Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX9911

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
11-10-2012
Zaaknummer
AWB 12/2201 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat de aanspraak van eiseres op haar erfdeel is ontstaan op het moment van het overlijden van [C]. Als gevolg van het recht op vruchtgebruik van [B] kon eiseres pas na het overlijden van [B] over haar erfdeel beschikken. De later ten gelde gemaakte aanspraak wordt toegerekend aan de periode vanaf het moment waarop de aanspraak is ontstaan en niet pas vanaf het moment dat de middelen tot het vermogen zijn gaan behoren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/2201 WWB

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

gemachtigde mr. P.M.L. Schröder,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum,

verweerder,

gemachtigde mr. M. Roodhorst.

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 11 november 2011 (het primaire besluit) bijstand tot een bedrag van € 21.777,47 over de periode van 11 augustus 2009 tot en met 31 juli 2011 van eiseres teruggevorderd omdat zij over die periode achteraf middelen heeft ontvangen uit een nalatenschap.

Bij besluit van 26 maart 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de Commissie Bezwaarschriften van 13 maart 2012, het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2012. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden en standpunten van partijen

1.1. Op 2 juni 1990 is [A] overleden (hierna: [A]). In haar testament heeft zij aan haar partner, [B] (hierna: [B]) het levenslange recht van vruchtgebruik van haar hele nalatenschap gelegateerd. [C] (hierna: [C]), de zoon van [A] en [B]. en de geregistreerd partner van eiseres, is tot erfgenaam benoemd.

1.2. Op 11 augustus 2009 is [C] overleden. In een testament van 22 juli 2009 heeft [C] eiseres benoemd tot erfgename van de helft van zijn nalatenschap. Daarbij heeft hij tevens bepaald dat het erfdeel van eiseres onder levenslang bewind zal worden gesteld. Voorts is bepaald dat eiseres verplicht is een schenking te doen aan de drie in het testament genoemde personen.

1.3. Op 24 maart 2011 is [B] overleden. Op 19 augustus 2011 is inzake de nalatenschap door een notaris een verdelingsakte opgemaakt.

1.4. Per 1 augustus 2011 is de aan eiseres toegekende bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) op haar verzoek beëindigd.

1.5. Op 25 augustus 2011 heeft de notaris het erfdeel van eiseres uitgekeerd op de rekening van de bewindvoerder.

1.6. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aan eiseres verstrekte algemene en bijzondere bijstand in de periode van 11 augustus 2009 tot en met 31 juli 2011 tot een bedrag van 21.777,47 teruggevorderd, omdat zij over dezelfde periode naderhand middelen heeft ontvangen uit een nalatenschap. In het primaire besluit is vermeld dat dit bedrag wordt teruggevorderd op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB en dat eiseres, na verrekening van vakantiegeld, nog een bedrag van € 21.685,28 dient te betalen.

1.7. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd. Verweerder heeft in het bestreden besluit verwezen naar het daaraan ten grondslag liggende advies van de Commissie Bezwaarschriften. In dit advies heeft de Commissie Bezwaarschriften zich – onder meer – op het standpunt gesteld dat eiseres vanaf de datum van overlijden van haar partner aanspraak kon maken op haar erfdeel. De omstandigheid dat ten behoeve van [B] een recht van vruchtgebruik is gevestigd op het erfdeel van eiseres doet niet af aan die aanspraak. Het feit dat het erfdeel van eiseres onder bewind staat evenmin. Niet is gebleken van dringende redenen op grond waarvan van terugvordering moet worden afgezien, aldus de Commissie Bezwaarschriften.

1.8. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat verweerder een onjuiste maatstaf hanteert, door bij de periode van terugvordering van de bijstand aansluiting te zoeken bij de sterfdatum van [C]. Terugvordering kan pas geschieden over de periode die aanvangt op de datum van het ontstaan van de aanspraken. Toen [C] overleed, was er geen aanspraak op middelen, omdat op het erfdeel een recht van vruchtgebruik was gevestigd ten behoeve van [B]. Pas door het overlijden van [B] ontstond er voor eiseres een aanspraak op het erfdeel van haar partner. Eiseres verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 8 september 2006 (LJN: AY9426), waarin – kort samengevat – de rechtbank heeft geoordeeld dat de datum van overlijden van de erflater niet bepalend is voor de vraag wanneer de vordering tot het vermogen is gaan behoren. Deze uitspraak is mede gebaseerd op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 27 augustus 2002 (LJN: AF1686). De door verweerder bepleite uitleg zou betekenen dat eiseres het verkrijgen van het erfdeel had moeten forceren door te trachten het vruchtgebruik op de nalatenschap op te laten heffen. Dit zou onwenselijk zijn. Eiseres heeft verder aangevoerd dat zij niet vrijelijk kan beschikken over de middelen omdat haar erfdeel onder bewind is gesteld. Van terugvordering moet worden afgezien, omdat eiseres slechts recht heeft op de vruchten van haar erfdeel, aldus eiseres.

2. Wettelijk kader

Op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB kan het college de bijstand terugvorderen voor zover de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de WWB beschikt of kan beschikken.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1. Het beroep richt zich tegen de terugvordering van de bijstand van eiseres over de periode 11 augustus 2009 tot en met 31 juli 2011. Dit is de periode vanaf de dag van het overlijden van Ligthart tot aan de datum van het einde van de bijstand.

3.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad ligt aan artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zouden zijn gemaakt indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand wordt teruggevorderd, hangt samen met het complementaire karakter dat aan de WWB ten grondslag ligt (zie onder meer de uispraak van de Raad van 23 juni 2009, LJN: BJ0853). Het artikel biedt dan ook een grond voor terugvordering indien bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet of niet volledig kan worden beschikt. Zodra over die middelen kan worden beschikt, kan tot terugvordering worden overgegaan.

3.3. Of verweerder op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB bevoegd is tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand, hangt af van het antwoord op de vraag of de ontvangen middelen betrekking hebben op een periode waarover eerder bijstand is verleend en of de ontvangen middelen teruggerekend naar het tijdstip waarop de aanspraken op die middelen ontstonden tezamen met de toen aanwezige (overige) vermogensbestanddelen en met inachtneming van de toen geldende vermogensgrens het vrij te laten vermogen overschrijden.

3.4. De rechtbank stelt vast dat eiseres de nalatenschap van [C] heeft aanvaard. Tevens stelt de rechtbank vast dat eiseres pas na het overlijden van [B] en na het opmaken van de verdelingsakte in augustus 2011 over haar erfdeel kon beschikken. De onderbewindstelling van het vermogen doet daaraan niet af.

3.5. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 23 juni 2009, LJN: BJ0853) ontstaat de aanspraak op een erfdeel op het tijdstip van overlijden van de erflater. De rechtbank is van oordeel dat de aanspraak van eiseres op haar erfdeel dan ook is ontstaan op het moment van het overlijden van [C], op 11 augustus 2009 (de peildatum). Toen heeft zij immers de formele status van erfgename in de nalatenschap gekregen.

3.6. De door eiseres genoemde uitspraak van de Raad van 27 augustus 2002, waarop de, eveneens door eiseres aangehaalde uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 8 september 2006 mede is gebaseerd, leidt niet tot een ander oordeel. De uitspraak van de Raad betreft het moment waarop een erfgenaam redelijkerwijs over een erfenis heeft kunnen beschikken. In de uitspraak van de rechtbank Dordrecht gaat het om het moment waarop men geacht moet worden over middelen te hebben beschikt. Gelet op artikel 34 van de WWB is het beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken over bezittingen

(mede-)bepalend voor het al dan niet bestaan van vermogen in de zin van de WWB. Als gevolg van het recht op vruchtgebruik van [B] kon eiseres na het overlijden van [C] niet over haar erfdeel beschikken of daar redelijkerwijs over beschikken. Het behoorde – zoals eiseres terecht stelt – op dat moment nog niet tot haar vermogen. Dat neemt niet weg, dat zij op die datum al wel een aanspraak had, zij het dat zij die nog niet te gelde kon maken. Dat verandert op het moment dat [B] overlijdt. In dat geval is sprake van naderhand in aanmerking te nemen middelen met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend zoals bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB. De later ten gelde gemaakte aanspraak wordt dus toegerekend aan de periode vanaf het moment waarop de aanspraak is ontstaan en niet pas vanaf het moment dat de middelen tot het vermogen zijn gaan behoren. Gelet op het voorgaande kan de grond van eiseres dat verweerder bij de periode van terugvordering aansluiting had behoren te zoeken bij de sterfdatum van Ligthart, te weten 24 maart 2011, niet slagen.

De rechtbank merkt hierbij op dat indien de middelen na het overlijden van de langstlevende of vruchtgebruiker een geringere waarde zouden hebben dan op het moment van het overlijden van erflater, betrokkene daadwerkelijk slechts over die geringere waarde zou beschikken. Dit betekent dat verweerder bij de terugvordering in een dergelijk geval uitgaat van deze geringere waarde, hetgeen tot een lager terugvorderingsbedrag kan leiden. Het forceren van het verkrijgen van het erfdeel door het op de nalatenschap rustende vruchtgebruik op te heffen, is – anders dan eiseres stelt – dan ook niet aan de orde.

3.7. Naar vaste rechtspraak van de Raad geldt als uitgangspunt dat indien op grond van bestaande aanspraken op enig moment middelen ter beschikking komen deze worden toegerekend aan de periode die aanvangt op de datum van het ontstaan van die aanspraken. Dat is slechts anders indien er voldoende, op objectiveerbare gegevens berustende redenen zijn om aan te nemen dat die aanspraken aan een andere latere periode dienen te worden toegerekend. Hiervan is in dit geval geen sprake.

3.8. Nu niet in geschil is dat het bedrag aan middelen van eiseres de door verweerder gehanteerde vermogensgrens ruimschoots overschrijdt, was verweerder naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB bevoegd de bijstand van eiseres terug te vorderen vanaf 11 augustus 2009. Niet is gebleken dat verweerder in redelijkheid niet van deze bevoegdheid gebruik kon maken. Evenmin is sprake van een dringende reden op grond waarvan van terugvordering had moeten worden afgezien. Nog los van het feit dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij door de terugvordering niet meer in haar levensonderhoud kan voorzien, kan de omstandigheid dat eiseres door de onderbewindstelling van haar erfdeel enkel de vruchten ervan ontvangt, niet als een dringende reden worden aangemerkt.

3.9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank het beroep ongegrond zal verklaren.

3.10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzitter, en mrs.

K. Oldekamp-Bakker en C. Bakker, leden, in aanwezigheid van mr. C. Koekkoek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2012.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB