Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX7288

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
13-09-2012
Zaaknummer
497964 / HA ZA 11-2376
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opzegbaarheid overeenkomst voor bepaalde tijd, matiging boete

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 497964 / HA ZA 11-2376

Vonnis van 20 juni 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

P&B COMMUNICATIE B.V.,

gevestigd te Beesd,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. drs. S. Kökbugur te Almere,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRESSCOM PUBLIC RELATIONS & MARKETING B.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

2. [A],

wonende te --,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. R. Bagasrawalla te Nieuwegein.

Partijen zullen hierna P&B, Presscom en [A], en gedaagden gezamenlijk ook Presscom c.s., worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met incidentele vordering van 28 juni 2011, met producties,

- de incidentele conclusie van antwoord, met producties,

- het vonnis in incident van 26 oktober 2011,

- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties,

- de akte wijziging van eis (in reconventie) van de zijde van Presscom

- het tussenvonnis van 21 december 2011 waarin een comparitie van partijen is gelast,

- de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging eis in conventie van de zijde van P&B,

- het proces-verbaal van comparitie van 26 maart 2012 met de daarin genoemde processtukken en producties,

- de na de comparitie verstuurde brieven van partijen naar aanleiding van het proces-verbaal.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A] is [functie] van Presscom. Zowel Presscom als P&B zijn actief op het gebied van de marketing en commerciële communicatie.

2.2. Op 15 maart 2010 hebben partijen een overeenkomst (hierna ‘de Overeenkomst’)

gesloten, die – voor zover hier van belang – luidt:

“De ondergetekenden:

1. (…) P&B (…), hierna te noemen partij 1;

2. (…) PRESSCOM (…) en [A], hierna te noemen partij 2.

Overwegende

(…)

dat partij 2 respectievelijk haar en zijn werkzaamheden in 2010 en 2011 wensen af te bouwen;

(…)

Komen overeen als volgt:

Artikel 1.

Opdrachten/werkzaamheden en relaties

1. Partij 1 voert onder haar naam of onder de handelsnaam P&B Presscom

uit alle opdrachten van alle relaties van partij 2. De werkzaamheden worden door medewerkers van partij 1 en of de heer [A] van partij 2 uitgevoerd.

2. Alle relaties van partij 2 en alle lopende opdrachten aan partij 2 zijn genoemd in de bijlage aangehecht aan deze overeenkomst.

3. Partij 2 zal zich exclusief voor partij 1 inzetten om nieuwe relaties en nieuwe opdrachten te verkrijgen.

4. Partij 2 zal zijn werkzaamheden genoemd in lid 1 tot en met 2011 uitvoeren.

5. (…)

6. De relaties genoemd in de leden 2 en 3 die partij 2 heeft aangebracht zijn daarmee aan partij 1 overgedragen.

Artikel 2

Vergoeding/honorarium

1. Partij 2 ontvangt van partij 1 een vergoeding voor de door partij 2 uitgevoerde werkzaamheden die gelijk is aan het door partij 1 aan de relatie van partij 2 in rekening gebrachte honorarium. (…)

2. Indien de opdrachten van de relaties van partij 2 door medewerkers van partij 1 geheel of gedeeltelijk worden uitgevoerd dan ontvangt partij 2 van partij 1 15% van het honorarium dat door de medewerkers van partij 1 is verdiend en dat door partij 1 aan de relaties van partij 2 in rekening is gebracht en is betaald. Partij 1 is dit honorarium aan partij 2 verschuldigd na 2 weken nadat de relatie van partij 2 de factuur volledig aan partij 1 heeft voldaan.

3. Partij 2 heeft gedurende en na afloop van de termijn levenslang recht op de vergoeding genoemd in artikel 1 lid 4 van 15% van het betaalde honorarium afkomstig van relaties van partij 2 en die door partij 2 zijn aangebracht. (…).

(…)

Artikel 4

Boetebeding

1. Bij niet-nakoming van één der bepalingen en bedingen als opgenomen in de onderhavige overeenkomst door één der partijen, zal deze ten behoeve van ieder van de andere partijen een zonder rechterlijke tussenkomst opeisbare boete verbeuren van € 50.000,00 vermeerderd met € 1.000,00 voor iedere dag dat zulke overtreding voortduurt (…).

2.3. De Overeenkomst is voorzien van een bijlage met een lijst met klanten. Op deze

lijst staan onder ander de bedrijven Motorola, Blue Cielo, [X], [Y] en Zenitel.

2.4. [A] heeft deze Overeenkomst tweemaal ondertekend, eenmaal voor Presscom

en eenmaal voor zichzelf.

2.5. [A] is vanaf het moment van de samenwerking in het kantoorpand van P&B

getrokken en heeft daar de faciliteiten van P&B gebruikt.

2.6. De advocaat van Presscom c.s. heeft per brief van 23 juni 2011 de Overeenkomst

opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van één maand, derhalve per 23 juli 2011.

2.7. P&B heeft op 14 juni 2011 ten laste van Presscom c.s. diverse conservatoire

derdenbeslagen alsmede beslag op het aandeel van [A] in de onroerende zaak aan het adres Driftlaan 12 te Blaricum laten leggen.

3. Het geschil

in conventie en reconventie

3.1. P&B vordert samengevat en na vermeerdering van eis - veroordeling van Presscom c.s. tot betaling van € 500.000,- alsmede tot betaling van € 731.000,-, derhalve in totaal € 1.231.000,-, vermeerderd proceskosten waaronder begrepen nakosten, dit alles uitvoerbaar bij voorraad.

3.2. P&B legt aan haar vordering ten grondslag dat Presscom c.s. de bepalingen van de

Overeenkomst heeft geschonden. Presscom c.s. zou werkzaamheden hebben verricht voor tien aan P&B overgedragen klanten en zou rechtstreeks aan deze klanten hebben gefactureerd. Nu Presscom c.s. – in strijd met de Overeenkomst – voor deze klanten heeft gewerkt betekent dit dat Presscom c.s. 10 keer de boete van € 50.000,- heeft verbeurd, derhalve een bedrag van € 500.000,-. Voorts zou de wanprestatie van Presscom c.s. op 10 maart 2012 al circa twee jaar (731 dagen) hebben voortgeduurd, hetgeen betekent dat er op die datum reeds 731 x € 1.000,- boete per dag is verbeurd, een totaalbedrag van € 731.000,-, aldus P&B. De totale vordering van P&B bedraagt hiermee € 1.231.000,-.

3.3. Presscom c.s. heeft erkend dat namens Presscom c.s. een aantal facturen aan een

aantal klanten zijn gestuurd. Presscom c.s. heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat de gefactureerde gelden niet aan P&B zijn omdat [A] deze gelden nodig had om te leven. De Overeenkomst bleek ten aanzien van de verdeling van de inkomsten tussen Presscom c.s. en P&B onevenwichtig uit te pakken, in het voordeel van P&B, aldus Presscom c.s.

3.4. Verder heeft Presscom c.s. aangevoerd dat door toedoen van Presscom c.s. een

grote opdrachtgever, Sharp, uiteindelijk geen klant is geworden. Voorts zou P&B Presscom c.s. hebben verhinderd werkzaamheden uit te voeren doordat de electronische infrastructuur van P&B dikwijls niet voor Presscom c.s. toegankelijk was. Dit levert volgens Presscom c.s. schuldeisersverzuim van P&B op. Tenslotte heeft Presscom c.s. betoogd dat de gevorderde boete moet worden gematigd.

3.5. Presscom c.s. verbindt aan de hiervoor weergegeven stellingen de gevolgtrekking

dat zij – kort samengevat en na eiswijziging - een tegenvordering op P&B heeft van € 248.000,-, te vermeerderen met de contractuele boete. Voorts heeft Presscom c.s. in reconventie opheffing van de beslagen gevorderd alsmede een veroordeling van P&B om alle informatie van haar website te verwijderen. Daarnaast heeft Presscom c.s. een verklaring voor recht gevorderd dat de Overeenkomst is geëindigd met ingang van 23 juli 2011. Tenslotte vordert Presscom c.s. de proceskosten van dit geding.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

Opzegging

4.1. Tussen partijen staat allereerst ter discussie of Presscom c.s. wanprestatie heeft

gepleegd en zo ja, of Presscom c.s. op grond hiervan een boete aan P&B verschuldigd is. Omdat voor de beoordeling van dit laatste tevens van belang is wat de looptijd van de overeenkomst is, zal de rechtbank eerst ingaan op het debat tussen partijen over de opzegbaarheid van de Overeenkomst.

4.2. Presscom c.s. heeft gesteld dat zij de Overeenkomst schriftelijk heeft opgezegd met

een opzegtermijn van een maand waardoor de Overeenkomst zou zijn geëindigd op 23 juli 2011.

4.3. P&B heeft hier tegenin gebracht dat de Overeenkomst niet opzegbaar is omdat er

geen sprake is van een duurovereenkomst. Ook betoogt P&B dat de Overeenkomst vergelijkbaar is met een overname en een overname naar zijn aard per definitie niet voor bepaalde tijd is. Dit volgt ook uit artikel 1, lid 3, van de Overeenkomst waarin is bepaald dat Presscom c.s. recht heeft op een levenslange vergoeding van 15% van het honorarium dat P&B aan relaties die door Presscom c.s. zijn aangebracht heeft gefactureerd, aldus P&B.

4.4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.5. In de Overeenkomst is geen concrete eindtijd of opzegtermijn opgenomen. Wel is

onder ‘overwegende’ in de Overeenkomst bepaald dat

‘ partij 2 (…) zijn werkzaamheden in 2010 en 2011 wensen af te bouwen’.

Verder bepaalt artikel 1 van de Overeenkomst onder 4)

‘Partij 2 zal zijn werkzaamheden genoemd in lid 1 tot en met 2011 uitvoeren’.

Tenslotte stelt artikel 2 onder 3)

‘Partij 2 heeft gedurende en na afloop van de termijn levenslang recht op de vergoeding genoemd in artikel 1 lid 4 van 15% van het betaalde honorarium afkomstig van relaties van partij 2 en die door partij 2 zijn aangebracht’.

4.6. Uit deze bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, volgt naar het oordeel van

de rechtbank dat partijen voor ogen hadden dat de verplichtingen uit deze Overeenkomst voor Presscom c.s. liepen tot en met 2011. In dit verband acht de rechtbank ook de email van 12 januari 2010 (productie 9 van Presscom c.s.) van de heer [C] van belang waarin door hem wordt benadrukt dat [A] in 2010 en 2011 nog voor P&B werkt en zijn activiteiten in deze periode tot nul uur per week worden afgebouwd. Tussen partijen staat ook niet ter discussie dat [A] zijn activiteiten wenste af te bouwen om met pensioen te gaan. De rechtbank beschouwt de Overeenkomst op grond van het bovenstaande als een overeenkomst voor bepaalde tijd, namelijk van 15 maart 2010 tot en met 31 december 2011.

4.7. Ten aanzien van de vraag of de Overeenkomst opzegbaar overweegt de rechtbank

als volgt.

4.8. De Overeenkomst zelf voorziet niet in een mogelijkheid van tussentijdse

opzegging. Ten aanzien van de opzegbaarheid van een voor bepaalde tijd gesloten overeenkomst waarin geen opzegtermijn is bedongen, is het uitgangspunt dat deze in beginsel niet eenzijdig tussentijds door opzegging kan worden beëindigd. Weliswaar is niet uitgesloten dat op dit beginsel een uitzondering wordt aangenomen, maar een dergelijke uitzondering kan haar grond slechts vinden in onvoorziene – dat wil zeggen niet in de overeenkomst verdisconteerde – omstandigheden, die niet voor rekening van de opzeggende partij komen en die van zo ernstige aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de overeenkomst tot het overeengekomen tijdstip niet mag verwachten (o.a. HR 21 oktober 1988, NJ 1990/439). Zulke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. De door Presscom c.s. gestelde verslechtering van verhoudingen tussen partijen is, wat daar ook van zij, op zichzelf onvoldoende om de aanvaarding van een bevoegdheid tot tussentijdse opzegging te rechtvaardigen.

4.9. De conclusie is dat de Overeenkomst niet opzegbaar is en derhalve niet

rechtsgeldig is opgezegd. Wel is de Overeenkomst door het verstrijken van de looptijd per 1 januari 2012 beëindigd.

4.10. Na afloop van deze termijn bestaat er op basis van artikel 2 lid 3 van de

Overeenkomst nog wel de verplichting voor P&B om Presscom c.s. 15% van het honorarium afkomstig van klanten van Presscom c.s. te blijven betalen. Hierover heeft de heer [C] ten tijde van de comparitie van partijen aangegeven dat Presscom c.s. op basis van deze bepalingen nog geld van P&B krijgt en hij zich aan deze bepaling zal houden. De rechtbank gaat er vanuit dat P&B deze belofte na zal komen en overweegt ook hier dat partijen hun uiteengaan na de mislukte samenwerking op een behoorlijke manier dienen af te wikkelen.

4.11. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de in reconventie gevorderde verklaring

voor recht dat de Overeenkomst per 23 juli 2011 beëindigd is, wordt afgewezen.

In conventie

Wanprestatie?

4.12. P&B legt aan haar vordering in conventie ten grondslag dat Presscom c.s. ten

aanzien van tien klanten is blijven werken en heeft gefactureerd en daarmee wanprestatie heeft gepleegd. Het gaat hier volgens P&B om de volgende klanten:

1) Motorola,

2) Direct Marketing Interface (hierna ‘DM Interface’),

3) KSD Software,

4) Kensington,

5) Sheldon Invest,

6) Blue Cielo,

7) [X],

8) R-Post,

9) [Y] en

10) Zenitel.

4.13. Presscom c.s. heeft erkend dat namens Presscom c.s. drie facturen ten bedrage van

telkens € 7.5000,00 aan Motorola zijn gestuurd, voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 2010. Alleen de laatste twee van deze facturen betreffen werkzaamheden die vallen binnen de periode van de Overeenkomst, aldus Presscom c.s. Nu deze stelling niet door P&B is betwist overweegt de rechtbank dat Presscom c.s. met het versturen van deze facturen aan Motorola in strijd met de Overeenkomst heeft gehandeld.

4.14. Ten aanzien van DM Interface en R-Post heeft Presscom c.s. gesteld dat het klopt

dat er werkzaamheden zijn verricht maar niet voor beide vennootschappen omdat in opdracht van DM Interface werkzaamheden ten behoeve van R-Post zijn verricht. Het ging hier om een eenmalige factuur van circa € 2.171,75 exclusief BTW, gestuurd aan DM Interface. In dit verband is een verklaring van de directeur van DM Interface overgelegd waaruit volgt dat deze eenmalige opdracht alleen een introductie betrof van het nieuwe bedrijf R-Post bij de media. Deze stelling is eveneens onweersproken. Daarmee is vast komen te staan dat Presscom c.s. met het versturen van deze factuur aan DM Interface in strijd met de Overeenkomst heeft gehandeld.

4.15. Ten aanzien van KSD Software heeft Presscom c.s. betwist dat dit een klant is

geweest. Het zou hier gaan om een klant van de heer [B]. In dit verband is door Presscom c.s. een verklaring van de heer [B] overgelegd waaruit volgt dat de werkzaamheden voor KSD Software door [B] Communicatie zijn verricht en [A] in dit verband slechts een vriendendienst heeft uitgevoerd door het persbericht te verzenden, zonder daarvoor zelf werkzaamheden te hebben verricht of een factuur te hebben verstuurd. P&B heeft ter onderbouwing van haar stelling dat Presscom c.s. werkzaamheden voor KSD Software heeft verricht een persbericht van KSD Software van 17 mei 2011 overgelegd waaronder staat vermeld dat er contact op kan worden genomen met [A] van Presscom. Gelet op de verklaring van de heer [B] is met dit persbericht echter nog niet vast komen te staan dat Presscom c.s. ook werkzaamheden voor KSD Software heeft verricht waarvoor facturen zijn verzonden. Hiermee is niet vast komen te staan dat Presscom c.s. werkzaamheden voor KSD Software heeft verricht.

4.16. Ten aanzien van Kensington heeft Presscom c.s. betoogd dat dit geen

contractspartij was bij de Overeenkomst met P&B. Om die reden was Presscom c.s. vrij hier werkzaamheden voor te verrichten, aldus Presscom c.s. Ook deze stelling is niet door P&B betwist. De rechtbank houdt het er daarom voor dat evenmin is komen vast te staan dat Presscom c.s. ten aanzien van deze klant bepalingen uit de Overeenkomst heeft geschonden.

4.17. Presscom c.s. heeft voorts erkend werkzaamheden voor Sheldon Invest te hebben

verricht. Het gaat hier om een eenmalige opdracht met een bedrag van € 1.750,-, aldus Presscom c.s. In dit verband is een verklaring overgelegd van de directeur van Sheldon Invest waaruit volgt dat het een eenmalige opdracht aan [A] betrof om een interview te arrangeren, maar er verder geen werkzaamheden door Presscom c.s. zijn verricht waarvoor facturen zijn verstuurd. De rechtbank stelt ook hier vasts dat dat Presscom c.s. met het versturen van deze factuur aan Sheldon Invest bepalingen uit de Overeenkomst heeft geschonden.

4.18. Ten aanzien van de klant [Y] heeft Presscom c.s. gesteld dat de

werkzaamheden die Presscom c.s. voor deze klant heeft verricht van vóór de Overeenkomst met P&B zijn. Presscom c.s. heeft ter onderbouwing hiervan onder meer een email van de commercieel directeur van [Y] overgelegd waaruit volgt dat [Y] via Presscom c.s. de heer [B] heeft ingehuurd voor werkzaamheden. Om die reden is hier geen sprake van wanprestatie, aldus Presscom c.s. Deze stelling is niet door P&B betwist. De rechtbank zal daarom uitgaan van de juistheid van het door Presscom c.s. gestelde. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat Presscom c.s. werkzaamheden voor [Y] heeft verricht.

4.19. Ten aanzien van de drie klanten Blue Cielo, [X] en Zenitel heeft

Presscom c.s. aangevoerd dat dit slechts klanten zijn die zijn vermeld op de website van Presscom c.s. Dit zouden geen klanten zijn die tijdens de Overeenkomst met P&B zijn aangegaan maar klanten die nog in een klantenbestand stonden en waarvoor geen activiteiten zijn ontplooid. Ten aanzien van Zenitel is door Presscom c.s. nog een verklaring van de heer [D] van Zenitel overgelegd waarin wordt medegedeeld dat Zenitel nooit opdrachten aan Presscom c.s. heeft gegeven. Dit laatste is niet door P&B betwist. Daarmee is evenmin komen vast te staan dat Presscom c.s. werkzaamheden voor Zenitel heeft verricht.

4.20. Ten aanzien van [X] en Blue Cielo heeft P&B persberichten

overgelegd van respectievelijk 29 december 2010 en 3 september 2010 waaruit volgt dat de naam van Presscom c.s. onder het persbericht wordt vermeld. Zonder enige onderbouwing volgt hieruit echter nog niet dat Presscom c.s. in de periode van de Overeenkomst ook werkzaamheden voor deze klanten heeft verricht en hiervoor facturen heeft verstuurd. De werkzaamheden kunnen immers eerder zijn verricht of bijvoorbeeld zonder facturering zijn uitgevoerd. Dit betekent dat de rechtbank op basis hiervan niet vast kan stellen dat Presscom c.s. ten aanzien van deze klanten wanprestatie heeft gepleegd.

4.21. Op grond van het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat Presscom c.s. de

bepalingen van de Overeenkomst heeft geschonden door werkzaamheden te verrichten voor - en te factureren aan – de volgende klanten:

1) Motorola (2 facturen ter hoogte € 7.500,-),

2) DM Interface (1 factuur ter hoogte van € 2.171,75) en

3) Sheldon Invest (1 factuur ter hoogte van € 1.750,-).

4.22. Overige schendingen van de bepalingen van de Overeenkomst zijn niet komen vast

te staan.

Boete

4.23. Voorts is de vraag welke boete Presscom c.s. hierdoor verschuldigd is.

4.24. Het tussen partijen overeengekomen boetebeding (artikel 4 van de Overeenkomst)

luidt als volgt:

‘Bij niet-nakoming van één der bepalingen en bedingen als opgenomen in de onderhavige overeenkomst door één der partijen, zal deze ten behoeve van ieder van de andere partijen een zonder rechterlijke tussenkomst opeisbare boete verbeuren van € 50.000,00 vermeerderd met € 1.000,00 voor iedere dag dat zulke overtreding voortduurt (…)’.

4.25. P&B heeft haar gevorderde boete in twee delen opgesplitst:

a) een deel berekend op basis van € 50.000,- per overtreding en

b) € 1.000,- voor het voortduren van de overtreding per dag.

4.26. Ten aanzien van dit eerste deel is het boetebeding duidelijk: wanneer een bepaling

van de Overeenkomst door een partij wordt overtreden is deze overtredende partij een boete van € 50.000,- verschuldigd. Nu is vastgesteld dat Presscom c.s. ten aanzien van drie klanten bepalingen uit de Overeenkomst heeft overtreden is Presscom c.s. in beginsel 3 x € 50.000,-, derhalve € 150.000,-, aan P&B verschuldigd.

4.27. Ten aanzien van het tweede deel van de gevorderde boete wordt door P&B niet

toegelicht of onderbouwd hoe de wanprestatie van Presscom c.s. al bijna twee jaar voortduurt. Het uitvoeren van de werkzaamheden door Presscom c.s. was immers beëindigd door middel van het versturen van de genoemde facturen. Tussen partijen is niet in geschil dat het hier beperkte werkzaamheden betrof die waren geëindigd. Gesteld noch gebleken is dat Presscom c.s. gedurende die twee hele jaren werkzaamheden voor deze klanten is blijven voortzetten of op andere wijze twee jaar lang wanprestatie heeft gepleegd. Gelet hierop zal de rechtbank dit tweede deel van de door P&B gevorderde boete, als onvoldoende gesteld, afwijzen.

4.28. Door Presscom c.s. is derhalve in beginsel een boete van € 150.000,- verschuldigd.

Ten aanzien van de vraag of deze boete moet worden gematigd, zoals Presscom c.s. heeft betoogd, overweegt de rechtbank het volgende.

Matiging

4.29. Art. 6:94 lid 1 BW kent de rechter de bevoegdheid toe op verlangen van de

schuldenaar de bedongen boete te matigen indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Daaraan kan voldaan zijn ingeval de bedongen boete in verhouding tot de schade als gevolg van de overtreding buitensporig is. Pas als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, mag de rechter van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik maken. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijk gelden schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (HR 11 februari 2000, NJ 2000, 277 en HR 27 april 2007, NJ 2007, 262).

4.30. Presscom c.s. heeft in haar beroep op matiging onder meer aangevoerd dat de

Overeenkomst tussen partijen eenzijdig en ten voordele van P&B is opgesteld nu de bepalingen maken dat er feitelijk geen sprake is van een samenwerking maar van een overname van de onderneming van Presscom c.s.

4.31. Verder heeft Presscom c.s. aangevoerd dat de bepaling onder 1 van de

Overeenkomst ruimte laat voor discussie nu hierin wordt vermeld dat de werkzaamheden door de medewerkers van P&B en/of [A] kunnen worden uitgevoerd. Verder heeft Presscom c.s. aangevoerd dat het binnen halen van nieuwe klanten onder meer door de slechte economie niet van de grond is gekomen en Presscom c.s. de inkomsten van de facturen nodig had om van te leven. Presscom c.s. heeft voorts gesteld dat de werkzaamheden en de hoogte van de gestuurde facturen beperkt is en in de context moet worden geplaatst. Bovendien zou P&B uitdrukkelijk hebben ingestemd met het versturen van de geringe facturen. Tenslotte heeft Presscom c.s. gesteld dat er rekening mee dient te worden gehouden dat het een samenwerking betreft die niet van de grond is gekomen.

4.32. De rechtbank overweegt als volgt.

4.33. Niet in geschil is dat de Overeenkomst voor beide partijen niet bleek te zijn wat zij

ervan hadden verwacht. P&B heeft gesteld dat zij een overname van de onderneming van Presscom c.s. voor ogen gehad waarbij alle bestaande klanten van Presscom c.s. aan P&B zouden worden overgedragen, terwijl de Overeenkomst voor Presscom c.s. meer als een samenwerking werd beschouwd waarnaast Presscom c.s. zelf ook nog werkzaamheden voor klanten zou blijven verrichten. Artikel 1 van de Overeenkomst schept hierover geen duidelijkheid nu dit artikel verschillend kan worden uitgelegd. Enerzijds lijkt artikel 1 lid 1, eerste zin, te bepalen dat alle werkzaamheden van klanten van Presscom c.s. door P&B zullen worden uitgevoerd. Anderzijds lijkt de tweede zin van deze bepaling de mogelijkheid te openen dat de werkzaamheden ook door [A] zelf kunnen worden uitgevoerd. Deze onduidelijkheid dient naar het oordeel van de rechtbank niet slechts voor risico van Presscom c.s. te komen.

4.34. Voorts staat als onbetwist vast dat de werkzaamheden die Presscom c.s. voor

klanten heeft verricht alsmede de hieraan gekoppelde facturen zeer beperkt zijn ten opzichte van de gevorderde boete. Het gaat in totaal om kleine opdrachten voor drie klanten met een factuurhoogte van respectievelijk € 15.000,-, € 2.171,75 en € 1.750,-.

4.35. Ten aanzien van de stelling van Presscom c.s. dat de boete buitensporig is en P&B

haar schade geenszins heeft onderbouwd, is door P&B gesteld dat er geen relatie is tussen een boete en de geleden schade. P&B heeft om die reden geen inzicht in door haar geleden schade gegeven. Dit had, na de gemotiveerde betwisting van Presscom c.s. op dit punt, wel op de weg van P&B gelegen. Zonder enige toelichting op schadecomponenten, die ontbreekt, valt niet in te zien dat (en welke) schade P&B heeft geleden die is veroorzaakt door tekortschieten van Presscom c.s.

4.36. Ook de stelling van Presscom c.s. dat de boete niet in relatie staat tot de beperkte

facturen die zijn verstuurd heeft P&B enkel betwist met de stelling dat er geen relatie bestaat tussen de facturen en de bedongen boete. Hoewel aan P&B kan worden toegegeven dat een dergelijke relatie niet tussen partijen is overeengekomen, dient deze verhouding wel te worden meegewogen bij de beantwoording van de vraag of er plaats is voor matiging van de boete.

4.37. Bezien in het licht van de hiervoor genoemde omstandigheden, is de rechtbank van

oordeel dat het boetebedrag van € 150.000,- buitensporig hoog - en daardoor onaanvaardbaar - is. De situatie doet zich hier voor dat de billijkheid klaarblijkelijk matiging van de boete vereist. Rekening houdend met al de hiervoor genoemde omstandigheden zal de boete slechts tot een bedrag van € 50.000,- worden toegewezen.

Hoofdelijkheid

4.38. Nu zowel Presscom als [A] de Overeenkomst hebben getekend, en verder geen

verweer is gevoerd ten aanzien van de gevorderde hoofdelijkheid, zullen gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld.

Proceskosten

4.39. Omdat partijen in conventie beide deels in het gelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank

aanleiding de kosten te compenseren, in die zin dat beide partijen de eigen proceskosten dragen.

4.40. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure

slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

In reconventie

4.41. Presscom c.s. heeft haar vordering in reconventie onder meer gebaseerd op de

stelling dat er op het kantoor van P&B een gebrek aan briefpapier en electronische infrastructuur zoals een internetverbinding is geweest. Hierdoor zou Presscom c.s. zijn belemmerd in haar werkzaamheden. Voorts zou Presscom c.s. door toedoen van P&B een grote opdrachtgever, Sharp, zijn misgelopen.

4.42. P&B heeft verweer gevoerd en onder meer betoogd dat zij Presscom c.s. nooit

heeft belemmerd in de uitvoering van de werkzaamheden. Zij heeft juist kosteloos kantoorruimte en infrastructuur aan Presscom c.s. ter beschikking gesteld. De heer [C] van P&B heeft hierover ten tijde van de comparitie van partijen aangevoerd dat er wel een probleem was omdat [A] met een Apple binnen kwam en bij P&B met Microsoft Windows werd gewerkt. Maar van enige tegenwerking was geen sprake en hierbij had P&B ook geen enkel belang, aldus P&B.

4.43. Ten aanzien van de stelling van Presscom c.s. dat Sharp als klant zou zijn verloren

door toedoen van P&B heeft P&B onder meer aangevoerd dat er door [A] mogelijk met twee managers van Sharp zou zijn gesproken maar het nooit tot een intentieverklaring is gekomen. Voorts zou Presscom c.s. zonder P&B nooit contact met Sharp hebben gelegd, aldus nog steeds P&B. In dit verband heeft P&B verder aangevoerd dat zij al 25 jaar voor Konica werkte en Presscom c.s. wist dat er een conflicterend belang was als er tevens voor Sharp zou worden gewerkt.

4.44. De rechtbank stelt vast dat - zelfs als veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van

de juistheid van de stellingen van Presscom c.s. - hieraan niet de gevolgtrekking kan worden verbonden dat zich enig relevant schuldeisersverzuim aan de kant van P&B voordoet en/of dat Presscom een vordering op P&B heeft. Daarvoor zijn de stellingen van Presscom niet toereikend. Presscom c.s. heeft geen enkele concrete toelichting op haar stelling gegeven waaruit kan worden afgeleid dat P&B haar verplichtingen uit de Overeenkomst niet heeft nageleefd. Het enkele niet of onvoldoende aanwezig zijn van papier of infrastructuur op een kantoor, alsmede het niet met een klant in zee kunnen gaan als gevolg van een conflicterend belang, kunnen – zonder enige onderbouwing of toelichting - immers niet als wanprestatie worden aangemerkt.

4.45. Presscom c.s. heeft nog gesteld dat haar naam op de website van P&B

wordt vermeld en deze naam van de website dient te worden verwijderd. Na betwisting van deze stelling door P&B heeft Presscom c.s. haar vordering niet meer onderbouwd noch haar belang bij dit deel van de vordering toegelicht. De rechtbank zal dit deel van de vordering om die reden eveneens afwijzen.

4.46. Het bovenstaande betekent dat de genoemde vorderingen in reconventie van

Presscom c.s. zullen worden afgewezen.

Proceskosten

4.47. Presscom c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in

reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van P&B worden begroot op:

salaris advocaat 3.211,00 (2 punten × factor 0,5 × tarief € 3.211,00)

Totaal € 3.211,00.

In conventie en in reconventie

Ten aanzien van de beslagen

4.9. Presscom c.s. heeft in reconventie opheffing van de beslagen gevorderd. De

opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

4.48. Nu de vordering van Presscom c.s. in reconventie wordt afgewezen en de vordering

van P&B in conventie deels wordt toegewezen, waardoor P&B belang had bij de gelegde beslagen, en voorts niet is gesteld noch is gebleken dat de beslagen nietig, onnodig of onrechtmatig waren, is er geen grond om de beslagen op te heffen.

4.49. P&B heeft in conventie nog een veroordeling tot betaling van de beslagkosten

gevorderd. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. Nu één beslagstuk is overgelegd worden de beslagkosten begroot op: € 185,91 voor verschotten en € 3.211,- voor salaris advocaat (1 rekest x € 3.211,-), derhalve in totaal € 3.396,91.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt Presscom c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan P&B te betalen een bedrag van € 50.000,- (vijftigduizend euro),

5.2. veroordeelt Presscom c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 3.396,91,

5.3. compenseert de proceskosten in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen,

5.4. veroordeelt Presscom c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen - onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en Presscom c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan - met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.7. wijst de vorderingen af,

5.8. veroordeelt Presscom c.s. in de proceskosten, aan de zijde van P&B Communicatie B.V. tot op heden begroot op € 3.211,00,

5.9. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Ju en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2012.?