Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX7832

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-09-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
13-670178-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mishandeling en belediging van een trambestuurster in dienst bij Gemeentelijk Vervoersbedrijf Amsterdam. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/670178-12

Datum uitspraak: 12 september 2012

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1993],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], [postcode plaats],

uit anderen hoofde gedetineerd in justitiële jeugdinrichting “[locatie]” te [plaats].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 augustus 2012.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 23 februari 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde] (zijnde een trambestuurster in dienst bij het Gemeentelijk Vervoer(s)bedrijf Amsterdam), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het

- eenmaal of meermalen schoppen en/of trappen tegen het/de be(e)n(en), in elk geval het lichaam, van die [benadeelde] (tengevolge waarvan die [benadeelde] ten val is gekomen) en/of

- eenmaal en/of meermalen slaan en/of stompen in/tegen/op het gezicht, in elk geval in/tegen/op het lichaam, van die [benadeelde] en/of

- geven van een zogeheten "kopstoot" aan die [benadeelde] en/of

- duwen van die [benadeelde] en/of

- vastpakken en/of vasthouden en/of trekken van/aan het/de ha(a)r(en) van die [benadeelde],

waardoor voornoemde [benadeelde], zijnde een ambtenaar, letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 23 februari 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [benadeelde] (zijnde een trambestuurster in dienst bij het Gemeentelijk Vervoer(s)bedrijf Amsterdam), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, eenmaal of meermalen in/tegen/op het gezicht, in elk geval in/tegen/op het lichaam,van voornoemde [benadeelde] heeft gespuugd;

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

De rechtbank overweegt dat vaststaat dat er geweld is gebruikt tegen aangeefster. Voor wat betreft de specifieke geweldshandelingen lopen de verklaringen van aangeefster en de getuigen op een aantal punten uiteen. De rechtbank heeft bij de beoordeling van de te bewijzen gedragingen de verklaring van aangeefster in beginsel als uitgangspunt genomen, omdat haar verklaring grotendeels ondersteuning vindt in de documenten ten aanzien van het letsel, de verklaringen van de getuigen en de (beschrijving van de) camerabeelden. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat zij de gedragingen aan den lijve heeft moeten ondervinden en aldus de aangewezen persoon is om hierover nader te verklaren.

Gelet op de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen, acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij aangeefster niet bewust heeft geraakt niet geloofwaardig. Het in het verlengde daarvan gevoerde verweer dat geen sprake is van opzettelijk handelen wordt derhalve verworpen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit:

op 23 februari 2012 te Amsterdam, opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde], zijnde een trambestuurster in dienst bij het Gemeentelijk Vervoersbedrijf Amsterdam, gedurende de rechtmatige uitoefening van haar bediening, heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het

- trappen tegen de benen van die [benadeelde], tengevolge waarvan die [benadeelde] ten val is gekomen, en

- stompen in het gezicht van die [benadeelde] en/of

- geven van een zogeheten "kopstoot" aan die [benadeelde] en

- duwen van die [benadeelde] en

- vastpakken en trekken aan de haren van die [benadeelde],

waardoor voornoemde [benadeelde], zijnde een ambtenaar, letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit:

op 23 februari 2012 te Amsterdam, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [benadeelde], zijnde een trambestuurster in dienst bij het Gemeentelijk Vervoersbedrijf Amsterdam, gedurende de rechtmatige uitoefening van haar bediening, meermalen in het gezicht heeft gespuugd;

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf en maatregel

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden, met aftrek van voorarrest.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft een trambestuurster een kopstoot gegeven, dan wel een harde vuistslag gegeven, en tegen haar benen getrapt, waardoor zij is gevallen. Daarnaast heeft verdachte de trambestuurster geduwd, aan de haren getrokken en tweemaal in haar gezicht gespuugd. Verdachte heeft daarmee op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en zich op denigrerende wijze tegenover haar misdragen. Dergelijk gedrag is maatschappelijk volstrekt onaanvaardbaar.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank allereerst rekening gehouden met de ernst van de feiten en de omvangrijke gevolgen voor het slachtoffer: zij moet uitgebreide en langdurige tandheelkundige behandelingen ondergaan. Mede gelet op het letsel in haar gezicht is het slachtoffer ook psychisch beschadigd door deze mishandeling. Strafverzwarend werkt tevens dat het slachtoffer een ambtenaar in functie betreft, die in haar werkzaamheden ten behoeve van onze maatschappij, een bijzondere bescherming behoeft. Overigens acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij eerst door de trambestuurster is uitgescholden, mede in aanmerking genomen de getuigenverklaringen, ongeloofwaardig. Verdachte heeft door zijn handelen een bijdrage geleverd aan het versterken van de gevoelens van onveiligheid bij aangeefster en de omstanders. Ten nadele van verdachte heeft de rechtbank ten slotte meegewogen dat verdachte al vaker is veroordeeld voor geweldsdelicten.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat aanleiding bestaat om bij de straftoemeting ten voordele voor verdachte af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. Enerzijds neemt de rechtbank daartoe de oriëntatiepunten van het LOVS in aanmerking. Anderzijds weegt de rechtbank mee dat verdachte voor onderhavig feit na inbewaringstelling is geschorst. In de situatie van verdachte heeft dit niet het gevolg gehad dat hij op vrije voeten kwam, omdat aan hem een PIJ-maatregel is opgelegd. In afwachting van een beslissing in de onderhavige zaak heeft verdachte echter geen behandeling meer gekregen, maar moest hij volgens de raadsman kale detentie ondergaan. Schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis heeft in deze situatie ten gevolg gehad dat verdachte slechts aanspraak kan maken op geringe aftrek van voorarrest, terwijl hij – ware hij niet geschorst – zijn straf met betrekking tot onderhavig feit al uitgezeten zou kunnen hebben.

Ten aanzien van de benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van een deel van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor onder 1 en 2 bewezen geachte feiten, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 8.667,10 (achtduizendzeshonderdzevenenzestig euro en tien cent), bestaande uit € 580,- aan immateriële schade, € 1.173, - aan materiële schade minus het door de zorgverzekering vergoede bedrag van € 400,-, en € 7.314,10 aan voorschot (door de benadeelde partij ter zitting nader onderbouwd met een gedetailleerd behandelingsplan/kostenbegroting), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met betrekking tot de immateriële schade vanaf 23 februari 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening en met betrekking tot de materiële schade en het voorschot vanaf 12 september 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening. Nu dit deel van de vordering is gesteld en niet uitdrukkelijk betwist, kan de vordering dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De behandeling van het overige deel van de vordering van de benadeelde partij levert wel een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [benadeelde] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 266, 267, 300, 304 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde], ten name van GVB Exploitatie, o.v.v. [benadeelde], pers. no [nummer], toe tot een bedrag van € 8.667,10 (achtduizendzeshonderdzevenenzestig euro en tien cent), bestaande uit € 580,- aan immateriële schade, € 1.173, - aan materiële schade minus het door de zorgverzekering vergoedde bedrag van € 400,-, en € 7.314,10 aan voorschot, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met betrekking tot de immateriële schade vanaf 23 februari 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening en met betrekking tot de materiële schade en het voorschot vanaf 12 september 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], te betalen de som van € 8.667,10 (achtduizendzeshonderdzevenenzestig euro en tien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met betrekking tot de immateriële schade vanaf 23 februari 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening en met betrekking tot de materiële schade en het voorschot vanaf 12 september 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 78 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd.

Beveelt de gevangenhouding van verdachte. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. van Eunen, voorzitter,

mrs. C.F. de Lemos Benvindo en C.A.E. Wijnker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. den Toom, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 september 2012.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen