regeling (artikel 2.1, eerste lid, onder g, van de Wabo)

d. het slopen van een (gedeelte van een) bouwwerk in beschermd stadsgezicht (artikel 2.2, eerste lid, onder c, van de Wabo).

1.3. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

2. Inhoudelijke beoordeling van het beroep

2.1. Eiser heeft - kort samengevat - aangevoerd dat hij zich niet kan vinden in het voorschrift dat aan het bestreden besluit is verbonden en dat ziet op het (later) indienen van constructiegegevens, omdat de mogelijkheid tot inspraak dan al is vervallen. Volgens eiser is niet inzichtelijk waaruit de voorgenomen werkzaamheden bestaan en het is niet aannemelijk dat aan de voorschriften van de Bouwverordening Amsterdam 2003 (Bouwverordening) is voldaan. Eiser kan de risico’s voor zijn eigendom, het perceel [adres belendend pand] te Amsterdam, dat een erfgrens deelt met de [adres pand], niet inschatten. Hij vreest schade aan zijn pand, omdat volgens het bouwplan over de volle breedte en lengte van het pand in de vloer een massa zand wordt gestort. Dit zal druk geven op de belendingen, waaronder het pand van eiser. Verder maakt eiser bezwaar tegen de lift en is voor hem niet duidelijk wat de relatie is tussen deze omgevingsvergunning en eerdere verleende vergunningen. Voorts wijst eiser erop dat zich tussen zijn zijgevel en het metselwerk van een uitbouw van het pand van vergunninghouder een koppeling bevindt. De uitbouw is zodanig tegen de muur van eisers pand gemetseld, dat deze verbonden is met zijn pand. De sloop- en funderingswerkzaamheden zullen dan ook rechtstreeks schade opleveren aan zijn pand. Daarbij wijst eiser op detailtekening 07-2802 en een ter zitting overgelegde foto. De panden moeten volgens eiser worden ontkoppeld, om zo schade aan zijn pand te voorkomen.

2.2. De rechtbank overweegt als volgt.

2.3.1. Op grond van artikel 2.8. van de Wabo worden krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de aanvraag van een omgevingsvergunning geschiedt.

2.3.2. Op grond van artikel 4.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) verstrekt de aanvrager bij de aanvraag, onverminderd artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en voor zover dat naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is voor het nemen van de beslissing op de aanvraag, de bij ministeriële regeling aangewezen gegevens en bescheiden ten aanzien van de activiteiten binnen het project waarop de aanvraag betrekking heeft. De regeling van de indieningsvereisten vanwege bouwactiviteiten is nader uitgewerkt in Hoofdstuk 2 van de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor).

2.3.3. In artikel 2.4. van de Mor is geregeld welke gegevens en bescheiden bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit ten behoeve van toetsing aan de voorschriften van de bouwverordening moeten worden overgelegd. In artikel 2.7. van de Mor is geregeld in welke gevallen gegevens en bescheiden op een later tijdstip kunnen worden aangeleverd.

2.4.1. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het aan verweerder is om te beoordelen of voldoende gegevens en bescheiden bij de aanvraag zijn ingediend. Bij de vraag of voldaan was aan de eisen van constructieve veiligheid dient in ieder geval duidelijkheid te bestaan over de hoofdlijn van de constructie en het constructieprincipe van het bouwwerk. Bij gebreke aan duidelijkheid over de aard van de constructie kan verweerder de aanvrager om nadere gegevens en bescheiden verzoeken (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2011, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BP2082).

2.4.2. Verweerder heeft vergunninghouder bij brief van 19 april 2011 verzocht om aanvullende gegevens en bescheiden. Niet in geschil is dat vergunninghouder deze alsnog heeft overgelegd. Het constructieprincipe heeft verweerder vervolgens geaccordeerd. Ter zitting heeft vergunninghouder verklaard dat er nadien geen nadere bescheiden op grond van de artikelen 2.4 en 2.7 van de Mor zijn overgelegd. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat in het kader van een laatste controle eventueel nog nadere gegevens en/of bescheiden kunnen worden overgelegd tot drie weken voorafgaand aan de start van de bouw.

2.4.3. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat, gelet op al het voorgaande, geen grond voor het oordeel dat verlening van de omgevingsvergunning achterwege had moeten blijven omdat onvoldoende gegevens zouden zijn overgelegd, danwel dat ten onrechte is overwogen dat door vergunninghouder tot drie weken voorafgaand aan de start van de bouw bescheiden kunnen worden ingediend. In zoverre kan het betoog van eiser niet slagen.

2.4.4. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, onder b, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd als de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorwaarden van de Bouwverordening.

2.4.5. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het bouwplan niet voldoet aan de vereisten van de Bouwverordening. Zoals blijkt uit de stukken en ter zitting door verweerder naar voren is gebracht en door vergunninghouder is bevestigd, bestaat de nieuwe fundering uit een betonplaat die zal worden ingekast in de bestaande draagmuur. Er is, zoals te doen gebruikelijk, sprake van bekisting, waarin het beton zal worden gegoten. De krachten gaan - zoals eiser vreest - aldus niet over op de muren van de belendingen, maar op de fundering zelf die op palen rust. Nu eiser zijn stelling dat de nieuwe fundering druk zal zetten op zijn pand op geen enkele wijze heeft onderbouwd en bij de omgevingsvergunningaanvraag gegevens en berekeningen door vergunninghouder zijn overgelegd die door de constructeur zijn gecontroleerd en goedgekeurd, bestaat geen grond voor het oordeel dat de inpandige verbouwing in strijd is met de Bouwverordening. De beroepsgrond slaagt niet.

2.5. Voor zover eiser aanvoert dat hij ook in deze procedure bezwaar maakt tegen de lift, omdat deze deel uitmaakt van het bouwplan van het tussenlid waarin de illegale bouw is opgenomen, overweegt de rechtbank het volgende. Nog daargelaten wat eiser met deze grond beoogt te betogen, maakt de bouw van de lift geen onderdeel uit van het onderhavige bouwplan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor funderingsherstel. De bouw van de lift maakt deel uit van het bouwplan waarvoor aan vergunninghouder bij besluit van 15 februari 2011 een omgevingsvergunning is verleend en waartegen thans beroep aanhangig is (zaak nr. AWB 11/5942). Zolang de vergunning voor de bouw van de lift rechtskracht heeft, heeft verweerder daar in het onderhavige bouwplan vanuit mogen gaan. In dat verband wijst de rechtbank nog op artikel 6:16 van de Awb, dat bepaalt dat bezwaar of beroep tegen een besluit geen schorsende werking heeft. De beroepsgrond faalt.

2.6. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat niet duidelijk is wat de relatie is tussen de sloopwerkzaamheden in het kader van het funderingsherstel en de eerder verleende vergunningen van 26 november 2010 (met kenmerk [kenmerk]) en van

15 februari 2011 (met kenmerk [kenmerk]). Uit het bestreden besluit valt af te leiden dat in het kader van een toets van het bouwplan wegens de activiteit ‘slopen in beschermd stadsgezicht’ een relatie is gelegd met de verleende vergunningen van 26 november 2010 en 15 februari 2011. Uit artikel 2.16 van de Wabo vloeit voort dat de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘slopen in beschermd stadsgezicht’ kan worden geweigerd als naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Om aannemelijk te maken dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk zal worden gebouwd, is de betreffende relatie gelegd.

2.7. De rechtbank overweegt ten slotte dat de wijze waarop de bouwwerkzaamheden feitelijk zullen worden uitgevoerd niet aan de orde kan komen bij de beantwoording van de vraag of voor een bouwplan een omgevingsvergunning kan worden verleend.

2.8. Tussen partijen is niet in geschil dat de muur van het pand [adres pand], die volgens eiser grenst aan zijn pand, geen mandelige muur betreft. De rechtbank stelt vast dat verweerder ter zitting heeft betwist dat de panden aan elkaar grenzen en dat sprake is van een gemeenschappelijke bouwmuur. Ook heeft verweerder er, teneinde enige vrees en zorgen van eiser omtrent de werkzaamheden weg te nemen, op gewezen dat er voldoende controle en zicht op de werkzaamheden zal zijn en dat het niet de verwachting is dat de werkzaamheden schade zullen veroorzaken aan het pand van eiser. Het bouwplan met de daarbij behorende gegevens en bescheiden is door een constructeur van het stadsdeel geaccordeerd. Indien eiser zich zorgen maakt, kan de inspecteur altijd komen kijken of de werkzaamheden geen schade aan zijn pand (gaan) veroorzaken, aldus verweerder.

2.9. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de niet nader onderbouwde vrees van eiser, dat er ten gevolge van de uitvoering van het bouwplan schade kan ontstaan aan zijn pand, geen grond is voor het weigeren van de omgevingsvergunning. De door eiser ter zitting overgelegde foto waaruit zou blijken dat er tussen de panden van vergunninghouder en eiser contact is, maakt dit - wat daar ook van zij - niet anders. Eventuele schade die voortkomt uit de uitvoering van de werkzaamheden betreft een privaatrechtelijke aangelegenheid tussen vergunninghouder en eiser. Ook deze beroepsgrond faalt derhalve.

3. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat er geen grond is voor vernietiging van de verleende omgevingsvergunning. De rechtbank verklaart het beroep van eiser dan ook ongegrond. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Eggink, voorzitter, mrs. C.J. Polak en H.J. Tijselink leden, in aanwezigheid van mr. M.M. Kuipers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2012.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB