Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX9819

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
10-10-2012
Zaaknummer
AWB 12-1908 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg van artikel 21, derde lid, van de Werkloosheidswet bij intrekking achteraf van een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid die de werkloosheidsuitkering eerder heeft doen eindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/1908 WW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. M.H. Klijnstra,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder,

gemachtigde R. Roos.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) afgewezen.

Bij besluit van 13 april 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juli 2012. Partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden en standpunten van partijen

1.1. Verweerder heeft aan eiser met ingang van 23 oktober 2006 een WW-uitkering toegekend. Deze uitkering is geëindigd vanwege de toekenning van een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) vanaf 23 januari 2008. Aansluitend is aan eiser een uitkering op grond van de Regeling Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend. Bij besluit van 17 november 2011 heeft verweerder het besluit waarbij de IVA-uitkering is toegekend ingetrokken, omdat eiser - kort weergegeven - bij het aanvragen van de uitkering zijn gezondheidstoestand onjuist dan wel onvolledig heeft weergegeven en uit onderzoek is gebleken dat hij niet arbeidsongeschikt was.

1.2. Verweerder heeft de door eiser op 29 november 2011 aangevraagde WW-uitkering per 1 oktober 2011 afgewezen omdat eiser niet aan de voorwaarde voldeed dat hij in de 36 weken voordat hij werkloos werd in tenminste 26 weken heeft gewerkt. Ook kan de WW-uitkering die eiser in het verleden had en die op 23 januari 2008 is geëindigd, niet herleven omdat de herlevingstermijn van zes maanden die daarvoor geldt is verstreken.

1.3. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting erkend dat eiser over de periode dat hij een IVA-uitkering ontving niet beschikbaar is geweest voor de arbeidsmarkt. Dit heeft tot gevolg dat het primair ingenomen standpunt dat eiser recht heeft op een WW-uitkering per 21 oktober 2009 niet kan worden gehandhaafd. Eiser stelt zich echter op het standpunt dat hij ingaande 30 november 2011 recht heeft op een WW-uitkering. De eerder toegekende uitkering is met ingang van die datum herleefd op grond van artikel 21, derde lid, van de WW. Eiser was ziek, ook als ervan uitgegaan moet worden dat hij geen beperkingen had in de zin van de WIA, en hij ontving over die periode terzake een uitkering. Dat deze uitkering achteraf is ingetrokken doet er niet aan af dat zijn recht op grond van het artikellid nog kan herleven.

2. Wettelijk kader

2.1. Artikel 21, derde lid, van de WW luidt als volgt:

Een recht op uitkering dat geheel of gedeeltelijk is geëindigd:

a. wegens een omstandigheid als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel e, g, h of k; of

b. op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel b, als gevolg van het niet kunnen voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, wegens andere omstandigheden dan ziekte of arbeidsongeschiktheid of het volgen van scholing of opleiding, ter zake waarvan de werknemer een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, b, c of d; of

c. wegens een combinatie van de hier bedoelde omstandigheden;

kan, ook indien deze omstandigheden zich aaneensluitend voordoen, slechts herleven indien de periode tussen de eindiging van het recht en het vervallen van de omstandigheid of omstandigheden als hier bedoeld niet langer is dan zes maanden.”

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1. Tussen partijen is in geschil of eisers recht op uitkering dat per 23 januari 2008 is geëindigd op grond van artikel 21, derde lid, van de WW kan herleven.

3.2. Het derde lid van artikel 21 van de WW regelt voor herleving van het recht op uitkering een uniforme herlevingstermijn van zes maanden. Op deze uniforme herlevingstermijn bestaat een aantal uitzonderingen. De uitzondering waarop eiser zich beroept, is de uitzondering waarbij iemand niet beschikbaar is geweest voor de arbeidsmarkt wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid, ter zake waarvan de werknemer een uitkering ontvangt (artikel 21, derde lid, onder b, van de WW).

3.3. Het standpunt van eiser komt erop neer dat eiser voldoet aan de voorwaarden voor deze uitzondering, nu hij ziek was en ter zake een uitkering heeft ontvangen over de periode sinds het recht op WW is geëindigd. Daaraan doet niet af dat eisers ziekte achteraf bezien geen beperkingen in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetgeving opleverden en dat de uitkering na afloop is ingetrokken. De rechtbank deelt dit standpunt niet en heeft daartoe als volgt overwogen.

3.4. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in zijn uitspraak van 26 oktober 1999, gepubliceerd op rechtspraak.nl, onder LJ-nummer ZB8497, bij de uitleg van artikel 21, derde lid, van de WW aansluiting gezocht bij de strekking van de herlevingstermijn, welke erin is gelegen dat wordt voorkomen dat een werknemer aanspraak op een WW-uitkering zou kunnen maken nadat hij gedurende een lange tijd – namelijk langer dan zes maanden – buiten de arbeidsmarkt heeft gestaan. De wetgever heeft het bestaan van aanspraak op WW-uitkering voor een dergelijke werknemer niet wenselijk geacht omdat een dergelijke werknemer dan een te grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft.

3.5. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat de interpretatie van artikel 21, derde lid, van de WW moet geschieden tegen de achtergrond van de afstand tot de arbeidsmarkt. In dat licht beschouwd, is de langere herlevingstermijn voor zieken dan wel arbeidsongeschikten die ter zake een uitkering genieten alleen zo te begrijpen dat deze groep nog geacht wordt onderdeel uit te maken van de arbeidsmarkt, maar dat er bij hen sprake is van beperkingen die het niet mogelijk maken die arbeid te verrichten. Dit betekent dat er bij de interpretatie van ziekte of arbeidsongeschiktheid, ter zake waarvan een uitkering werd genoten als bedoeld in artikel 21, derde lid, van de WW, alleen relevant kunnen zijn die ziektes of vormen van arbeidsongeschiktheid die relevant zijn voor de arbeidsongeschiktheidswetgeving. Nu achteraf gebleken is dat daarvan bij eiser geen sprake was, valt hij niet onder de in geschil zijnde uitzondering op de herlevingstermijn.

3.6. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat het eerdere recht van eiser op WW-uitkering wegens overschrijding van de in artikel 21, derde lid, van de WW genoemde termijn van zes maanden, niet kan herleven.

3.7. Dit betekent dat het bestreden besluit in rechte stand houdt. Het beroep is dan ook ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of voor vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. Rombouts, rechter, in aanwezigheid van mr. H. van Hoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2012.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB