Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX9388

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-06-2012
Datum publicatie
05-10-2012
Zaaknummer
AWB 11-2882 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op artikel 35, vierde lid, van de WWB komt verweerder beleidsvrijheid toe om, in afwijking van het eerste lid, categoriale bijstand te verlenen aan een categorie chronisch zieken en gehandicapten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook een zekere beoordelingsvrijheid om te bepalen welke norm voor de berekening van de aanwezige draagkracht wordt aangelegd.

Op grond van de Beleidsregels aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Atcg) kan verweerder aan belanghebbenden met een laag inkomen (categoriale) bijzondere bijstand verstrekken. Onder laag inkomen wordt verstaan een (gezins)inkomen dat minder dan of gelijk is aan 110% van de van toepassing zijnde bruto IAOW norm. Dit beleid acht de rechtbank niet kennelijk onredelijk dan wel anderszins onjuist. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat het systeem van de WWB in de weg staat aan de door verweerder gehanteerde bruto-berekening. Zie ook de tussenuitspraak in deze zaak, LJN: BX9387.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2882 WWB

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

gemachtigde mr. M.F. Vermaat,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde F.H. Fris.

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2011 is eiseres meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand op grond van de Beleidsregels aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Atcg) omdat haar inkomen meer bedraagt dan 110% van het voor haar geldende sociaal minimum.

Bij besluit van 4 mei 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 14 februari 2011 niet-ontvankelijk verklaard, omdat volgens verweerder geen sprake is van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij besluit van 20 mei 2011 heeft verweerder de motivering van het besluit van 4 mei 2011 gewijzigd.

Eiseres heeft tegen het besluit van 4 mei 2011 beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2011. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. J.M. Boegborn.

Bij tussenuitspraak van 28 oktober 2011 heeft de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 4 mei 2011, niet-ontvankelijk verklaard en het beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 20 mei 2011. De rechtbank heeft het vooronderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld inhoudelijk te reageren op het bezwaar van eiseres.

Bij brief van 6 december 2011 heeft verweerder inhoudelijk gereageerd op het bezwaar van eiseres.

Bij brieven van 19 december 2011 en 27 april 2012 heeft eiseres het beroep nader gemotiveerd.

De meervoudige kamer van de rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2012. Partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Voor de feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de tussenuitspraak van

28 oktober 2011 in deze zaak.

2. Eiseres stelt zich in beroep primair op het standpunt dat verweerder met het besluit van 7 december 2010 al een beslissing heeft genomen op grond van de Atcg en met dit besluit haar recht op bijzondere bijstand op grond van de Atcg voor vijf jaar vaststaat. Subsidiair stelt eiseres dat, voor zover toch sprake zou kunnen zijn van een nieuwe inkomenstoets, verweerder niet het bruto maar het netto inkomen in aanmerking moet nemen.

3. Verweerder stelt het om verschillende redenen niet eens te zijn met de tussenuitspraak van de rechtbank van 28 oktober 2011. Voorts stelt verweerder dat met het besluit van 7 december 2010 geen bijzondere bijstand op grond van de Atcg is toegekend. Volgens verweerder gaat het daarbij om toekenning van bijzondere bijstand op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB). Het schrijven van 14 februari 2011 kan volgens verweerder niet worden aangemerkt als een op rechtsgevolg gericht besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, omdat daarbij is herhaald dat eiseres niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand op grond van de Atcg. Ten aanzien van de inkomenstoets stelt verweerder dat het recht op armoedevoorzieningen wordt getoetst aan de hand van jaaropgaven om eenvoudig en met zekerheid het jaarinkomen te kunnen vaststellen. Daarom is een bruto toetsbedrag nodig en wordt de IOAW-norm gehanteerd, aldus verweerder.

4. De rechtbank stelt voorop dat voor verweerder hoger beroep tegen de tussenuitspraak en deze einduitspraak openstaat. De rechtbank laat hetgeen verweerder tegen de tussenuitspraak heeft aangevoerd daarom hier verder onbesproken.

5. Ten aanzien van de beroepsgrond van eiseres dat verweerder met het besluit van 7 december 2010 bijzondere bijstand op grond van de Atcg heeft toegekend en deze toekenning voor vijf jaar geldt, wordt als volgt overwogen.

5.1. Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het besluit van

7 december 2010 geen bijzondere bijstand heeft toegekend op grond van de Atcg. Weliswaar wordt in dit besluit gesteld dat artikel 35, vierde lid, van de WWB van toepassing is en komt het in dit besluit toegekende bedrag van € 80,- per maand overeen met de systematiek en forfaitaire bedragen van de Atcg. In dit besluit wordt echter tevens een draagkrachtberekening gemaakt en meegedeeld dat jaarlijks een inkomenstoets zal plaatsvinden. Een draagkrachtberekening en jaarlijkse inkomenstoets vinden, bij personen als eiseres zonder inkomsten uit arbeid, niet plaats in het kader van de Atcg maar wel in het kader van bijzondere bijstand op grond van artikel 35, eerste lid, van de WWB.

5.2. Verder acht de rechtbank van belang dat het besluit van 7 december 2010 is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 1 september 2010 (AWB 10/3001 WWB) en in navolging op verweerders brief van 24 augustus 2010, waarin verweerder heeft aangegeven dat eiseres vanwege de hoogte van haar inkomen niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand op grond van de Atcg, maar dat zal worden beoordeeld of zij, na een draagkrachtberekening, mogelijk op grond van artikel 35, eerste lid, van de WWB voor aanvullende bijzondere bijstand in aanmerking komt. Het besluit van 7 december 2010 is een uitvloeisel van de procedure waarin het standpunt van verweerder steeds is geweest dat eiseres geen recht had op bijzondere bijstand ingevolge de Atcg maar mogelijk wel in aanmerking komt voor individuele bijzondere bijstand. De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij het besluit van 7 december 2010 aan eiseres individuele bijzondere bijstand op grond van artikel 35, eerste lid, van de WWB is toegekend en geen Atcg-bijstand. Het voorgaande laat onverlet dat, zoals de rechtbank in de tussenuitspraak heeft geoordeeld, verweerder voor het eerst in het besluit van 14 februari 2011 (het primaire besluit) expliciet heeft besloten dat eiseres niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand ingevolge de Atcg.

6. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat verweerder bij de beoordeling van een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Atcg ten onrechte en in strijd met het systeem van de WWB haar bruto inkomen in aanmerking heeft genomen. Volgens eiseres kan dit nadelig voor haar uitpakken. Verweerder stelt hiertegenover dat voor de beoordeling van bijzondere bijstand op grond van artikel 35, vierde lid, van de WWB altijd wordt uitgegaan van het bruto inkomen en dat hij niet gehouden is om dat anders te doen. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

6.1. Artikel 35, eerste lid, van de WWB bepaalt dat de alleenstaande of het gezin, onverminderd paragraaf 2.2, recht op bijzondere bijstand heeft voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen, voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

6.2. Artikel 35, vierde lid, van de WWB bepaalt dat in afwijking van het eerste lid, bijzondere bijstand ook kan worden verleend aan een persoon behorend tot de categorie chronisch zieken of gehandicapten, met betrekking tot kosten in verband met chronische ziekte of handicap, zonder dat wordt nagegaan of ten behoeve van die persoon of dat kind, die kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten aanzien van de categorie waartoe hij behoort aannemelijk is dat die zich in bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot dergelijke noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.

6.3. Gelet op artikel 35, vierde lid, van de WWB komt verweerder beleidsvrijheid toe om, in afwijking van het eerste lid, categoriale bijstand te verlenen aan een categorie chronisch zieken en gehandicapten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook een zekere beoordelingsvrijheid om te bepalen welke norm voor de berekening van de aanwezige draagkracht wordt aangelegd.

6.4. Artikel 2.1 van de Atcg bepaalt dat verweerder als aanvulling op een eventuele vergoeding op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (de Wtcg) op aanvraag aan chronisch zieken en gehandicapten met een laag inkomen een forfaitaire vergoeding verstrekt ter bestrijding van de noodzakelijk te maken meerkosten die de ziekte of handicap met zich meebrengt. Onder laag inkomen wordt daarbij verstaan: een uitkering ingevolge de WWB of een ander fiscaal (gezins)inkomen dat minder dan, of gelijk is aan 110% van de afhankelijk van de gezinssituatie van toepassing zijnde bruto IAOW norm. Dit beleid acht de rechtbank niet kennelijk onredelijk dan wel anderszins onjuist. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat het systeem van de WWB in de weg staat aan de door verweerder gehanteerde bruto-berekening. Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat artikel 35, eerste lid, van de WWB als vangnet fungeert voor personen als eiseres, die vanwege de hoogte van hun inkomen niet in aanmerking komen voor categoriale bijzondere bijstand op grond van de Atcg. In het kader van artikel 35, eerste lid, van de WWB wordt een netto-draagkrachtberekening gemaakt en worden aftrekposten in aanmerking genomen en kan alsnog individuele bijzondere bijstand worden verleend.

7. De conclusie is dat de aangevoerde gronden niet kunnen slagen.

8. Zoals reeds is overwogen in rechtsoverweging 5.1. van de tussenuitspraak, heeft verweerder bij besluit van 20 mei 2011 het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 14 februari 2011 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit van 20 mei 2011 vernietigen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien als bedoeld in artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb door het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond te verklaren en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

9. Nu de rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaart, houdt deze uitspraak op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb tevens in dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 41,- dient te vergoeden.

10. Tot slot ziet de rechtbank aanleiding om verweerder, in aanvulling op de tussenuitspraak van 28 oktober 2011, met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. De rechtbank begroot deze kosten op € 655,50 (1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting). Omdat eiseres heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, moet verweerder dit bedrag aan de griffier van de rechtbank betalen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 20 mei 2011;

- verklaart het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit van 14 februari 2011 ongegrond;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 20 mei 2011;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres in beroep, begroot op € 655,50, te betalen aan de griffier van deze rechtbank;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M. Beunk, voorzitter, en de mrs. A.D. Reiling en

A.C. Loman, leden, in aanwezigheid van mr. H. van Hoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2012.

de griffier de voorzitter

De griffier is buiten staat deze

uitspraak te ondertekenen

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB