Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX6722

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
CV 12-2097
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geldvordering. Kantonrechter oordeelt dat eiseres in casu in strijd met eisen van redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld door een gerechtelijke procedure tegen gedaagde te starten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2012/311

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

SECTOR KANTON - LOCATIE HILVERSUM

Kenmerk: CV 12-2097

Datum: 29 augustus 2012

251

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER TE HILVERSUM

in de zaak van:

de stichting [eiseres]

gevestigd te Amsterdam

eiseres

nader te noemen de Stichting

gemachtigde: Vesting Finance Incasso B.V.

t e g e n:

de besloten vennootschap [gedaagde]

gevestigd te Nederhorst den Berg

gedaagde

nader te noemen [gedaagde]

gemachtigde: J. de Boer

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 5 april 2012 inhoudende de vordering van de Stichting met bewijsstukken

- de conclusie van antwoord van [gedaagde] met bewijsstukken

- de conclusie van repliek van de Stichting met bewijsstukken

- de akte waarbij [gedaagde] reageert op die laatste bewijsstukken.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Uitgegaan wordt van de volgende feiten:

1.1. De Stichting heeft ten doel het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen in de bedrijfstak, vallende onder de werkingssfeer van de collectieve arbeidsovereenkomst opleidings- en ontwikkelingsfonds voor het beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen, hierna te noemen de SOOB-CAO.

1.2. [gedaagde] valt onder de werkingssfeer van de SOOB-CAO. Uit dien hoofde is [gedaagde] verplicht bepaalde bijdragen aan de Stichting te betalen. Bij factuur d.d. 18 oktober 2011 heeft de Stichting wegens over het jaar 2011 verschuldigde bijdrage € 3.600,-- in rekening gebracht. Die factuur had op 15 november 2011 door [gedaagde] betaald moeten worden, wat [gedaagde] niet gedaan heeft. Op 16 november 2011 heeft de Stichting aan [gedaagde] een betalingsherinnering gestuurd. Op 30 november 2011 heeft de Stichting nog een laatste betalingsherinnering naar [gedaagde] gezonden.

1.3. Op 8 december 2011 heeft een medewerker van het administratiekantoor JDB dat vanaf september 2011 de gehele boekhouding van [gedaagde] verzorgt, telefonisch contact met de Stichting opgenomen om een toelichting te krijgen op de factuur d.d. 15 november 2011.

1.4. Bij e-mail van 13 december 2011 heeft een medewerker van de Stichting die toelichting gegeven: de factuur was gebaseerd op een schatting van het sociaal verzekeringsloon; verzocht werd het geschatte sociaal verzekeringsloon aan de Stichting door te geven; als [gedaagde] de gegevens ter bepaling van het sociaal verzekeringsloon direct zou doorgeven en daarna met de Stichting contact zou opnemen, zou de overdracht van de nota aan het incassobureau en daarmee extra invorderingskosten mogelijk nog voorkomen kunnen worden. Diezelfde middag nog heeft het administratiekantoor JDB van [gedaagde] teruggemaild de gegevens in kwestie juist via het werkgeversportaal doorgegeven te hebben.

1.5. Bij faxbrief d.d. 14 december 2011 heeft de gemachtigde van de Stichting [gedaagde] gesommeerd de bijdrage ad € 3.600,--, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten vóór 19 december 2011, 12.00 uur te betalen.

1.6. Bij e-mail d.d. 14 december 2011 om 9.28 uur heeft de Stichting aan het administratiekantoor laten weten dat het niet mogelijk was de nota 10196701 die gebaseerd was op een schatting van het sociaal verzekeringsloon, te blokkeren en aan het administratiekantoor verzocht om in verband met de gestelde termijn uiterlijk 14 december 2011 die nota te betalen.

1.7. Bij e-mail van 14 december 2011 om 17.04 heeft het administratiekantoor JDB aan werkgeversdesk SOOB bericht dat er een spoedbetaling gedaan was van € 3.285,-- onder vermelding van een betalingskenmerk dat niet bleek te werken. Vandaar dat dit aan de Stichting bericht werd. Op 15 december 2011 heeft [gedaagde] aan de Stichting

€ 3.285,--, zijnde de door haar over 2011 aan de Stichting verschuldigde bijdrage, naar de Stichting overgemaakt.

1.8. Bij e-mail van 16 december 2011 heeft de Stichting op dit bericht van het administratiekantoor van [gedaagde] gereageerd met de mededeling dat de betreffende nota’s inmiddels bij haar gemachtigde ter behandeling lagen en daarom voor verdere afhandeling contact opgenomen moest worden met haar gemachtigde.

1.9. Bij faxbrief d.d. 14 december 2011 had de gemachtigde van de Stichting [gedaagde] al gesommeerd vorenbedoeld bedrag ad € 3.600,--, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten, zijnde in totaal € 4.297,26 uiterlijk 19 december 2011 voor 12.00 uur te betalen bij gebreke waarvan kostenverhogende rechtsmaatregelen genomen zouden worden.

1.10. Bij brief d.d. 22 december 2011 heeft de gemachtigde van de Stichting aan [gedaagde] geschreven dat nu volledige betaling van de factuur d.d.18 oktober 2011 achterwege gebleven was, zij genoodzaakt was voor de Stichting een procedure tegen [gedaagde] te beginnen.

Vordering

2. De Stichting vordert na haar eis verminderd te hebben dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van:

a. € 535,50 wegens buitengerechtelijke incassokosten;

b. € 122,58 wegens voor de dagvaarding verschuldigd geworden rente;

c. de kosten van de procedure.

3. De Stichting stelt dat zij gezien de gang van zaken niet ten onrechte haar incassogemachtigde heeft ingeschakeld en dus een procedure tegen [gedaagde] begonnen is ter verkrijging van een vergoeding van die door haar daardoor gemaakte buitengerechtelijke kosten.

4. Daarbij wijst zij erop dat [gedaagde] niet alleen heeft verzuimd de onderhavige factuur volledig en tijdig te voldoen, maar ook heeft verzuimd de juiste loon- en premiegegevens aan haar tijdig te verstrekken. Hiermee heeft zij het risico genomen dat de vordering terecht overgedragen is aan haar incassogemachtigde. Nadat haar incassogemachtigde op 14 december 2011 ten eerste male aangeschreven had, heeft zij zowel mondeling als schriftelijk vergeefs getracht tot een minnelijke oplossing te komen.

5. Zij heeft daadwerkelijk de buitengerechtelijke kosten gemaakt waarvan zij vergoeding vordert.

Verweer

6. [gedaagde] verweert zich tegen deze vordering. Onder verwijzing naar het verloop van de gebeurtenissen vanaf 8 december 2011, zoals deze hiervoor onder 1 is weergegeven, meent [gedaagde] dat haar niets te verwijten valt, behalve dan dat de aanvankelijke schattingsnota ad

€ 3.600,-- en de aanmaningen te lang zijn blijven liggen. Dat neemt niet weg dat zij alle mogelijke moeite gedaan heeft om de vordering van de Stichting buiten een incassoprocedure te houden. Zij wijst erop dat de uiterste betalingsdatum 14 december 2011 was en toen met het juiste betalingskenmerk door haar een betaling is gedaan. Dat het nu zover gekomen is, is volgens haar te wijten aan een gebrekkige communicatie bij de Stichting zelf.

7. [gedaagde] eist een zekere schadeloosstelling en dat niet alleen. Zij wil ook een extra tegemoetkoming opdat dergelijke instanties als de Stichting zorgvuldiger leren omgaan met gelden, ingelegd door burgers en bedrijven.

Beoordeling

8. Vraag is, of gelet op de gang van zaken de Stichting in redelijkheid kon besluiten de onderhavige procedure te gaan voeren. Bij de beantwoording van die vraag stelt de kantonrechter voorop dat een schuldeiser in beginsel te allen tijde bevoegd is een gerechtelijke procedure te beginnen, als geen betaling wordt verkregen.

Aangezien ingevolge artikel 6:2 van het Burgerlijk Wetboek schuldeiser en schuldenaar verplicht zijn zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid, kunnen er echter omstandigheden zijn dat een schuldeiser van die bevoegdheid geen gebruik zal mogen maken.

9. Een dergelijke omstandigheid kan zijn de geringheid van de vordering of de onevenredigheid tussen de grootte van de vordering en de kosten die aan de procedure verbonden zijn. Die laatste omstandigheid is actueel geworden, nu de wetgever met ingang van 1 juli 2011 de kosten van procederen middels de griffierechten sterk verhoogd heeft. Het griffierecht bij een vordering gelegen tussen de € 500,-- en € 12.500,-- bedraagt inmiddels € 437,--. Als een schuldeiser aan hoofdsom € 375,-- te vorderen heeft, aan tot aan de dag van de dagvaarding verschuldigde rente € 50,-- en aan buitengerechtelijke kosten € 89,25 inclusief BTW, dus in totaal € 514,25, is er aan griffierecht € 437,-- verschuldigd. Dat griffierecht komt naast de deurwaarderskosten voor het uitbrengen van de dagvaarding (circa € 100,--) als proceskosten voor rekening van de schuldenaar in geval hij of zij de procedure verliest.

10. Bij beantwoording van voormelde vraag zal nu eerst onderzocht moeten worden of de Stichting in redelijkheid de buitengerechtelijke kosten gemaakt heeft waarvan zij in deze procedure vergoeding vordert.

11. Zoals bij de vaststelling van de vaststaande feiten en omstandigheden gebleken is, heeft bij e-mail d.d.13 december 2011 een medewerker van de Stichting desgevraagd aan het administratiekantoor van [gedaagde] een toelichting gegeven op haar openstaande factuur d.d. 18 oktober 2011 onder de mededeling dat als het administratiekantoor de gegevens ter bepaling van het sociaal verzekeringsloon direct zou doorgeven en daarna contact met de Stichting zou opnemen, de overdracht van de nota aan het incassobureau en daarmee extra invorderingskosten mogelijk nog zouden kunnen worden voorkomen. Dit heeft het administratiekantoor van [gedaagde] gedaan. Desondanks had blijkens de faxbrief die de gemachtigde van de Stichting op 14 december 2011 naar [gedaagde] stuurde, voordien de Stichting haar gemachtigde al ingeschakeld.

12. Wanneer nu voorts in aanmerking genomen wordt dat [gedaagde] op 14 december 2011 de hoofdsom getracht heeft met spoed naar de Stichting over te maken, wat vanwege een ondeugdelijk betalingskenmerk niet gelukte, het administratiekantoor van [gedaagde] dat direct aan de Stichting gemeld heeft en een dag later alsnog de verschuldigde hoofdsom aan de Stichting voldaan is, moet geconcludeerd worden dat de Stichting niet in redelijkheid de door haar gevorderde incassokosten heeft gemaakt en dus op een vergoeding daarvan door [gedaagde] geen aanspraak kan maken.

13. In deze zaak is de dagvaarding uitgebracht op 5 april 2012, dus ruim drie en een halve maand nadat [gedaagde] de door haar over 2011 aan de Stichting verschuldigde bijdrage in zijn geheel had betaald. Bij die dagvaarding vorderde de Stichting desondanks naast vorenbedoelde buitengerechtelijke kosten en vertragingsrente als hoofdsom nog het restant van de door haar oorspronkelijk aan [gedaagde] in rekening gebrachte bijdrage voor 2011 ad € 3.600,--. Eerst bij repliek heeft de Stichting die hoofdsom verminderd tot nihil.

14. Er kan hieruit dan ook maar één conclusie getrokken worden en wel dat de Stichting in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid gehandeld heeft door deze procedure tegen [gedaagde] te beginnen. Het verweer van [gedaagde] gaat dan ook op. De vordering van de Stichting moet afgewezen worden.

15. Als de in het ongelijk gestelde partij moet de Stichting veroordeeld worden in de proceskosten conform het bij deze sector van de rechtbank geldende tarief.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. wijst de vordering af;

II. veroordeelt de Stichting, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten die aan de zijde van [gedaagde] gevallen zijn en die tot aan deze uitspraak begroot worden op € 200,-- inclusief BTW als salaris van haar gemachtigde.

Aldus gewezen door mr. F.M.P.M. Strengers, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 augustus 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter