Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX7330

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-09-2012
Datum publicatie
13-09-2012
Zaaknummer
1308652 CV EXPL 11-42302
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kantonrechter laat het gegeven ontslag op staande voet, nadat een werknemer zijn leidinggevende "fucking hoer" heeft genoemd, niet in stand.

In de gegeven omstandigheden was het ontslag niet proportioneel: er was sprake van een gespannen verhouding tussen de werknemer (en een groep collega's) en de ledinggevende, die onder meer bleek uit een door de werknemers aan de directie aangeboden petitie over de vijandige houding van de leidinggevende. Ook speelde mee dat (bij een dienstverband van ruim 10 jaar), niet was gebleken dat de werknemr zich eerder onheus had uitgelaten.

De loonvordering tot de datum van de ontbinding (onder voorbehoud) wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2012/161
AR-Updates.nl 2012-0814
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

Rolnummer: 1308652 CV EXPL 11-42302

Vonnis van: 6 september 2012

481

Vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiser]

wonende te Amsterdam

eiser

nader te noemen [eiser]

gemachtigde: mr. M.J.A. Frankevijle

t e g e n

SLIGRO FOOD GROUP NETHERLANDS B.V.

gevestigd te Amsterdam

gedaagde

nader te noemen Sligro

gemachtigde: mr. M.O. de Bont

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende stukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van [eiser] van 5 december 2011 met producties

- de conclusie van antwoord van Sligro met producties

Bij tussenvonnis van 23 februari 2012 is bepaald dat een bijeenkomst van partijen zal plaatsvinden. Deze is gehouden op 2 april 2012. [eiser] is in persoon verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde. Sligro is verschenen bij de heer [naam], bijgestaan door de gemachtigde. Voorafgaand aan de bijeenkomst zijn door [eiser] nog stukken in het geding gebracht, waarop hij zich tijdens de bijeenkomst heeft beroepen.

Vervolgens zijn ingediend:

- de conclusie van repliek van [eiser]

- de conclusie van dupliek van Sligro met producties

- de akte waarin [eiser] zich uitlaat over deze producties.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. De feiten:

1.1 [eiser], geboren op [1974], is op 4 maart 2001 bij een rechtsvoorganger van Sligro in dienst getreden. Laatstelijk vervulde [eiser] de functie van medewerker expeditie orders. Het laatstverdiende salaris bedraagt € 2.307,47 bruto per maand, te vermeerderen met toeslagen en 8% vakantiegeld.

1.2 op 19 mei 2011 heeft Sligro [eiser] op staande voet ontslagen. De grond voor het ontslag, zo vermeldt de brief van 19 mei 2011 van Sligro, is (kort gezegd) dat [eiser] op 15 mei 2011 zijn teamleidster, mevrouw [naam], zou hebben uitgemaakt voor “ fucking hoer”, hetgeen door mevrouw [naam teamleidster] als bedreigend en intimiderend is ervaren.

1.3 bij brief van 1 juni 2011 heeft de gemachtigde van [eiser] de vernietigbaarheid van het ontslag ingeroepen, doorbetaling van het loon gevorderd, met een bereidverklaring van [eiser] om de bedongen werkzaamheden te blijven verrichten.

1.4 de kantonrechter te Amsterdam heeft bij kort geding vonnis van 30 september 2011 de loonvordering en de vordering tot tewerkstelling van [eiser] afgewezen. Daarbij heeft zij onder meer overwogen dat (in het kader van de kort geding procedure) niet was komen vast te staan dat [eiser] de gewraakte uitlating had gedaan, doch dat indien zou komen vast te staan dat [eiser] inderdaad “ fucking hoer” heeft gezegd tegen zijn leidinggevende [naam teamleidster], dit in beginsel een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert.

1.5 bij beschikking van 30 september 2011 heeft de kantonrechter te Amsterdam de arbeidsovereenkomst tussen partijen, onder het voorbehoud dat deze nog bestaat, ontbonden met ingang van 1 november 2011, met toekenning aan [eiser] van een vergoeding van € 8.500,- bruto.

Vordering

2. [eiser] vordert voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet dat Sligro hem op 19 mei 2011 heeft gegeven, nietig is. [eiser] vordert voorts - kort gezegd - betaling van het loon, met toeslagen, vakantiegeld en vergoeding wegens niet genoten vakantiedagen over de periode van 19 mei 2011 tot 1 november 2011, in totaal bedragende € 22.492,41 bruto, met nevenvorderingen zoals in de dagvaarding beschreven. Tot slot vordert hij uitbetaling van een bedrag van € 1.000,- netto, dat Sligro als fictieve schadevergoeding (en volgens [eiser] dus ten onrechte) op de eindafrekening per 19 mei 2011 heeft ingehouden.

3. [eiser] stelt daartoe dat hij de onder 1.2 genoemde uitlating absoluut niet heeft gedaan en dat hij evenmin een dreigende lichaamshouding heeft aangenomen en/of andere verbale uitingen heeft gebruikt. Er kan (dus) van een dringende reden voor ontslag geen sprake zijn en het loon e.a. moet tot de datum van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst worden doorbetaald. Ook dient het als fictieve schadevergoeding ingehouden bedrag te worden terugbetaald, primair omdat er geen dringende reden was, subsidiair omdat er geen sprake was van opzet of schuld.

4. [eiser] wil erop wijzen dat de werkverhouding tussen mevrouw [naam teamleidster] en een groot aantal medewerkers, onder wie [eiser], al geruime tijd ernstig verstoord was. Dit had te maken met de soms ronduit vijandige wijze van communiceren van [naam teamleidster]. Omdat de directie van Sligro hiertegen, ondanks verzoeken van personeelsleden, niet tegen optrad, heeft een groep werknemers op 8 februari 2011 bij vestigingsdirecteur [naam] een petitie ingediend. Deze was ondertekend door een dertigtal medewerkers. [eiser], die de rol had van meewerkend voorman, had bij het opstellen van de petitie en het verzamelen van de handtekeningen een grote rol gespeeld. Met de petitie heeft de directie (anders dan het schrijven van een memo) niets gedaan en dat leidde tot een verdere verslechtering in de werkverhouding met [naam teamleidster].

5. Op 15 mei 2011 rond 20.30 uur heeft [naam teamleidster] [eiser] en enkele collega’s aangesproken omdat zij volgens [naam teamleidster] stonden te kletsen in plaats van te werken. Die veronderstelling van [naam teamleidster] klopte niet: iedereen was gewoon aan het werk en men voelde zich door de opmerking van [naam teamleidster] geschoffeerd. [eiser] wilde het voorval met de teamleider bespreken (die om 22.00 uur zou beginnen) en is daartoe naar de kantine gegaan. Kort na 21.30 uur is er toen een woordenwisseling ontstaan, waarbij [naam teamleidster] op hoge en luide toon eiste dat [eiser] direct weer aan het werk ging. [eiser] is toen boos geworden en heeft gezegd dat zij hem met rust moest laten, dat hij niet met haar in discussie wilde en dat hij nog op [naam] (de teamleider) wachtte. Hij heeft echter niet gescholden en/of gedreigd. Er zijn vele getuigen die dat kunnen bevestigen.

6. Anders dan Sligro meent, is de tusen [naam teamleidster] en [eiser] (en een groot aantal van zijn collega’s) bestaande gespannen sfeer wel degelijk van belang voor de beoordeling van hetgeen op 15 mei 2011 is voorgevallen, aldus [eiser].

Verweer

7. Sligro heeft verweer gevoerd en er daarbij op gewezen dat [eiser] helemaal geen meewerkend voorman was en geen bijzondere rol heeft gespeeld bij het opstellen en aanbieden van de petitie. Deze omstandigheden dienen dan ook geen rol te spelen bij het beoordelen van de onderhavige kwestie. In de kern komt het er simpelweg op neer dat [eiser], door zijn leidinggevende uit te schelden zoals hij heeft gedaan, gehandeld heeft in strijd met elke denkbare fatsoensnorm. Dat is compleet onacceptabel en hoeft door Sligro onder geen enkele omstandigheid te worden getolereerd. Daarom is het ontslag op staande voet terecht gegeven, aldus Sligro.

8. Dat [eiser] wel degelijk [naam teamleidster] heeft uitgescholden en haar daarbij “fucking hoer” heeft genoemd blijkt uit de overgelegde getuigenverklaringen. Alle betrokkenen zijn door Sligro voorafgaand aan het ontslag gehoord. [naam teamleidster] en [naam] hebben eensluidend verklaard dat [eiser] [naam teamleidster] voor “fucking hoer” heeft uitgescholden. Ook op grond van de verklaring van [eiser] d.d. 17 mei 2011 (opgeschreven door mevrouw [naam], P&O-manager bij Sligro) is aannemelijk dat hij wel degelijk deze scheldwoorden heeft gebruikt. Hij erkent namelijk dat hij woedend op [naam teamleidster] was en heeft verklaard: “ik kan me niet meer herinneren dat ik gescholden heb of iets dergelijks”. Daarmee ontkent hij niet dat hij heeft gescholden en dat maakt zijn ontkenning achteraf ongeloofwaardig, aldus Sligro. De verklaringen van de heer [naam], waarin hij stelt dat [eiser] niet gescholden en/of gedreigd zou hebben, zijn ongeloofwaardig, omdat zij op onderdelen tegenstrijdig zijn en omdat (belangrijker nog) hij ten tijde van het schelden niet in de betreffende ruimte was en het schelden dus niet kan hebben gehoord. Dat blijkt ook uit de aantekeningen van de griffier ter zitting van de kantonrechter d.d. 13 september 2011. De verklaring van de heer [naam] is evenzeer ongeloofwaardig nu deze pas negen maanden later is opgemaakt. De verklaringen van [naam], [naam] en[naam] zijn niet relevant, nu ook deze personen niet bij het voorval aanwezig waren.

9. Subsidiair heeft Sligro opgemerkt dat [eiser] geen aanspraak heeft op de gevorderde toeslagen, nu hij de werkzaamheden niet heeft verricht en (dus) niet voldoet aan de in de CAO genoemde voorwaarden.

10. Sligro verzoekt een eventueel veroordelend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, gelet op het restitutierisico aan de zijde van [eiser].

Beoordeling

11. Nu de door een groot aantal personen afgelegde verklaringen elkaar op wezenlijke onderdelen tegenspreken, valt zonder nader onderzoek niet vast te stellen of [eiser] de gewraakte uitlating heeft gedaan.

12. Om proceseconomische redenen zal de kantonrechter eerst veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat [eiser] de betreffende uitlating wél heeft gedaan. Indien, uitgaande van die veronderstelling, het gegeven ontslag op staande voet (niettemin) als niet rechtsgeldig gegeven zou wordt beoordeeld, kan het onder 11 bedoelde onderzoek achterwege blijven. Daarbij merkt de kantonrechter op dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om bij deze veronderstelling rekening te houden met een bedreiging of een dreigende houding. Dat daarvan sprake zou zijn geweest heeft Sligro niet, althans onvoldoende, onderbouwd.

13. De kantonrechter stelt voorop dat een werknemer een collega of leidinggevende niet voor “fucking hoer” behoort uit te maken. Terecht heeft Sligro opgemerkt dat hij hiermee de normen van fatsoen heeft overschreden. Eveneens terecht heeft Sligro opgemerkt dat zij dergelijk gedrag niet hoeft te accepteren en dat een maatregel daartegen op zijn plaats is. Sligro behoeft dergelijke uitlatingen inderdaad niet te tolereren. De kantonrechter is het echter niet met Sligro eens dat het gebruik van deze woorden altijd – onder alle omstandigheden – een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Niet uit het oog mag worden verloren dat het ontslag op staande voet de meest vergaande en ingrijpende maatregel is die ons ontslagrecht kent. Deze is alleen op zijn plaats als het gedrag van de werknemer (in het concrete geval) zo ernstig is, dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden dat hij de dienstbetrekking nog voortzet.

14. Dat betekent dat de kantonrechter, bij het beoordelen van de ernst van de (gestelde) dringende reden rekening moet houden met alle van belang zijnde omstandigheden. Tot die omstandigheden behoort ook de onderlinge werkverhouding tussen [naam teamleidster] en [eiser].

15. Op dat punt is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat die verhouding al een aantal maanden gespannen was. Vast staat dat een groep werknemers op 8 februari 2011 een brief heeft geschreven aan vestigingsdirecteur [naam], ook wel de petitie genoemd. Hierin vragen de werknemers aandacht voor de in hun ogen onwerkbare situatie die is ontstaan tussen “het personeel en mevrouw [naam] Teamleider Expeditie”. Zij wijzen erop dat zij het probleem eerder bij diverse leidinggevende hebben aangekaart, maar dat dit niet heeft geholpen. Volgens hen is het grootste probleem met mevrouw [naam teamleidster] dat communicatie door haar op een zodanig vijandige manier gebeurt dat het personeel zich hierdoor geïntimideerd en ongemakkelijk voelt. De werknemers vragen de directeur om gepaste maatregelen te nemen om de werksfeer weer plezierig te laten worden.

16. Dat de gespannen verhouding na het overhandigen van de petitie verbeterd is door maatregelen van de zijde van Sligro is niet aannemelijk geworden. Immers is niet gebleken dat Sligro iets anders heeft gedaan dan het schrijven van een algemeen memo d.d. 17 februari 2011. In dat memo heeft [naam vestigingsdirecteur] gesteld dat het management team volledig achter [naam teamleidster] staat, omdat zij de goede actie neemt bij wantoestanden en het niet naleven van de huisregels. Hierbij maakt [naam vestigingsdirecteur] de aantekening dat de stijl van [naam teamleidster] (nog) niet de juiste is. Ten aanzien van deze stijl heeft Sligro tijdens de mondelinge behandeling op 2 april 2012 nog nader toegelicht dat zij [naam teamleidster] kent als iemand die de mensen direct, en mogelijk wat ongenuanceerd, aanspreekt op hun gedrag.

17. Sligro heeft aangevoerd dat zij niet met de ondertekenaars van de petitie is gaan praten, omdat er geen leesbare handtekeningen onder stonden. Da kantonrechter stelt vast dat een groot deel van de namen van de ondertekenaars goed leesbaar is, waaronder de naam van [eiser]. Dat het plaatsen van zijn naam en handtekening onder de petitie niet heeft bijgedragen aan een verbetering in de verstandhouding tussen [eiser] en [naam teamleidster] acht de kantonrechter niet onaannemelijk. In elk geval kan Sligro niet volhouden dat zij (of [naam teamleidster]) niet kon weten dat [eiser] de petitie mede ondertekend had.

18. Bij het beoordelen van de ernst van de uitlating van [eiser] op 19 mei 2011 houdt de kantonrechter rekening met de tussen [eiser] en [naam teamleidster] bestaande gespannen verhouding. Eveneens wordt er rekening mee gehouden dat [naam teamleidster] [eiser] en zijn collega’s (op 15 mei 2011, rond 20.30 uur) in een directe stijl er op heeft aangesproken dat zij (volgens [naam teamleidster]) moesten ophouden met kletsen en aan het werk moesten gaan en dat zij [eiser] (rond 21.30 uur) op directe wijze te kennen heeft geven dat hij onmiddellijk moest gaan werken.

19. Naar het oordeel van de kantonrechter was, onder deze omstandigheden, het gegeven ontslag op staande voet geen proportionele sanctie ten opzichte van de verweten gedraging van [eiser]. Van [naam teamleidster] mag worden verwacht dat zij tegen een stootje is opgewassen. Sligro had in de gegeven omstandigheden, nadat zij zich op de situatie had beraden, met een minder zware sanctie kunnen en moeten volstaan. Als deze minder zware sanctie zou hebben geleid tot beëindiging van het dienstverband met [eiser], zouden in elk geval de gevolgen voor hem minder ingrijpend zijn geweest dan bij het thans gegeven ontslag op staande voet, waardoor hij met ingang van 19 mei 2011 geen salaris meer ontving. Daarbij wordt ook meegewogen dat er sprake is van een dienstverband van meer dan tien jaar, waarbij niet is gebleken dat [eiser] zich eerder onheus over een collega of een leidinggevende heeft uitgelaten.

20. Gelet op al het bovenstaande zullen de vorderingen van [eiser] worden toegewezen. Een nader onderzoek naar de feiten als bedoeld onder 11 hoeft niet plaats te vinden. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] ook aanspraak op de gevorderde toeslagen, omdat de omstandigheid dat hij de werkzaamheden niet heeft verricht voor risico van Sligro komt.

21. Nu het ontslag op staande voet geen stand houdt, is de gefixeerde schadevergoeding door Sligro ten onrechte ingehouden, zodat ook dit onderdeel van de vordering toewijsbaar is.

22. De wettelijke verhoging zal worden beperkt tot 10 %.

23. De kantonrechter zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Sligro heeft haar verweer op dit punt, inhoudende dat er een restitutierisico bestaat aan de kant van [eiser], immers niet nader onderbouwd.

24. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Sligro worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

BESLISSSLING

De kantonrechter:

I verklaart voor recht dat het ontslag op staande voet, dat Sligro op 19 mei 2011 aan [eiser] heeft gegeven, nietig is;

II veroordeelt Sligro tot betaling aan [eiser] van

a. € 22.492,41 bruto;

b. € 1.000,- netto;

c. de wettelijke verhoging ad 10 % over de bedragen onder a en b;

d. de wettelijke rente over de bedragen onder a, b en c vanaf 5 december 2011 tot de dag van voldoening;

III veroordeelt Sligro in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiser], tot op heden begroot op

voor explootkosten € 90,81

voor vastrecht € 426,-

voor salaris gemachtigde € 1.050,-

----------- +

in totaal € 1.566,81 voor zover verschuldigd inclusief btw;

IV verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

V wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. T.M.A. van Löben Sels, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2012, in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter