Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX9818

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-08-2012
Datum publicatie
10-10-2012
Zaaknummer
AWB 11-1883 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Na accordering van verantwoording vindt intensieve controle plaats. Op die mogelijkheid was eiseres gewezen. Eiseres kan aan de verantwoordingsbrief geen rechtens verleend vertrouwen ontlenen dat de reeds geaccordeerde verantwoording ongewijzigd zou blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/1883 AWBZ

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

gemachtigde mr. M.F. Vermaat,

en

de Raad van bestuur van het Zorgkantoor,

verweerder,

gemachtigde mr. M.A. Wood.

Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2010 heeft verweerder het persoonsgebonden budget (pgb) van eiseres voor de periode van 25 februari 2009 tot en met 31 december 2009 definitief vastgesteld op € 4.796,04,- en een bedrag van

€ 3.167,57 teruggevorderd (het primaire besluit).

Bij besluit van 7 maart 2011 heeft verweerder het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft zaak ter zitting behandeld op 18 november 2011. Eiseres is verschenen, vergezeld door haar zoon [A]. Verweerder is – met kennisgeving - niet verschenen. Het onderzoek ter zitting is vervolgens geschorst omdat ter zitting de heer Vermaat zich als gemachtigde van eiseres heeft gesteld. De rechtbank heeft de zaak ter zitting opnieuw behandeld op 23 mei 2012. Partijen hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Bij besluit van 9 september 2009 is aan eiseres over de periode van 25 februari 2009 tot en met 31 december 2009 een pgb op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) toegekend voor de functies: persoonlijke verzorging en ondersteunende begeleiding tot een bedrag van € 7.963,61 (netto).

2. In geschil is de verantwoording over de eerste helft van 2009 (25 februari tot en met 30 juni). Bij brief van 21 augustus 2009 heeft verweerder een overzicht van de verantwoording van het pgb over die periode gegeven. Daarin staat aangegeven dat de verantwoording van het bedrag van € 4.949,89 akkoord is. Tussen partijen is niet in geschil dat dit een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In die brief staat tevens aangegeven dat er nog een intensieve controle kan plaatsvinden op de uitgave van zorg die reeds akkoord is bevonden. Daarbij is ook vermeld dat die controle dus kan leiden tot een wijziging in de geaccordeerde bedragen.

3 Deze steekproefsgewijze intensieve controle heeft plaatsgevonden. In dat kader heeft eiseres op 13 mei 2009 gedateerde zorgovereenkomst overgelegd waaruit blijkt dat deze inging op 1 juni 2009. Eiseres heeft één loonstrook meegestuurd, waaruit kan worden afgeleid dat een bedrag van € 1.570,-- over de maand juni 2009 aan zorg is besteed. Daarom heeft verweerder bij de definitieve toekenningsbeschikking van het pgb over het jaar 2009 het pgb over deze periode vastgesteld op € 1.570,-- .

4. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven over geen andere bewijsstukken te beschikken dat het pgb is besteed aan de geïndiceerde zorg. Eiseres betwist niet langer dat de loonstrook over de maand mei 2009 betrekking heeft op een andere budgethouder.

5.1. Het geschil draait om de vraag of en zo ja welke verwachtingen eiseres heeft mogen ontlenen aan de brief van 21 augustus 2009. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende. In beginsel mag een betrokkene aan een verantwoordingsbeschikking het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de verantwoording akkoord is. Echter, er is in het geval van eiseres geen sprake van een onvoorwaardelijk geaccordeerde verantwoording. In de brief is immers uitdrukkelijk aangegeven dat er nog een intensieve controle kan plaatsvinden op de reeds geaccordeerde bedragen en dat een dergelijk controle kan leiden tot een verlaging van de reeds geaccordeerde bedragen. Hieruit volgt dat eiseres er rekening mee kon en moest houden dat de verantwoording nog niet 100% definitief akkoord was. De rechtbank betrekt hierbij dat op het moment van de intensieve controle het pgb evenmin nog niet definitief was vastgesteld.

5.2. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat bij de verlening van het pgb aan eiseres verplichtingen zijn opgelegd die neerkomen op het voeren van een deugdelijke boekhouding, zie het bepaalde in artikel 2.6.9 van de Regeling subsidies AWBZ (de Regeling). Eiseres was hier dus bij het hier aan de orde zijnde tijdvak mee bekend, dan wel had hier redelijkerwijs bekend mee behoren te zijn. Een deugdelijke boekhouding stelt de budgethouder in staat om desgewenst aan te tonen dat het pgb is besteed aan de geïndiceerde zorg. Eiseres dient daartoe de boekhouding gedurende zeven jaar te bewaren. Deze dienen desgevraagd ter beschikking te worden gesteld aan verweerder. Het ligt op de weg van eiseres om aan te tonen dat het budget uitsluitend is gebruikt voor de geïndiceerde zorg. De enkele omstandigheid dat het pgb geaccordeerd is brengt niet mee dat de bewijslast dat het pgb op juiste wijze is besteed, is verschoven van eiseres naar verweerder in een situatie van intensieve controle. Die situatie is immers expliciet uitgezonderd in de brief van 21 augustus 2009. Dat verweerder bevoegd is om een intensieve controle uit te voeren volgt uit artikel 2.6.14 van de Regeling.

6. Het beroep van eiseres op artikel 2.6.10, derde lid, van de Regeling slaagt evenmin. Aan de orde is niet de vraag of het pgb onjuist is besteed, maar de vraag of het is besteed.

7. Gelet op het vorenstaande heeft eiseres aan de geaccordeerde verantwoording uit de brief van 21 augustus 2009 niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat de verantwoording van het pgb over de periode akkoord was, indien er zoals in dit geval een intensieve controle plaatsvindt. Van een schending van het rechtszekerheid- dan wel het vertrouwensbeginsel is dan ook geen sprake.

8. In het aangevoerde ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om het bestreden besluit rechtens onjuist te achten. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Koekkoek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2012.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB