Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX9597

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
09-10-2012
Zaaknummer
AWB 12-593 HOREC
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering verlenging exploitatievergunning coffeeshop. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt mocht stellen dat het levensgedrag van eiser van dien aard is dat het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting of de openbare orde nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/593 HOREC

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. I. Appel,

en

de burgemeester van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigden mr. M. Boermans en S. Haavekost.

Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlenging van de vergunning voor het exploiteren van de coffeeshop “[coffeeshop]” (hierna: [coffeeshop]) te Amsterdam geweigerd. Daarnaast is verweerder niet overgegaan tot verstrekken van de door eiser eveneens aangevraagde gedoogverklaring. Verweerder heeft eiser bevolen de exploitatie binnen een week na verzending van het besluit te beëindigen en bestuursdwang aangezegd indien dat zou worden nagelaten.

Bij besluit van 10 januari 2012 (het bestreden besluit I) heeft verweerder overeenkomstig het advies van de commissie bezwaarschriften van 23 december 2011 het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 3 mei 2012 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bestreden besluit I ingetrokken en het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit wederom ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 mei 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigden.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiser exploiteert [coffeeshop] aan de [adres] te Amsterdam. Aan eiser is een exploitatievergunning verleend en een gedoogverklaring verstrekt voor zijn coffeeshop.

1.2. Op 5 januari 2010 is eiser veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet tot een boete van € 5.000,- subsidiair 60 dagen hechtenis en een werkstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren lopende van 20 januari 2010 tot en met 19 januari 2012.

1.3. Op 3 juni 2010 heeft eiser een aanvraag om verlenging van de exploitatievergunning en bijbehorende gedoogverklaring ingediend. Eiser heeft op deze aanvraag ingevuld dat advies is gevraagd bij het invullen van het formulier bij Solvex Advies vanwege de complexiteit van de aanvraag. Op het formulier is geen antwoord gegeven op vraag 4 en is het bijbehorend veld ook leeg gelaten. Deze vraag luidt als volgt: “Is/zijn de natuurlijk persoon/ venno(o)t(en)/ leidinggevende binnen de afgelopen drie jaar veroordeeld, een schikking aangegaan met het Openbaar Ministerie of in negatieve zin in aanraking geweest met de politie?”. Op het formulier zijn bij alle andere vragen kruisjes ingevuld bij mogelijke antwoorden en zijn strepen gezet waar iets niet van toepassing was.

1.4. Op 1 maart 2011 is de Nationale Recherche onder leiding van het Openbaar Ministerie (OM) een opsporingsonderzoek gestart onder de naam [X]. Dit onderzoek richtte zich op een groep personen die verdacht werden van de handel in import en export van drugs, in ieder geval hasj, al dan niet in een georganiseerd verband. In dit onderzoek werden onder meer eiser en zijn broer [A] als verdachten aangemerkt. Het onderzoek wees uit dat deze organisatie in de maanden april tot en met juni 2011 meerdere grote partijen hasj binnen Nederland zou hebben gebracht, dan wel in Nederland hebben verkocht. Het OM verdenkt eiser van het deelnemen aan deze organisatie. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van de Nationale Recherche van 22 juli 2011 (hierna: het rapport). In dit rapport zijn getapte telefoongesprekken opgenomen, onder andere van eiser.

1.5. Op 13 juli 2011 is in het kader van het hiervoor genoemde onderzoek de woning van eiser doorzocht. Tijdens de doorzoeking werd in de berging van deze woning ruim 5 kilo wiet en ruim 1,7 kilo hasj aangetroffen en in beslag genomen.

1.6. Bij brief van 29 juli 2011 heeft verweerder eiser het voornemen kenbaar gemaakt om de exploitatievergunning en de gedoogverklaring te weigeren. Bij brief van 11 augustus 2011 heeft eiser een zienswijze ingediend.

1.7. Bij het primaire besluit heeft verweerder de exploitatievergunning en de gedoogverklaring geweigerd. Onder aanzegging van bestuursdwang is gelast de exploitatie van de coffeeshop binnen een week na verzending van het besluit te staken. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2. Standpunten van partijen

2.1. Verweerder stelt zich bij het bestreden besluit II op het standpunt dat eiser van slecht levensgedrag is. Hieraan ligt ten grondslag de resultaten van het opsporingsonderzoek van het OM. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het rapport onjuistheden bevat. Van een coffeeshophouder mag een hoge mate van integriteit worden verwacht. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat een coffeeshophouder zich bezig houdt met de invoer en handel in verdovende middelen. Het levensgedrag van eiser valt niet te verenigen met dat van een coffeeshopexploitant, nu hij verdacht wordt van deelname aan een criminele organisatie, in januari 2010 is veroordeeld vanwege het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid softdrugs en het feit dat op 13 juli 2011 in de berging van de woning van eiser bijna 7 kilo softdrugs is gevonden. De stelling van eiser dat hij daarvan geen weet had, kan niet worden gevolgd. Dat er geen overtredingen van de AHOJG-criteria zijn gesignaleerd, maakt dit niet anders. Voorts kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet worden gevolgd. Tot slot heeft eiser valsheid in geschrifte gepleegd doordat hij op het Bibob-formulier de vraag naar eventuele veroordelingen niet heeft ingevuld en zo niet heeft aangegeven dat hij is veroordeeld voor het aanwezig hebben van softdrugs. De exploitatievergunning kan daarom ook geweigerd worden op grond van artikel 3, zesde lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). In het bestreden besluit I stond ten onrechte artikel 3, eerste lid onder b, van de Wet Bibob vermeld, zodat verweerder dit bij bestreden besluit II heeft hersteld.

2.2. Eiser richt diverse beroepsgronden tegen het bestreden besluit. Hierop zal hierna, waar nodig, nader worden ingegaan.

3. Juridisch kader

3.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van de gemeente Amsterdam (hierna: APV) is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren.

3.2. Ingevolge artikel 3.11, tweede lid, voor zover thans van belang, kan de burgemeester de vergunning geheel weigeren als naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf, de openbare orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.

3.3. Ingevolge het derde lid van dit artikel houdt de burgemeester - voor zover hier van belang - bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond rekening met:

(...)

e. het levensgedrag van de exploitant of de leidinggevende.

3.4. In artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob is bepaald dat bestuursorganen een bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking van een beschikking hebben, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.

4. Beoordeling

Ten aanzien van het bestreden besluit I

4.1. Verweerder heeft met het bestreden besluit II een besluit genomen in de zin van artikel 6:18 van de Awb en dit besluit komt niet volledig tegemoet aan het beroep. Het beroep wordt dan ook, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit II.

4.2. Nu niet gesteld of gebleken is dat eiser nog belang heeft bij een oordeel over zijn beroep voor zover dat is gericht tegen bestreden besluit I, zal de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit I vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaren.

4.3. Verweerder zal worden veroordeeld in de proceskosten die eiser met het instellen van beroep tegen het bestreden besluit I heeft gemaakt. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair begroot op € 437,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift), te betalen aan eiser. Het door eiser betaalde griffierecht wordt geacht mede te zijn voldaan ten behoeve van het beroep tegen bestreden besluit II.

Ten aanzien van het bestreden besluit II

4.4. De rechtbank stelt ten aanzien van het bestreden besluit II voorop dat in de APV geen nadere omschrijving is gegeven van de eis dat de leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. Gelet hierop zijn volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geen beperkingen opgelegd ten aanzien van feiten of omstandigheden, die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. Een strafrechtelijke veroordeling is daarbij niet vereist (zie de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2008, LJN: BG4744). Voorts is niet vereist dat het levensgedrag gerelateerd is aan de exploitatie van een inrichting dan wel zich heeft afgespeeld in de inrichting (zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2011, LJN: BP2763).

4.5. Eiser betwist de conclusie van verweerder dat hij van slecht levensgedrag is. Eiser voert in dit kader allereerst aan dat de aangetroffen hoeveelheid softdrugs in de berging van zijn woning niet van hem was. Hij wist daar niet van. De berging is niet afgesloten en de softdrugs moeten er door anderen zijn neergelegd. Daarnaast voert eiser aan dat voor zover vastgesteld zou kunnen worden dat hij af en toe softdrugs voorhanden heeft, dit gezien moet worden tegen de achtergrond van de problemen bij bevoorrading van de coffeeshop. Het is van algemene bekendheid dat het voor een bedrijfsleider van een coffeeshop moeilijk is binnen de AHOJG-criteria te blijven ter zake van de maximale softdrugsvoorraad voor zijn coffeeshop. Omdat er binnen de coffeeshop maar een beperkte hoeveelheid aanwezig mag zijn en eiser de coffeeshop toch moet bevoorraden, kan het voorkomen dat hij elders een beperkte voorraad moet aanhouden. Uit de onderzoeksbevindingen blijkt niet meer dan dat eiser daar voorzieningen voor treft. Uit de jaarstukken van [coffeeshop], waarover verweerder kan beschikken, kan bovendien worden afgeleid dat er een grotere voorraad wordt opgevoerd dan strikt genomen binnen de AHOJG-criteria is toegestaan. Verweerder kan dan ook niet verrast zijn door de hoeveelheden softdrugs die eiser misschien voorhanden heeft gehad. Ook de veroordeling van eiser ter zake van overtreding van de Opiumwet, moet in het licht van het vorenstaande worden gezien. Eiser ontkent dat hij betrokken is bij grootscheepse drugshandel.

4.6. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser niets heeft aangevoerd op grond waarvan de rechtbank aanleiding heeft te twijfelen aan de onderzoeksbevindingen neergelegd in het onder 1.4. genoemde rapport van de Nationale Recherche. Derhalve acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat in de berging van eisers woning bijna 7 kilo softdrugs zijn aangetroffen. De rechtbank acht eisers stelling dat deze drugs niet van hem waren niet aannemelijk. Uit de zich in het rapport bevindende tapverslagen blijkt namelijk dat eiser van “zijn schuur” gebruik maakte, ook voor de opslag van drugs. Zo volgt uit het telefoongesprek van 13 mei 2011 tussen eiser en een persoon genaamd [B], dat eiser heeft gezegd dat hij het in de schuur heeft liggen en dat hij niemand meer vertrouwt. Voorts blijkt uit het telefoongesprek van 21 mei 2011 tussen eiser en zijn echtgenote dat eiser heeft gevraagd of iemand naar de schuur is gegaan en of er niks in de schuur is gebeurd. De gemachtigde van eiser ter zitting heeft verklaard dat de termen berging en schuur op dezelfde ruimte zien. De rechtbank acht het daarom in ieder geval aannemelijk dat eiser op 13 juli 2011 een voorraad van bijna 7 kilo softdrugs voorhanden had. Daarnaast staat vast dat eiser op 5 januari 2010 is veroordeeld voor een overtreding van de Opiumwet, eveneens het voorhanden hebben van een partij softdrugs. Tot slot is van belang dat er momenteel nog altijd een strafrechtelijk onderzoek naar eiser loopt ten aanzien van zijn betrokkenheid bij een criminele organisatie die zich richt op de handel, import en export van grote partijen hasj. Eiser is in verband hiermee aangehouden en heeft tijdelijk in voorlopige hechtenis gezeten. Hieruit kan worden afgeleid dat de onderzoeksbevindingen een voldoende mate van verdenking jegens eiser hebben opgeleverd. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser verklaard dat de voorlopige hechtenis is geschorst, maar dat het wachten is op een vervolgbeslissing met betrekking tot de vraag of de strafzaak weer op zitting komt. Dit betekent dat de verdenking vooralsnog nog bestaat.

4.7. Op grond van het onder 4.6. overwogene is aannemelijk dat eiser in ieder geval tweemaal een grote hoeveelheid softdrugs voorhanden heeft gehad en dat er tegen hem een zware verdenking bestaat van betrokkenheid bij een criminele organisatie die zich richt op drugshandel. De rechtbank deelt eisers standpunt niet dat deze feiten en omstandigheden niet verder gaan dan problemen waar een coffeeshophouder nou eenmaal tegenaan loopt bij bevoorrading van zijn coffeeshop. De voorraden softdrugs zijn niet in de directe nabijheid van de coffeeshop van eiser aangetroffen en eiser heeft op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat de voorraad in zijn schuur beschikbaar was voor zijn coffeeshop. Bovendien betrof de aangetroffen softdrugs een veelvoud van de toegestane hoeveelheid op grond van de gedoogcriteria.

4.8. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, dan ook van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt mocht stellen dat het levensgedrag van eiser van dien aard is dat het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting of de openbare orde nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting. Daarbij weegt de rechtbank mee dat, aangezien bij de exploitatie van coffeeshops sprake is van een gedoogsituatie, strenge voorwaarden gesteld mogen worden aan het levensgedrag van de exploitant. De omstandigheid dat met betrekking tot de coffeeshop van eiser geen overtredingen van de zogenaamde AHOJG-criteria zijn geconstateerd, maakt het voorgaande niet anders. Het is immers vaste jurisprudentie dat de feiten of omstandigheden op grond waarvan tot weigering van de exploitatievergunning wordt overgegaan zich niet per se in of in de omgeving van de inrichting hoeven te hebben voorgedaan. De beroepsgrond dat geen sprake is van slecht levensgedrag, slaagt gelet op het voorgaande niet.

4.9. Nu verweerder bevoegd was om op grond van artikel 3.11 van de APV verlenging van de exploitatievergunning te weigeren, kunnen eisers gronden gericht tegen het mogelijke standpunt van verweerder dat daarnaast van slechte bedrijfsvoering sprake zou zijn, daarom onbesproken blijven. Overigens heeft de gemachtigde van verweerder in het verweerschrift verduidelijkt dat het bestreden besluit niet is gebaseerd op eventuele slechte bedrijfsvoering van eiser. De gronden van eiser gericht tegen het standpunt van verweerder dat de exploitatievergunning ook geweigerd kon worden op grond van artikel 3, zesde lid van de wet Bibob kunnen om dezelfde reden onbesproken blijven.

4.10. Eiser heeft verder een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan, omdat het volgens eiser de praktijk van de gemeente Amsterdam is om in gevallen als de onderhavige – als er al bestuursrechtelijke consequenties moeten volgen – een tijdelijke sluiting of een tijdelijke intrekking van de vergunning voor een periode van enkele weken tot drie maanden op te leggen.

4.11. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Eisers exploitatievergunning wordt immers ingetrokken op grond van de weigeringsgrond genoemd in artikel 3.11, tweede lid, van de APV. In de gevallen die aan de orde waren in de jurisprudentie waarop eiser zich in zijn beroepschrift beroept, was sprake van overtreding van de AHOJG-criteria. De beoordelingskaders zijn in beide gevallen geheel anders zodat van gelijke gevallen geen sprake is.

4.12. De rechtbank is tot slot van oordeel dat verweerder, gelet op de aard en ernst van de verdenkingen, niet onredelijk heeft gehandeld door het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat zwaarder te laten wegen dan het belang van eiser bij voortzetting van de exploitatie van de coffeeshop. De belangen zijn verdisconteerd in het door verweerder genomen bestreden besluit. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de belangen van eiser bij behoud van zijn exploitatievergunning en gedoogverklaring uiteraard groot zijn, maar niet wezenlijk verschillen van hetgeen gebruikelijk is bij intrekking van een exploitatievergunning. De grond van eiser dat verweerder in het belang van eiser had moeten overgaan tot een tijdelijke sluiting van de coffeeshop, kan naar het oordeel van de rechtbank daarom eveneens niet slagen.

4.13. Aangezien eiser, als gevolg van de weigering, niet over een geldige exploitatievergunning beschikt, was verweerder bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang. Ook overigens is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat verweerder van handhavend optreden had behoren af te zien.

4.14. De rechtbank zal het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond verklaren. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht dat geacht wordt mede te zijn voldaan ten behoeve van het beroep tegen dit bestreden besluit. De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten gemaakt in verband met beroep gericht tegen het bestreden besluit II.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 437,- (zegge: vierhonderd zevenendertig euro), te betalen aan eiser;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. Rombouts, voorzitter,

mrs. R.B. Kleiss en C. Bakker, leden, in aanwezigheid van

mr. R.J.R. van Broekhoven, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2012.

de griffier de voorzitter

de voorzitter is verhinderd om te tekenen daarom tekent mr. R.B. Kleiss

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB