Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX7282

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
13-09-2012
Zaaknummer
490304 / HA ZA 11-1602 en 507972 / HA ZA 12-54
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevoegde zaken 490304 HA ZA 11-1602 en 507972 HA ZA 12-54

Letselschadezaak. Uitgeoefend regres door werkgever en UWV, terwijl nog niet vaststaat of verzekerde som toereikend is voor vergoeding schade benadeelde. Zaak benadeelde tegen regresnemers. Vordering uit ongerechtvaardigde verrijking, omdat regresnemers weigeren regresbetalingen aan benadeelde, die daar met voorrang recht op heeft, te restitueren. Geschil over omvang schade. Geen derdenwerking vaststellingsovereenkomst tussen benadeelde en verzekeraar voor wat betreft uitgangspunt hypothetisch carrièreverloop. Rechtbank oordeelt dat benadeelde onvoldoende heeft gesteld dat hij hypothetisch zou zijn doorgegroeid naar de door hem gestelde functie, zodat onvoldoende is komen vast te staan dat hij meer schade heeft geleden dan al aan hem is vergoed door de verzekeraar.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 97
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2012/194
NJF 2012/450

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

Vonnis van 15 augustus 2012

in de gevoegde zaken van

[EISER],

wonende te [plaats],

eiser in de zaak met zaak- en rolnummer 490304 / HA ZA 11-1602 (hierna: zaak 11-1602) en eiser in de zaak met zaak- en rolnummer 507972 / HA ZA 12-54 (hierna: zaak 12-54),

advocaat mr. A.J. Van,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde in de zaak 11-1602,

advocaat mr. C.C. Jongens,

en

de publiekrechtelijke rechtspersoon

UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN (UWV),

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in de zaak 12-54,

advocaat mr. C.C. Jongens.

Partijen worden hierna [eiser] respectievelijk de Staat en het UWV genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure in de zaak 11-1602 blijkt uit:

- de dagvaarding van 27 januari 2011, met producties, waarin [eiser] onder meer vordert deze zaak te verwijzen naar de rechtbank Amsterdam en daarna te voegen met de zaak 12-54;

- het herstelexploot van 2 maart 2011, waarin [eiser] de Staat dagvaart bij de rechtbank Den Haag in plaats van de rechtbank Rotterdam;

- de conclusie van antwoord in het incident tot verwijzing en voeging van 30 maart 2011 van de Staat;

- het vonnis in incident van 27 april 2011, waarin de rechtbank Den Haag deze zaak naar de rechtbank Amsterdam verwijst teneinde verder te procederen;

- de conclusie van antwoord van 29 februari 2012 van de Staat en het UWV;

- het vonnis van 9 mei 2012, waarin een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 4 juli 2012;

- de brief van 25 juli 2012 met betrekking tot de inhoud van het proces-verbaal.

1.2. Het verloop van de procedure in de zaak 12-54 blijkt uit:

- de dagvaarding van 28 januari 2011, met producties, van [eiser];

- de conclusie van antwoord van 29 februari 2012 van de Staat en het UWV;

- het vonnis van 9 mei 2012, waarin een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 4 juli 2012;

- de brief van 25 juli 2012 met betrekking tot de inhoud van het proces-verbaal.

1.3. Ten slotte is in beide zaken vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken staan de volgende feiten in de zaak 11-1602 en in de zaak 12-54 tussen partijen vast.

2.2. [eiser] is op 25 augustus 2000 betrokken geraakt bij een fietsongeval (hierna: het ongeval).

2.3. [eiser] was ten tijde van het ongeval 37 jaar oud, getrouwd en had twee kinderen, op dat moment in de leeftijd van 13 en 10 jaar.

2.4. Ten gevolge van het ongeval zijn bij [eiser] een zenuwbeschadiging en een zogeheten frozen shoulder opgetreden. De daarmee gepaard gaande pijnklachten zijn blijvend gebleken. De huidige behandeling van [eiser] bestaat uit pijnstillende medicatie met als bijwerking dat hij zich minder goed kan concentreren en sneller vermoeid is.

2.5. In 2004 is [eiser] onderzocht door een orthopedisch chirurg die heeft geconstateerd dat sprake is van constante pijn aan de linkerschouder en linkerarm en van krachtsvermindering en bewegingsbeperking van de linkerschouder. Deze chirurg heeft de mate van functionele invaliditeit van [eiser] vastgesteld op 11%.

2.6. [eiser] is sinds 1 september 1981 in verschillende functies en op verschillende locaties werkzaam geweest bij de Belastingdienst. Ten tijde van het ongeluk werkte hij als klantmanager met salarisschaal 9 en een dienstverband van 36 uur per week. Thans werkt [eiser] bij de FIOD/ECD in een functie met salarisschaal 9 en een dienstverband van 20 uur per week.

2.7. [eiser] heeft voorafgaand aan zijn dienstverband bij de Belastingdienst een mavo-opleiding afgerond. Tijdens zijn dienstverband heeft hij verschillende opleidingen binnen zijn vakgebied gevolgd, waarvan hij er meerdere heeft afgerond. In mei 2000 heeft [eiser] zich ingeschreven voor twee vakken van een schriftelijke heao-opleiding. Deze opleiding heeft hij na het ongeval niet afgerond.

2.8. De veroorzaker van het ongeval was ten tijde daarvan verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid bij Nationale-Nederlanden Schadeverzekeringsmaatschappij N.V. (hierna: NN). De verzekerde som bedroeg – omgerekend naar euro’s – € 453.780,22.

NN heeft tegenover [eiser] de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.

2.9. In 2001 zijn in opdracht van NN de re-integratiemogelijkheden van [eiser] onderzocht door een psycholoog van het onderzoeksbureau FACT. Op vraag 1, wat de

re-integratiemogelijkheden zijn voor [eiser] op passend volledig werk bij de eigen werkgever, antwoordt deze psycholoog in zijn rapport als volgt.

“(…) Qua cijfermatig inzicht en verbale vaardigheden (in verband met de noodzaak tot rapporteren) zien wij geen enkel probleem. Wij zijn zelfs van mening, dat de huidige werkgever van de heer [eiser] nog beduidend meer profijt kan trekken van de capaciteiten van betrokkene.

Niet alleen, dat hij in staat is om binnen korte tijd zijn inzetbaarheid via gerichte scholing naar academisch niveau te tillen, wij verwachten eveneens, dat zijn motivatie en eigen initiatief toe zal nemen, naarmate het uitdagingsgehalte van zijn werkzaamheden toeneemt. Een signaal in die richting is het feit, dat hij op dit moment telkens weer aangeeft bijzonder veel waarde te hechten aan zijn functioneren in de buitendienst. Waarschijnlijk biedt hem deze vorm van werken de grootst haalbare zelfstandigheid en daarmee de grootste uitdaging, die op dit niveau voor hem bereikbaar is.

Los daarvan geeft de heer [eiser] overtuigend aan, belangstelling te hebben voor doorgroei naar de functie van belastinginspecteur. Aan de hand van onze bevindingen achten wij dit een haalbare kaart, maar indien tot een dergelijk scholingstraject besloten wordt, geven wij wel in overweging hem in het begin de gelegenheid te bieden om via professionele studiebegeleiding te leren studeren. Dat zal de effectiviteit qua studie in hoog tempo doen toenemen(…).”

2.10. In 2006 is in opdracht van de Belastingdienst een intern loopbaanadvies voor

[eiser] opgesteld. In de conclusie van dit advies wordt, voor zover hier van belang, het volgende vermeld.

“(…) Nu vervult de heer [eiser] de functie van [functie] op [niveau]. Doelstelling voor het onderzoek is om in het licht van zijn situatie te bezien te laten zien in welke richting en op welke punten hij zich de komende jaren kan ontwikkelen en zijn loopbaan vorm kan geven.

(…)

In het verleden was hij net begonnen met een HEAO studie; dit om op te gaan voor de [groepsfunctie]. Gezien zijn score op de intelligentie test en zijn affiniteit met complexe problemen, is het zeer aannemelijk dat hij die ook met goed gevolg had kunnen afronden. (Zijn intellectuele capaciteiten hadden hem ook in staat gesteld een universitaire studie met goed gevold af te ronden, waardoor hij zijn loopbaan verder had kunnen vervolgen met het uitoefenen van een functie op I niveau.)(…)”

2.11. In 2008 heeft [expertisebureau] in opdracht van [eiser] zijn materiële schade als gevolg van het ongeval berekend op een bedrag van € 493.999,00.

2.12. NN heeft tot 2009 bedragen uitgekeerd aan regresnemers. De Staat heeft als werkgever van [eiser] een bedrag van € 45.508,63 ontvangen. Het UWV heeft als sociale verzekeraar een bedrag van € 46.518,79 ontvangen. De zorgverzekeraar CZ heeft een bedrag van € 4.499,13 ontvangen.

2.13. In 2009 heeft tussen [eiser] en NN een mediationprocedure plaatsgevonden. Deze procedure is geëindigd met een vaststellingsovereenkomst. Deze overeenkomst luidt, voor zover hier relevant, als volgt.

“(…) dat partijen in het kader van de mediationprocedure hebben getracht tot een minnelijke oplossing te komen, waarbij voor het inkomen in de situatie zonder ongeval werd uitgegaan van een hypothetische doorgroei naar salarisschaal 13 en dat daarvan uitgaande bleek, dat de som van alle vorderbare schade (de persoonlijke schade van [eiser] en de vorderbare schade van de regresnemers) de verzekerde som op de polis van de verzekerde van Nationale-Nederlanden zou overschrijden; (…)”

2.14. NN heeft in aanvulling op haar voorschotbetalingen aan [eiser] van in totaal € 51.605,00 een slotbetaling van € 344.000,00 verricht. Deze bedragen opgeteld bij de bedragen uitgekeerd aan de regresnemers belopen samen het bedrag van de verzekerde som inclusief wettelijke rente.

2.15. [eiser] heeft op 6 januari 2010 alle regresnemers, die regresbetalingen van NN hebben ontvangen, aangeschreven met het verzoek deze betalingen te restitueren. CZ heeft aan dit verzoek voldaan. De Staat en het UWV weigeren aan dit verzoek te voldoen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert in beide zaken – kort samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

- voor recht verklaart dat de Staat respectievelijk het UWV ongerechtvaardigd is verrijkt door de van NN ontvangen (regres)betalingen in verband met het ongeval;

- de Staat respectievelijk het UWV veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een bedrag gelijk aan deze betalingen, dan wel van een lager bedrag zodanig dat zijn schade als gevolg van het ongeval volledig zal zijn gecompenseerd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid, althans vanaf de dag van dagvaarding;

- de Staat respectievelijk het UWV veroordeelt tot betaling van de proceskosten.

3.2. [eiser] stelt daartoe – kort samengevat – dat regresnemers moeten terugtreden ten behoeve van een benadeelde als het bedrag, dat de verzekeraar namens de verzekerde verschuldigd is aan deze benadeelde, de verzekerde som overschrijdt. In dit geval overschrijdt de schade van [eiser] de verzekerde som en wordt een deel van zijn schade, als gevolg van het door de Staat en het UWV uitgeoefende regres, niet vergoed. [eiser] stelt dat zijn schade € 507.499,00 bedraagt (€ 493.999,00 aan materiële schade en € 13.500,00 aan smartengeld), waarvan € 400.004,13 (€ 395.605,00 door NN en € 4.499,13 door CZ) is vergoed. Dit betekent dat de Staat en het UWV moeten terugtreden. De Staat en het UWV weigeren echter de van NN ontvangen regresbetalingen ten behoeve van [eiser] te restitueren. Achteraf bezien bestond er volgens [eiser] geen rechtsgrond voor deze regresbetalingen, waardoor sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van de Staat en het UWV. De Staat en het UWV zijn op die grondslag gehouden de schade van [eiser] te vergoeden tot het bedrag van hun verrijking, aldus [eiser].

3.3. De Staat en het UWV voeren verweer tegen deze vorderingen en stellen daartoe

– kort samengevat – het volgende. De stelling van [eiser], dat hij zijn schade niet volledig vergoed heeft gekregen, is onjuist, omdat zijn werkelijke schade lager is dan de verzekerde som. De Staat en het UWV betwisten de juistheid van het door [eiser] en NN bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst gekozen uitgangspunt, namelijk dat [eiser], zonder ongeval, binnen het door hem gestelde tijdspad zou zijn doorgegroeid naar salarisschaal 13. In dit verband hebben de Staat en het UWV onder meer gewezen op het gegeven dat [eiser] ten tijde van het ongeval al 19 jaar in dienst van de Belastingdienst was en het onwaarschijnlijk is dat hij vanaf 2000 ineens in korte tijd een heao-opleiding én een universitaire studie af zou hebben gerond. Verder hebben zij gesteld dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt, dat hij ambities had voor bepaalde hogere functies bij de Belastingdienst, en voorts dat niet is gebleken dat als [eiser] de studies al zou hebben afgerond, hij een concreet uitzicht had op een hogere functie in salarisschaal 13. Een doorgroei naar salarisschaal 13 was, gelet op deze omstandigheden, dan ook onaannemelijk, aldus de Staat en het UWV.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] met voorrang recht heeft op de door de Staat en het UWV ontvangen regresbetalingen, als vast zou komen te staan dat zijn schade hoger is dan de reeds door hem ontvangen schadevergoeding en wel in die mate dat het verschil deze regresbetalingen overstijgt. Tussen partijen zijn de door [eiser] tot op heden ontvangen schadebedragen evenmin in geschil. Dit betekent dat de omvang van de schade van [eiser] de kern van dit geschil vormt.

4.2. Op [eiser] rust de verplichting om feiten en omstandigheden te stellen – en zo nodig te bewijzen – waaruit de omvang van zijn schade volgt. De rechtbank stelt voorop dat in een geval als het onderhavige geen hoge eisen mogen worden gesteld aan de stelplicht van de benadeelde ten aanzien van zijn toekomstige schade en het door hem – zo nodig – te leveren bewijs daarvan.

4.3. De door [eiser] gestelde schade bestaat uit meerdere posten, waarvan het verlies aan verdienvermogen verreweg de grootste post vormt. De discussie tussen partijen spitst zich toe op deze post.

4.4. [eiser] heeft, naast hetgeen hij bij dagvaarding had gesteld met betrekking tot ongerechtvaardigde verrijking van de Staat en het UWV, voor het eerst ter zitting ook nog gesteld dat de Staat en het UWV gebonden zijn aan de vaststellingsovereenkomst tussen NN en hem, voor zover daarin bij de berekening van het verlies aan verdienvermogen tot uitgangspunt is genomen, dat [eiser] zonder ongeval zou zijn doorgegroeid naar salarisschaal 13. De Staat en het UWV hebben hun gebondenheid aan de tussen [eiser] en NN gesloten vaststellingsovereenkomst gemotiveerd betwist.

4.5. Ten aanzien van dit punt stelt de rechtbank voorop dat overeenkomsten in beginsel alleen tussen de handelende partijen van kracht zijn. De Staat en het UWV zijn geen partij bij de vaststellingsovereenkomst tussen [eiser] en NN. Zij hebben deze overeenkomst immers niet zelf gesloten en zijn daartoe ook niet op enigerlei wijze vertegenwoordigd.

[eiser] heeft evenmin, althans onvoldoende gemotiveerd, gesteld dat NN of hij tijdens het sluiten van de vaststellingsovereenkomst in eigen naam (mede) zijn opgetreden ten behoeve van de Staat of het UWV, en dat zij voor deze wijze van vertegenwoordiging een volmacht hebben verstrekt of daartoe een overeenkomst hebben gesloten. De door

[eiser] gesuggereerde algemene mandaatconstructie of een daarmee te vergelijken civielrechtelijke constructie, die volgens [eiser] tot gevolg heeft dat NN bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst op grond van impliciet aan haar verleend mandaat als vertegenwoordiger van de Staat en het UWV optrad, vindt geen steun in het recht.

4.6. Uit het in rechtsoverweging 4.5 bedoelde uitgangspunt vloeit voort dat derden in beginsel niet gebonden zijn aan overeenkomsten tussen twee of meer andere partijen. In de wet zijn hierop uitzonderingen opgenomen. [eiser] heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat in dit geval aan de voorwaarden van deze uitzonderingen is voldaan. Voor zover het uitgangspunt voor de berekening van het verlies aan verdienvermogen in de vaststellingsovereenkomst tussen [eiser] en NN al aangemerkt zou kunnen worden als derdenbeding, is gesteld noch gebleken dat de Staat en het UWV dit beding hebben aanvaard en dat zij aldus tot deze overeenkomst zijn toegetreden. Het is evenmin gesteld of gebleken dat de Staat en het UWV bij [eiser] het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt, dat hij dit uitgangspunt uit de vaststellingsovereenkomst tegen hen zou mogen inroepen.

4.7. Gelet op het voorgaande heeft de vaststellingsovereenkomst tussen [eiser] en NN geen derdenwerking ten opzichte van de Staat en het UWV.

4.8. Omdat de Staat en het UWV niet gebonden zijn aan hetgeen tussen [eiser] en NN is overeengekomen met betrekking tot de door [eiser] geleden schade, moet de vraag worden beantwoord, of [eiser] meer schade (met name ter zake van verlies aan verdienvermogen) heeft geleden dan aan hem door NN is vergoed en of de Staat en het UWV om die reden als regresnemers dienen terug te treden. De omvang van de schade van [eiser] ter zake van verlies aan verdienvermogen moet worden bepaald aan de hand van een vergelijking van de feitelijke inkomenssituatie na het ongeval met de hypothetische situatie bij het wegdenken van het ongeval. Ten aanzien van die hypothetische situatie komt het aan op een redelijke verwachting van de rechtbank van toekomstige, voor de inkomenssituatie van [eiser] van belang zijnde ontwikkelingen, in het bijzonder ten aanzien van de waarschijnlijkheid dat [eiser], het ongeval weggedacht, de door hem gestelde carrièrestap tot werkelijkheid zou hebben gebracht.

4.9. [eiser] hanteert als uitgangspunt voor de berekening van zijn verlies aan verdienvermogen onder meer dat hij in de hypothetische situatie zonder het ongeval in 2003 een heao-opleiding zou hebben afgerond. Hierdoor zou hij zijn doorgegroeid naar een groepsfunctie F met de maximale salarisschaal 11. Vervolgens zou hij in 2008 een universitaire opleiding fiscaal recht of fiscale economie hebben afgerond. Hierdoor zou hij zijn doorgegroeid naar een groepsfunctie I met een salarisschaal 13, aldus [eiser].

4.10. De rechtbank overweegt als volgt.

4.11. Gelet op het feit dat [eiser] zich voorafgaand aan het ongeval heeft ingeschreven voor twee vakken van een heao-opleiding en het feit dat uit de onderzoeken in 2001 en 2006 onweersproken volgt dat hij beschikt over de capaciteiten om een dergelijke opleiding af te ronden, acht de rechtbank het aannemelijk dat [eiser] in de hypothetische situatie zonder het ongeval een heao-opleiding zou hebben afgerond. In dit verband weegt de rechtbank mee, zoals onbetwist door [eiser] is betoogd, dat [eiser] diverse vrijstellingen voor vakken van deze opleiding zou krijgen vanwege zijn vooropleiding. De rechtbank laat verder uitdrukkelijk in het midden of dit zou zijn gebeurd in het door [eiser] gestelde studietempo en of dit uiteindelijk zou hebben geleid tot een doorgroei naar een groepsfunctie F met de maximale salarisschaal 11.

4.12. In de stellingen van [eiser] zijn onvoldoende aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat hij in de hypothetische situatie zonder het ongeval na afronding van een heao-opleiding ook nog een universitaire opleiding zou hebben afgerond en vervolgens zou zijn doorgegroeid naar groepsfunctie I met een salarisschaal 13. Hoewel [eiser] daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld, heeft hij nagelaten voor dit scenario een afdoende onderbouwing te geven. Het enkele feit dat uit de onderzoeken in 2001 en 2006 onweersproken volgt dat hij beschikt over de capaciteiten om de opleiding af te ronden, die vereist is voor een dergelijke functie, acht de rechtbank in dit verband onvoldoende. Daarmee is namelijk nog niets gezegd over de aannemelijkheid van het gestelde scenario. Het is niet gesteld of gebleken dat [eiser] zijn ambitie om door te groeien naar de functie van belastinginspecteur, waarvan de rechtbank begrijpt dat het een functie op I-niveau betreft, eerder heeft uitgesproken dan tijdens het onderzoek in 2001 en dus na het ongeval. Ook dit levert dus geen aanknopingspunt op voor het gestelde scenario.

4.13. In dit verband hebben de Staat en het UWV nog gesteld dat het opmerkelijk zou zijn dat [eiser], nadat hij in zijn 19 dienstjaren bij de Belastingdienst slechts enkele vakinhoudelijke cursussen heeft gedaan, vanaf 2000 ineens in korte tijd een heao-opleiding en vervolgens ook een universitaire studie af zou ronden. Verder is door de Staat en het UWV onderbouwd gesteld dat er slechts beperkte vacatures zouden zijn geweest voor de door [eiser] gestelde functie behorend bij salarisschaal 13. Als [eiser] derhalve al een geschikte kandidaat zou zijn voor een functie in die salarisschaal, dan is daarmee nog niet aangetoond dat hij daadwerkelijk een dergelijke functie zou hebben verkregen. Alles bij elkaar genomen zou het door [eiser] geschetste carrièreverloop na 2000 een opmerkelijk positieve – en daarmee onaannemelijke – wending nemen ten opzichte van zijn eerdere carrière, aldus de Staat en het UWV.

4.14. In het licht van dit uitvoerige en gedetailleerde verweer van de Staat en het UWV met betrekking tot de beschikbaarheid van en de eisen aan de geambieerde functie, had het op de weg van [eiser] gelegen om aanknopingspunten te geven op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat hij de universitaire studie zou hebben afgerond en dat hij hierna daadwerkelijk zou zijn doorgegroeid naar deze functie. Dit heeft hij niet gedaan. Het enkele feit dat één of meer (oud-)collega’s van [eiser] met een mavo-opleiding thans zouden zijn doorgegroeid naar een vergelijkbare functie, zoals [eiser] stelt, acht de rechtbank daartoe in ieder geval onvoldoende.

4.15. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat [eiser] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat voor de berekening van zijn verlies aan verdienvermogen moet worden uitgegaan van een doorgroei naar salarisschaal 13 in de hypothetische situatie zonder het ongeval. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor bewijslevering aan de zijde van [eiser]. Niet is komen vast te staan dat een dergelijke doorgroei een redelijke verwachting is van toekomstige ontwikkelingen. Dit betekent dat de omvang van de schade van [eiser] niet hoger is dan de schadebedragen die hij op grond van de vaststellingsovereenkomst heeft ontvangen. Daaruit volgt dat de Staat en het UWV als regresnemers niet hoeven terug te treden door afdracht aan [eiser] van de regresbetalingen. De vorderingen van [eiser] zijn niet toewijsbaar.

4.16. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De Staat en het UWV hebben beide, zij het bij verschillende rechtbanken, griffierecht voldaan tot een bedrag van € 1.181,00. De kosten van de behandeling van beide zaken begroot de rechtbank op € 1.788,00 (2 punten × tarief € 894,00). Beide gedaagden hebben recht op de helft van dit bedrag in hun respectievelijke zaken. Ten aanzien van de Staat wordt hier nog € 894,00 voor de behandeling van de zaak 11-1602 in het incident bij opgeteld. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de gevorderde nakosten in beide zaken als onweersproken toewijzen.

5. De beslissing

De rechtbank

in de zaak 11-1602

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten in deze procedure, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 2.075,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4. verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. veroordeelt [eiser] in de proceskosten in incident, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 894,00,

in de zaak 12-54

5.6. wijst de vorderingen af,

5.7. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van het UWV tot op heden begroot op € 2.075,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.8. veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.9. verklaart dit vonnis in deze zaak voor wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen, mr. S. Ju en mr. M.R.J. van Wel en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2012.?