Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX6330

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
03-09-2012
Zaaknummer
510350 - HA ZA 12-171
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorgplicht hypotheekverstrekker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2012/76

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 510350 / HA ZA 12-171

Vonnis van 15 augustus 2012

in de zaak van

[EISERES],

wonende te [plaats],

eiseres,

advocaat mr. M. Tijken te Almelo,

tegen

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. L.A.L. Westerwoudt te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en ING genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 2 februari 2012, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- het tussenvonnis van 11 april 2012, waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

- het proces-verbaal van comparitie van 28 juni 2012 en de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] heeft met haar echtgenoot de heer [echtgenoot] (hierna: [echtgenoot] en, tezamen met [eiseres], [echtgenoot] c.s.) in januari 2002 een huis gekocht aan de Muhlenstrasse 39 te Itterbeck, Duitsland. Ter financiering van de koopprijs ad € 178.952,16 en de bijkomende kosten koper, hebben [echtgenoot] c.s. een lening afgesloten bij de Duitse Volksbank Niedergrafschaft Velsen-Hoogstede-Wilsum eG (hierna: Volksbank) van € 195.300. Ter aflossing van een deel van deze lening ad € 78.000 hebben [echtgenoot] c.s. een met een spaarverzekering vergelijkbare Bausparverträge afgesloten bij Bausparkasse Schwäbisch Hall AG, waarop [echtgenoot] c.s. maandelijks € 250 hebben gestort.

2.2. Destijds was [echtgenoot] c.s. ook eigenaar van een huis in Nederland, dat met een hypothecaire lening van ABN AMRO N.V. (hierna: ABN AMRO) was gefinancierd. [echtgenoot] c.s. had in verband met deze schuld aan ABN AMRO een levensverzekering afgesloten bij AXA Levensverzekeringen. Na de aankoop van het huis in Duitsland is de woning in Nederland verkocht voor een prijs die lager was dan de schuld aan ABN AMRO. Na beëindiging van de levensverzekering en uitkering van de afkoopwaarde daarvan aan ABN AMRO bestond een restschuld van € 25.000. Hiervoor hebben [echtgenoot] c.s. een lening afgesloten bij Interbank N.V. (hierna: Interbank), welke lening nadien is verhoogd tot € 55.000 waarmee kosten van de verhuizing naar Duitsland zijn voldaan.

2.3. Begin 2005 hebben [echtgenoot] c.s. contact gezocht met mevrouw [A] van [A & B] (hierna: [A]) voor advies over het investeren van geld van de dochter van [echtgenoot] c.s. In het contact met [A] heeft [echtgenoot] c.s. te kennen gegeven de rente op de financiering door de Volksbank nogal hoog te vinden. [A] heeft vervolgens voor [echtgenoot] c.s. een afspraak gemaakt met ING.

2.4. Er heeft een bespreking plaatsgevonden op het kantoor van ING te Enschede, waarbij [echtgenoot] c.s. en de heer [C] en mevrouw [D] namens ING aanwezig waren. Tijdens dat gesprek is de destijds huidige inkomenssituatie van [echtgenoot] c.s. besproken aan de hand van loonstroken en werkgeversverklaringen. Voorts zijn de destijds bestaande schulden bij Interbank en Volksbank en daarmee samenhangende maandlasten en – ten aanzien van de financiering van Volksbank – boetes bij vervroegde aflossing aan de orde gekomen. ING heeft berekend dat in totaal € 280.000 nodig zou zijn om alle schulden te herfinancieren en de daarmee samenhangende kosten te voldoen. In dit gesprek hebben [echtgenoot] c.s. aangegeven dat zij een levensverzekering wilden afsluiten ter afdekking van het overlijdensrisico. ING heeft hierop te kennen gegeven dat zij een dergelijke verzekering niet voor [echtgenoot] c.s. konden afsluiten en dat zij dit zelf moesten regelen. Ten slotte heeft ING [echtgenoot] c.s. verzocht de woning in Duitsland te laten taxeren door een gediplomeerde Duitse taxateur en zij heeft hen de gegevens verstrekt van mevrouw [E] (hierna: [E]) waarmee ING vaker werkte.

2.5. Op 21 april 2005 heeft ING een offerte aan [echtgenoot] c.s. gestuurd voor een hypothecaire geldlening van in totaal € 265.000 welke is verdeeld in een aflossingsvrije tranche van € 132.500 en een tranche van € 132.500 met annuïtaire aflossing, beide met een looptijd van 25 jaar. In deze offerte staat, onder meer:

“Extra voorbehouden en benodigde bescheiden

(…)

Duitse levensverzekering (alleen indien van toepassing) Een polis

van een door ons goedgekeurde Duitse levensverzekeringmaatschappij. De rechten voortvloeiende uit deze verzekeringsovereenkomst dient u aan ons tot zekerheid over te dragen (…)”

2.6. Bij deze offerte is een Europees gestandaardiseerd informatieblad gevoegd waarin, voor zover relevant, staat:

“Bijkomende terugkerende (…)

financiële verplichtingen - overlijdensrisicoverzekering (dringend

geadviseerd)”

2.7. In de aan [echtgenoot] c.s. eveneens gestuurde hypotheken wegwijzer staat, onder meer:

“RISICO’S VAN HYPOTHEKEN

(…)

INKOMSTENRISICO

Soms kan het betalen van de maandlasten onverhoopt in het geding komen door een daling in de inkomsten. Denkt u daarbij aan (…) overlijden van uw partner.

(…)

RESTSCHULDRISICO’S

Als u voor het aflossen van uw hypotheek de verkoopopbrengst van een onderpand (uw woning (…)) wilt gebruiken, dan moet u er rekening mee houden dat deze verkoopopbrengst onvoldoende kan zijn om de gehele lening mee af te betalen.

VERZEKERINGEN

(…)

OVERLIJDENSRISICOVERZEKERING

Vaak is er (…) groot financieel leed wanneer de partner komt te overlijden. Bij diverse hypotheekvormen is overlijdensdekking dan ook onderdeel van de hypotheek. Wanneer dit niet het geval is, kunt u overwegen alsnog een overlijdensrisicoverzekering af te sluiten.

PRODUCTKENMERKEN

(…)

AFLOSSINGSVRIJE HYPOTHEEK

Aangezien op de Aflossingsvrije Hypotheek tot aan het einde van de looptijd niet wordt afgelost of anderszins een kapitaal wordt opgebouwd, bestaat de enige last uit rente. Houdt u er wel rekening mee dat het door u opgenomen bedrag in een keer moet worden terugbetaald als uw hypotheek wordt afgewikkeld. Als de opbrengst van uw woning onvoldoende is om uw lening(en) en krediet(en) terug te betalen houdt u restschuld over.

ANNUÏTEITENHYPOTHEEK

Bij deze hypotheekvorm betaalt u elke maand een vast bedrag aan rente en aflossing. De brutomaandlasten blijven bij een gelijkblijvend rentepercentage de hele looptijd gelijk. In het begin is het aflossingsdeel daarvan klein en het rentedeel groot. (…) De aflossing van de schuld wordt naar de toekomst verschoven.”

2.8. De hiervoor genoemde offerte is door [echtgenoot] c.s. voor 5 mei 2005 voor akkoord ondertekend.

2.9. Bij rapport van 9 mei 2005 heeft [E] het huis in Duitsland getaxeerd op een Sachwert (zaakswaarde) van € 297.203,77 en een Verkehrswert (vrije verkoopwaarde) van

€ 243.310,01.

2.10. Op 6 juli 2005 heeft [echtgenoot] c.s. zowel een – op de offerte van 21 april 2005 gebaseerde – onderhandse overeenkomst van vaste geldlening met zekerheidsstelling in Duitsland getekend als een Zweckbestimmungserklärung, waarin – kort gezegd – een zekerheidsrecht naar Duits recht op het woonhuis is gevestigd ten behoeve van ING ter zekerheid van de nakoming van de verplichtingen van [echtgenoot] c.s. uit hoofde van de aan hen te verstrekken lening.

2.11. Op 20 juli 2005 heeft ING voornoemde kredietovereenkomst en Zweckbestimmungserklärung ondertekend en het bedrag van € 265.000 ter beschikking gesteld. Dit bedrag is aangewend ter aflossing van de financiering door Volksbank, ter aflossing van een deel van de financiering door Interbank en ter voldoening van de kosten en de provisie van de herfinanciering.

2.12. Op 7 oktober 2005 heeft ING een offerte aan [echtgenoot] c.s. gestuurd voor een aanvullende annuïteitenhypotheek van € 15.000 met een looptijd van 10 jaar. Na acceptatie van deze offerte door [echtgenoot] c.s. hebben zij op 1 november 2005 voor deze lening zowel een onderhandse overeenkomst van vaste geldlening met zekerheidsstelling in Duitsland als een Zweckbestimmungserklärung getekend.

2.13. Op 15 december 2005 heeft ING de tweede kredietovereenkomst en Zweckbestimmungserklärung ondertekend en het bedrag van € 15.000 ter beschikking gesteld. Dit bedrag is aangewend ter aflossing van het resterende deel van de financiering door Interbank.

2.14. In december 2008 is [echtgenoot] overleden. In 2009 is een achterstand op de hypotheekbetalingen ontstaan. Deze achterstand heeft [eiseres] afgelost met een door Volksbank aan haar verstrekte lening. Vanaf februari 2010 heeft [eiseres] geen hypotheekbetalingen meer verricht. Het huis in Duitsland is kort voor de comparitie van partijen met toestemming van ING onderhands verkocht voor € 155.000.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht verklaart dat ING jegens [eiseres] tekort is geschoten in de nakoming van haar (contractuele) (zorg)plicht(en), en/of onrechtmatig heeft gehandeld in het kader van de onderhavige hypotheekverstrekking en dat ING aansprakelijk is voor de dientengevolge geleden schade;

- voor recht verklaart dat [eiseres] dientengevolge schade heeft geleden en ING verplicht is die schade aan [eiseres] te vergoeden;

- ING veroordeelt tot betaling van de schade aan [eiseres], op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- ING veroordeelt in de kosten van de procedure.

3.2. [eiseres] voert hiertoe aan dat ING bij de hypotheekverstrekking in strijd met de op haar rustende zorgplicht heeft gehandeld door [echtgenoot] c.s. een niet passende hypothecaire lening te verstrekken. De door ING verstrekte financiering was te hoog gelet op de werkelijke waarde van het huis en de (toekomstige) inkomenssituatie van [echtgenoot] c.s. en daarbij is een aflossingsvrije of annuïteitenhypotheek niet geschikt voor mensen van hun leeftijd. Bovendien had ING de financiering alleen mogen verstrekken op voorwaarde dat [echtgenoot] c.s. een overlijdensrisicoverzekering zou hebben afgesloten. De schade die zij door het handelen van ING heeft geleden bestaat uit de belopen hypotheekachterstand, aldus [eiseres].

3.3. ING voert verweer.

3.4. De stellingen van partijen worden hierna, voor zover van belang, nader weergegeven.

4. De beoordeling

Zorgplicht ter zake van de financiering

4.1. De rechtbank stelt voorop dat de zorgplicht van ING als hypotheekverstrekker erin bestaat dat zij gehouden is zodanig onderzoek te doen en zodanige informatie in te winnen dat zij een afgewogen beslissing kan nemen over de vraag of de hypotheeknemer – gelet op de destijds geldende normen – naar redelijke verwachting over voldoende bestedingsruimte zal kunnen beschikken om aan de verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van hypothecaire geldlening te kunnen voldoen. [eiseres] is van mening dat ING op basis van de destijds kenbare informatie niet tot het verstrekken van de geldlening had mogen overgaan. ING voert aan dat de hypothecaire geldlening voldoet aan de destijds geldende normen. De rechtbank overweegt als volgt.

Hypotheekvorm

4.2. [eiseres] is van mening dat een aflossingsvrije of annuïteitenhypotheek niet geschikt is voor mensen van destijds 50 ([eiseres]) althans 55 ([echtgenoot]) jaar. De rechtbank stelt voorop dat geen algemene regel bestaat die een bank verbiedt een bepaalde hypotheekvorm aan mensen van een bepaalde leeftijd te verstrekken. Of de leeftijd van de leningnemers tot de conclusie moet leiden dat een bepaalde hypotheekvorm niet bij hen past moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden die zich in een concreet geval voordoen. [eiseres] heeft geen concrete omstandigheden gesteld die deze conclusie kunnen dragen, omdat zij niet heeft uitgelegd waarom ING vanwege de leeftijd van [echtgenoot] c.s. destijds deze hypotheekvorm niet aan hen had mogen aanbieden. Het lag wel op de weg van [eiseres] om die uitleg te geven omdat het hier op zichzelf gangbare financiële producten betreft en [echtgenoot] c.s. bovendien drie jaar voor de hypotheekverlening door ING (toen [echtgenoot] c.s. dus 48 respectievelijk 53 jaar waren) bij de Volksbank een financiering hebben aangetrokken die voor 60% aflossingsvrij was en de resterende 40% zou moeten worden afgelost uit een spaarverzekering met een maandelijkse inleg. De financiering door de Volksbank lijkt dus sterk op de financiering door ING die ook bestaat uit een aflossingvrij deel en een deel waarop maandelijks werd afgelost. Zonder nadere uitleg is niet te begrijpen waarom de hypotheekvorm van ING niet toelaatbaar was terwijl [eiseres] daarnaast verklaard heeft dat zij de financiering van Volksbank achteraf gezien graag had willen behouden. Het enige kenbare verschil – namelijk dat [echtgenoot] c.s. ten tijde van de hypotheekverlening door ING 3 jaar ouder waren dan ten tijde van de financiering door Volksbank – is op zichzelf niet voldoende om te kunnen oordelen dat ING in 2005 haar zorgplicht ten opzichte van hen heeft geschonden door de financiering in de vorm van een aflossingsvrije althans annuïteitenhypotheek te verstrekken.

4.3. Voor zover [eiseres] ook bedoeld heeft te zeggen dat zij onvoldoende door ING is geïnformeerd over wat een aflossingvrije en annuïteitenhypotheek inhouden, heeft ING terecht gewezen op de uitleg van deze hypotheekvormen in de hypotheken wegwijzer. Hierin staat naar het oordeel van de rechtbank duidelijk wat de kenmerken zijn van deze hypotheekvormen, namelijk geen althans (in het begin van de looptijd) beperkte aflossing en een restschuld als het huis bij verkoop te weinig opbrengt om (het restant van) de hypotheeksom terug te betalen. Met dit restschuldrisico was [echtgenoot] c.s. bovendien al bekend omdat de opbrengst van het huis in Nederland onvoldoende was om daarmee de door ABN AMRO verstrekte hypothecaire financiering af te lossen en zij deze restschuld hebben moeten afbetalen met een krediet van Interbank, wat zich allemaal heeft afgespeeld voordat ING in beeld kwam. Indien [echtgenoot] c.s. na het lezen van de door ING verstrekte informatie hierover desondanks nog vragen hadden, had het op hun weg gelegen om die aan ING te stellen en dat hebben zij niet gedaan. Nu [eiseres] geen andere kenmerken of risico’s van deze hypotheekvormen – die als eenvoudige financiële producten kwalificeren – heeft aangevoerd waarvoor ING ten onrechte niet gewaarschuwd heeft, kan op basis van haar stellingen niet geoordeeld worden dat ING een verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot de over de hypotheekvormen verstrekte informatie.

Hoogte van de financiering

4.4. [eiseres] is van mening dat sprake is van overkreditering, omdat de maandlasten bij pensionering van [echtgenoot] niet meer op te brengen waren en omdat het huis minder waard was dan de waarde die de Duitse taxateur [E] daaraan had toegekend en ING dat had moeten weten.

4.5. Partijen zijn het erover eens dat [echtgenoot] c.s. de maandlasten van de financiering van ING – die volgens de door [eiseres] ingeschakelde deskundige [deskundige] (hierna: [deskundige]) overigens lager waren dan de lasten van de financieringen bij Volksbank en Interbank voorafgaand aan de herfinanciering door ING – konden voldoen uit hun inkomen tot het wegvallen van het inkomen van [echtgenoot] door zijn overlijden. De rechtbank stelt dus voorop dat de achterstand in de hypotheekbetalingen is ontstaan door het overlijden van [echtgenoot] en niet door zijn pensionering, waardoor het nog maar zeer de vraag is wat het causaal verband zou kunnen zijn tussen de gestelde tekortkoming en de schade die [eiseres] stelt daardoor te hebben geleden.

4.6. Het voorgaande neemt echter niet weg dat een bank onrechtmatig kan handelen door een hypotheek te verstrekken waarvan de maandlasten in verhouding tot een voorzienbare inkomensdaling – zoals ten gevolge van pensionering – in de toekomst, te hoog zijn. Om te kunnen oordelen dat daarvan in dit geval sprake kan zijn, had [eiseres] in ieder geval moeten aanvoeren wat de inkomenssituatie was geweest bij pensionering van [echtgenoot] en hoe dat zich zou verhouden ten opzichte van de maandelijkse betalingsverplichtingen aan ING. [eiseres] heeft de rechtbank daarover echter geen informatie verstrekt. Ook in het rapport van [deskundige], voor zover de rechtbank moet begrijpen dat [eiseres] bedoeld heeft daarmee deze stelling te onderbouwen, staat niets over de inkomenssituatie van [echtgenoot] c.s. na pensionering van [echtgenoot] ten opzichte van de maandlasten. Zonder deze informatie kan de rechtbank, gelet op de gemotiveerde betwisting door ING, niet tot het oordeel komen dat de financiering door ING de financiële draagkracht van [echtgenoot] c.s. na pensionering te boven zou gaan. De enkele stelling dat ING zich niet in het pensioen van [echtgenoot] heeft verdiept, hetgeen door ING is betwist, is daarvoor niet voldoende.

4.7. [eiseres] is verder van mening dat de financiering te hoog is in verhouding tot de waarde van het onderpand. Anders dan waar [eiseres] vanuit lijkt te gaan, kan in zijn algemeenheid niet worden geoordeeld dat een bank geen financiering mag verstrekken die de waarde van het onderpand – het huis – te boven gaat. Op basis van de waarde van het onderpand kan de bank inschatten hoe groot het risico is dat zij bij uitwinning van het onderpand niet volledig voldaan kan worden. Een taxatie in het kader van hypotheekverlening dient daarom, zoals ING terecht aanvoert, primair het belang van de bank. Zelfs als vast komt te staan dat – zoals door [eiseres] gesteld en door ING is betwist – de taxatie onjuist zou zijn, dan is dat op zich niet voldoende om te oordelen dat ING onrechtmatig heeft gehandeld door [eiseres] de onderhavige financiering te verstrekken. Hierbij is van belang dat het bedrag dat boven de aankoopprijs van de woning – hetgeen volgens [eiseres] in 2005 de werkelijke waarde van de woning was – is verstrekt, bestaat de bedragen die [echtgenoot] c.s. heeft bij geleend bij Interbank voor het aflossen van de restschuld aan ABN AMRO en de kosten van de verhuizing naar Duitsland, de boete voor het vervroegd aflossen van de financiering door de Volksbank en de kosten van de herfinanciering door ING bestaande uit notariskosten, de administratiekosten en de provisie van ING. Hiervan was [eiseres] op de hoogte toen [echtgenoot] c.s. het aanbod van ING accepteerden. Zij heeft immers ter zitting verklaard dat het aanbod van ING ook de herfinanciering van de schuld aan Interbank omvatte, dat de aflossing aan de Volksbank inclusief boete tussen € 210.000 en € 212.000 zou bedragen en dat ING te kennen heeft gegeven dat in totaal, dus inclusief de herfinanciering van de schuld aan Interbank van € 55.000 en alle bijkomende kosten, een financiering van € 280.000 nodig was. Hiermee hebben [echtgenoot] c.s. ingestemd. Indien zij de financiering door Interbank niet wilden oversluiten naar ING (hoewel dit volgens [deskundige] tot lagere maandlasten heeft geleid en dus niet in te zien is op welke wijze zij door die herfinanciering slechter af waren dan voorheen) dan wel de kosten van de herfinanciering te hoog hadden gevonden, is – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – niet in te zien waarom het [echtgenoot] c.s. niet vrij zou hebben gestaan het aanbod van ING te weigeren en de financieringen bij de Volksbank en Interbank voort te zetten.

4.8. Ten aanzien van de stelling van [eiseres] dat zij door het gestelde foutieve taxatierapport op het verkeerde been is gezet ten aanzien van de vraag of de volledige financiering door ING indien nodig in de toekomst kon worden afgelost met de verkoopopbrengst van de woning, zal zij zich – als opdrachtgever van de taxatie – dienen te wenden tot de taxateur nu dit in haar relatie tot ING niet aan laatstgenoemde is tegen te werpen. Dat ING [echtgenoot] c.s. op het spoor van [E] heeft gezet maakt dit niet anders, nu gesteld noch gebleken is dat zij niet een andere bevoegde Duitse taxateur hadden kunnen inschakelen als zij dat hadden gewild.

Overlijdensrisicoverzekering

4.9. De rechtbank volgt [eiseres] ook niet in haar standpunt dat ING de financiering alleen had mogen verstrekken op voorwaarde dat [echtgenoot] c.s. een overlijdensrisicoverzekering zou hebben afgesloten. Het feit dat banken – ter beperking van hun kredietrisico op de cliënt – vaak eisen dat de hypotheeknemer een overlijdensrisicoverzekering afsluit, betekent nog niet dat banken daartoe een verplichting hebben. Dat ING in haar informatie het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering dringend aan haar cliënten adviseert, maakt dat niet anders.

4.10. Daarbij komt dat, zoals [eiseres] ter zitting heeft verklaard, dat [echtgenoot] c.s. op de hoogte waren van het risico dat als één van hen zou komen te overlijden er dan een inkomen weg zou vallen en dat zij zich tegen dat risico – net zoals zij bij AXA hadden gedaan in het kader van de door ABN AMRO verstrekte financiering – zouden kunnen verzekeren. Dit was dan ook de reden dat zij ING in het eerste gesprek hebben verzocht een overlijdensrisicoverzekering voor hen af te sluiten. Hierop heeft ING geantwoord dat zij dat niet voor [echtgenoot] c.s. konden doen en dat zij, als zij een overlijdensrisicoverzekering wilden afsluiten, dit zelf moesten regelen bij een Duitse levensverzekeringsmaatschappij. Dit hebben zij ook geprobeerd, maar tegen de tijd dat duidelijk was dat [echtgenoot] vanwege zijn ziekte niet meer in aanmerking kwam voor een overlijdensrisicoverzekering was de herfinanciering door ING als een feit, aldus [eiseres].

Dat het [echtgenoot] c.s. niet gelukt is om voor het verstrekken van de financiering door ING een levensverzekering af te sluiten, kan naar het oordeel van de rechtbank niet aan ING worden tegengeworpen maar dient voor risico van [eiseres] te blijven. Wat de reden voor ING was om een dergelijke verzekering niet aan [echtgenoot] c.s. te kunnen of willen aanbieden doet daarbij niet ter zake. Indien het afsluiten van een levensverzekering voor [echtgenoot] c.s. destijds van essentieel belang was geweest, dan hadden zij het traject van herfinanciering van hun bestaande hypotheek bij Volksbank en schuld bij Interbank door ING moeten uitstellen tot die verzekering tot stand zou zijn gekomen en van de herfinanciering af moeten zien als zij – om wat voor reden dan ook – niet voor een overlijdensrisicoverzekering in aanmerking kwamen. Door de herfinanciering af te ronden voordat er uitsluitsel was of een Duitse levensverzekeraar het overlijdensrisico van [echtgenoot] c.s. wilde afdekken, hebben zij het risico genomen dat zich thans heeft verwezenlijkt namelijk dat [eiseres] door het overlijden van [echtgenoot] en daarmee het wegvallen van diens inkomen niet meer in staat is de maandelijkse hypotheeklasten te voldoen, hetgeen uiteindelijk heeft geresulteerd in verkoop van het huis tegen een lagere prijs dan de nog openstaande schuld van [eiseres] bij ING.

Slotsom

4.11. Uit het voorgaande volgt dat op basis van de stellingen van [eiseres] niet kan worden geoordeeld dat ING jegens haar tekort is geschoten in haar zorgplicht noch dat ING anderszins onrechtmatig ten opzichte van [eiseres] heeft gehandeld. Het verweer van ING dat [eiseres] niet tijdig heeft geklaagd behoeft geen behandeling meer. De vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen.

4.12. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiseres] worden veroordeeld in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van ING begroot op € 575,00 aan vastrecht en € 904,00 (2 punten x tarief € 452,00) aan kosten van de advocaat.

4.13. Hetgeen naar voren is gebracht met betrekking tot de inhoud van het proces-verbaal van comparitie van partijen behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst het gevorderde af.

5.2. veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van ING begroot op € 1.479,00.

5.3. verklaart de kostenveroordeling onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.M. Visser en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2012.?