Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX7777

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-09-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
13-650839-12; 14-810524-08 (TUL) (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Straatroof met dreiging van geweld. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van afpersing en wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/650839-12; 14/810524-08 (TUL) (Promis)

Datum uitspraak: 19 september 2012

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1969],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres], [postcode] te [plaats],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring "[locatie]" te [plaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 september 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J. Louman en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.A. Holleeder, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

Primair:

hij op of omstreeks 06 juni 2012 te Amsterdam, op de Plantage Middenlaan, in elk geval op de openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld, [benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- tegen die [benadeelde] heeft/hebben gezegd dat hij zijn portemonnee aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s) moest geven en/of

- (vervolgens) tegen die [benadeelde] heeft/hebben gezegd dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een pistool bij zich had/hadden en dit pistool zou/zouden gebruiken als die [benadeelde] zijn portemonnee niet zou geven en/of

- de kleding van die [benadeelde] heeft/hebben afgetast/betast.

Subsidiair:

hij op of omstreeks 06 juni 2012 te Amsterdam op de plantage Middenlaan, in elk geval op de openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten elk geval op de openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

-tegen die [benadeelde] heeft/hebben gezegd dat hij zijn portemonnee aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s) moest geven en/of

-(vervolgens) tegen die [benadeelde] heeft/hebben gezegd dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een pistool bij zich had/hadden en dit pistool zou/zouden gebruiken als die [benadeelde] zijn portemonnee niet zou geven en/of

- de kleding van die [benadeelde] heeft/hebben afgetast/betast.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde bewezen op grond van de aangifte, de getuigenverklaring, de door de getuige genomen foto en het feit dat de bij de beide verdachten aangetroffen geldbedragen bij elkaar opgeteld corresponderen met het weggenomen bedrag uit de portemonnee van aangever. De lezing van verdachte, inhoudende dat zijn medeverdachte de aangever slechts om een 'mazzeltje' heeft gevraagd en dat verdachte zelf bovendien weinig heeft meegekregen van het contact tussen hen, acht de officier van justitie ongeloofwaardig. Daarbij stelt de officier van justitie dat verdachte ook de schijn tegen zich heeft, nu hij een strafblad heeft waaruit vele eerdere veroordelingen ter zake van soortgelijke feiten blijken.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde en voert hiertoe primair aan dat het ten laste gelegde feit niet bewezen kan worden verklaard en subsidiair dat verdachte niet als mededader hiervan kan worden aangemerkt. De aanleiding voor het contact met de aangever was dat deze aan verdachte en zijn medeverdachte de weg vroeg. Nadat zij aangever hadden geantwoord vroeg [medeverdachte] hem om een 'mazzeltje'. Het is alleen aangever zelf die heeft verklaard dat hij tot afgifte van zijn portemonnee werd gedwongen onder de verbale bedreiging dat gebruik zou worden gemaakt van een pistool, dat overigens niet is aangetroffen. Ook het vermeende weggenomen geldbedrag komt volgens de raadsvrouw niet overeen met de bedragen die bij de verdachten zijn aangetroffen. Aangever heeft immers verklaard dat er zeker honderd euro in zijn portemonnee zat, terwijl dit bedrag niet bij de verdachten is teruggevonden. De getuige ter plaatse heeft gezien dat aangever uit eigen beweging zijn portemonnee aan [medeverdachte] heeft gegeven. Hieruit blijkt niet dat sprake is geweest van enige dwang, zo stelt de raadsvrouw. Dit alles past in het scenario dat door verdachte en [medeverdachte] is geschetst. Hiernaast merkt de raadsvrouw op dat door degene die de vordering van de benadeelde partij heeft ingediend is genoteerd dat aangever dementerend is. De raadsvrouw is van mening dat hierdoor teveel twijfel rijst omtrent de juistheid van de verklaring van aangever, zodat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De raadsvrouw doet tot slot een voorwaardelijk verzoek tot het horen van aangever als getuige. Subsidiair voert de raadsvrouw aan dat het medeplegen van verdachte niet kan worden vastgesteld, nu uit het dossier geen nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en medeverdachte [medeverdachte] is af te leiden. Er is geen sprake geweest van een vooropgezet plan, aangezien zij werden aangesproken door aangever zelf. Verdachte heeft zich afzijdig gehouden bij het contact tussen aangever en [medeverdachte] en heeft zoals blijkt uit de verklaring van de getuige niet met aangever gesproken, aldus de raadsvrouw. De raadsvrouw wijst in dit verband op jurisprudentie van het Gerechtshof Arnhem, waaruit volgt dat een enkele getalsmatige versterking nog niet maakt dat men een wezenlijke bijdrage levert aan het delict. Gelet op haar pleidooi tot vrijspraak verzoekt de raadsvrouw tot slot de vordering van de benadeelde partij af te wijzen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank i

Op 6 juni 2012 zit de heer [benadeelde] op een bankje op de Plantage Middenlaan te Amsterdam, tegenover het verpleeghuis Sint Jacob.ii Verdachte komt samen met [medeverdachte] aanlopen uit de richting van de Plantage Parklaan.iii Bij het bankje blijven zij staan en raken zij in gesprek met [benadeelde].iv Verdachte en [medeverdachte] gaan ieder aan een kant van [benadeelde] dicht naast hem op het bankje zitten.v Vervolgens zeggen zij tegen [benadeelde] dat hij zijn portemonnee aan hen moet geven en dat zij een pistool hebben en dat zij dit zullen gebruiken als hij zijn portemonnee niet aan hen geeft.vi [benadeelde] haalt zijn portemonnee uit zijn binnenzak en geeft deze aan [medeverdachte]. Deze pakt hier briefgeld uit en geeft de portemonnee daarna weer terug aan [benadeelde].vii [medeverdachte] tast vervolgens de kleding van [benadeelde] af.viii Verdachte en [medeverdachte] lopen daarna samen weg in de richting van de Plantage Parklaan en gaan een pand van het Leger des Heils binnen op de Plantage Doklaan.ix Korte tijd na zijn aanhouding wordt bij verdachte een pakketje gevouwen briefgeld aangetroffen, dat tussen zijn spijkerbroek en onderbroek gestoken zit. Dit betreft een totaalbedrag van veertig euro.x Bij medeverdachte [medeverdachte] wordt een totaalbedrag van

€ 55,25 in papier- en kleingeld aangetroffen.xi

Nadere bewijsoverwegingen

De rechtbank is van oordeel dat op grond van genoemde bewijsmiddelen, in hun onderlinge verband en samenhang bezien, boven redelijke twijfel is verheven dat sprake is geweest van een afpersing van de heer [benadeelde]. De lezing van de verdediging, inhoudende dat de aangever uit eigen beweging en zonder dwang zijn portemonnee zou hebben overhandigd aan medeverdachte [medeverdachte], die hieruit vervolgens zelf geld mocht halen, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Niet alleen is dit scenario pas ter terechtzitting voor het eerst opgeworpen, het is bovendien in strijd met hetgeen aangever zowel tegen de politie heeft verklaard als expliciet en direct na het incident tegen de getuige, die het voorval vanaf de overkant van de straat had waargenomen. Deze getuige heeft onder meer gezien dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zeer dicht bij de aangever stonden en zeer dicht naast hem gingen zitten en dat [medeverdachte] de kleding van aangever aftastte, hetgeen eveneens duidt op een afpersing of beroving. Bij verdachte en zijn medeverdachte zijn tot slot geldbedragen aangetroffen waarvan de totaalsom veel hoger is dan de vermeende tien euro die aangever aan [medeverdachte] zou hebben geschonken. Dit totaalbedrag komt overeen met het geldbedrag dat volgens de vordering van de benadeelde partij is weggenomen uit de portemonnee van aangever. Door de beide verdachten is geen aannemelijke en met stukken toereikend onderbouwde alternatieve verklaring gegeven voor de herkomst van dit bij hen aangetroffen briefgeld.

Anders dan de raadsvrouw heeft gesteld is de rechtbank voorts van oordeel dat verdachte is aan te merken als mededader van de te bewijzen afpersing. De rechtbank overweegt daarbij dat verdachte en zijn medeverdachte samen vanuit de woning van één van hen op pad zijn gegaan en dat zij na het incident samen hun weg hebben vervolgd. Het slachtoffer heeft in zijn aangifte consequent verklaard over 'zij' die hem dwongen zijn portemonnee aan 'hen' af te geven omdat 'zij' een pistool bij zich hadden dat anders door 'hen' gebruikt zou worden. De getuige heeft daarnaast gezien dat beide verdachten dicht op aangever stonden en dat zij ieder aan één kant vlak naast hem op het bankje gingen zitten. Hiermee heeft verdachte bijgedragen aan een voor aangever bedreigende situatie. Verdachte heeft zich geen moment van het voorval gedistantieerd terwijl hij wel van de opbrengst heeft geprofiteerd, nu bij hem - op een zeer ongebruikelijke plek, te weten tussen zijn broek en onderboek - voornoemd geldbedrag is aangetroffen, dat kennelijk afkomstig was uit de portemonnee van aangever. Verdachte heeft op het politiebureau tot op het laatste moment dit geldbedrag verborgen willen houden, wat de illegale herkomst hiervan accentueert.

De rechtbank wijst het ter terechtzitting voorwaardelijk gedane verzoek tot het horen van de aangever als getuige, af. De aangifte is consistent, gedetailleerd en geeft geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid daarvan. Dat door de indiener van de vordering van de benadeelde partij wordt opgemerkt dat aangever thans dementerend is, maakt niet dat aangever zonder meer moet worden geacht niet in staat te zijn geweest naar waarheid te verklaren over hetgeen kort daarvoor was gebeurd. De aangifte vindt daarnaast voldoende steun in de eerder genoemde overige bewijsmiddelen in het dossier. Nu het nader horen van aangever daarom niet noodzakelijk is voor enige te nemen beslissing in onderhavige strafzaak, wordt het voorwaardelijke verzoek hiertoe afgewezen.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

op 6 juni 2012 te Amsterdam, op de Plantage Middenlaan, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld, [benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan die [benadeelde], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en/of zijn mededader

- tegen die [benadeelde] hebben gezegd dat hij zijn portemonnee aan hem, verdachte en/of zijn mededader moest geven en

- vervolgens tegen die [benadeelde] hebben gezegd dat hij, verdachte en/of zijn mededader een pistool bij zich hadden en dit pistool zouden gebruiken als die [benadeelde] zijn portemonnee niet zou geven en

- de kleding van die [benadeelde] heeft afgetast.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de officier van justitie verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling integraal toe te wijzen.

8.2. Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van een eventuele strafmaat op het standpunt gesteld dat aansluiting zou moeten worden gezocht bij de richtlijnen die gelden voor een eenvoudige straatroof, gepleegd door een first offender. Verdachte is geen frequente recidivist op dit gebied en indien wordt gekozen voor de oplegging van een gevangenisstraf, verzoekt de raadsvrouw deze straf deels voorwaardelijk op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel niet langer is dan het door verdachte reeds uitgezeten voorarrest. Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd is de raadsvrouw van mening dat verdachte een nieuwe kans verdient en dat hem nu concrete hulp en steun is aangeboden, die als bijzondere voorwaarden aan een deels voorwaardelijke straf zouden kunnen worden opgelegd. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging stelt de raadsvrouw dat deze vordering ziet op een veroordeling waarmee verdachte kennelijk niet bekend was en die bovendien is uitgesproken in de periode dat verdachte in de ISD zat. Omdat verdachte kennelijk niet is aangevoerd op die zitting heeft hij niet kunnen aanvoeren dat sprake was van een ISD-maatregel, terwijl met een dergelijke omstandigheid doorgaans in aanzienlijk matigende zin rekening wordt gehouden bij de straftoemeting. Gelet hierop meent de raadsvrouw dan ook dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen, dan wel dat deze moet worden omgezet in een taakstraf.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing, in vereniging en op de openbare weg gepleegd. Verdachte en zijn mededader hebben hierbij onder dreiging met geweld een kwetsbaar, ouder slachtoffer gedwongen tot afgifte van geld uit diens portemonnee. Straatberovingen zijn zeer ernstige feiten, waarbij het gevoel van veiligheid op straat in het algemeen en dat van het slachtoffer in het bijzonder in ernstige mate wordt aangetast. De algemene ervaring leert dat zowel slachtoffers als getuigen van dergelijke feiten hiervan nog lange tijd grote psychische hinder kunnen ondervinden. Gelet hierop dienen dergelijke misdrijven dan ook krachtig te worden bestreden.

Bij de straftoemeting houdt de rechtbank ten nadele van verdachte in aanzienlijke mate rekening met het zeer omvangrijke uittreksel van zijn justitiële documentatie. Hieruit volgen diverse eerdere veroordelingen ter zake van soortgelijke feiten. Het bewezen verklaarde feit is door verdachte bovendien gepleegd korte tijd nadat de eerder aan hem opgelegde ISD-maatregel was geëindigd. De diverse eerdere veroordelingen, alsmede de oplegging van genoemde ISD-maatregel, hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden vrijwel direct wederom een ernstig misdrijf te plegen. De rechtbank ziet dan ook geen enkele aanleiding bij de strafoplegging af te wijken van de eis van de officier van justitie, welke eis in overeenstemming is met de richtlijnen die gelden voor dergelijke feiten, gepleegd door een recidiverende verdachte. Nu aan verdachte geen (deels) voorwaardelijke straf wordt opgelegd, zullen in afwijking van het reclasseringsadvies en het verzoek van de raadsvrouw dan ook geen bijzondere voorwaarden aan verdachte worden opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van

[benadeelde], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 85,- (vijfentachtig euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 19 juni 2012 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Alkmaar, in de zaak met parketnummer 14/810524-08, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 24 november 2010 van de politierechter, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. Gelet echter op de omstandigheid dat genoemde veroordeling dateert uit de periode dat aan verdachte reeds een ISD-maatregel was opgelegd, ziet de rechtbank aanleiding om in plaats van de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke straf te gelasten, de bij voornoemd vonnis bepaalde proeftijd met één jaar te verlengen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

medeplegen van afpersing.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van [benadeelde], wonende op het adres [adres], [postcode] te [plaats], toe tot € 85,- (vijfentachtig euro).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde], aan de Staat € 85,- (vijfentachtig euro) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van één dag vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

VERLENGT de bij vonnis van 24 november 2010 opgelegde proeftijd met 1 (één) jaar.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Salomon, voorzitter,

mrs. E. Dinjens en J.M.L.I. van Hommerich, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Bertels, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 september 2012.

i Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii P. 13; P. 19.

iii P. 13; De ter terechtzitting van 5 september 2012 afgelegde verklaring van verdachte.

iv P. 13; P. 19; P. 29; De ter terechtzitting van 5 september 2012 afgelegde verklaring van verdachte.

v P. P. 13; P. 19.

vi P. 13.

vii P. 13; P. 19.

viii P. 19.

ix P. 13-14; P. 20; De ter terechtzitting van 5 september 2012 afgelegde verklaring van verdachte.

x P. 26.

xi P. 6.