Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX6326

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
03-09-2012
Zaaknummer
1319362 - HA EXPL 12-153
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Is Bureau Jeugdzorg aansprakelijk jegens de minderjarige wanneer de machtiging van de kinderrechter op grond waarvan de minderjarige in een inrichting voor gesloten jeugdzorg is geplaatst achteraf blijkt te zijn afgegeven op onjuiste gronden? Van enig inbreuk op een recht of een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt door BJAA is op geen enkele wijze gebleken. Dat achteraf bezien vaststaat dat de machtiging niet verleend had mogen worden, maakt de gesloten plaatsing alsnog onrechtmatig. Dit kan BJAA niet worden toegerekend. Bij de ten uitvoerlegging van een beslissing van de kinderrechter is geen ruimte voor BJAA om een eigen afweging te maken.

Wetsverwijzingen
Wet op de jeugdzorg
Wet op de jeugdzorg 29b
Wet op de jeugdzorg 29c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2012/146

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector kanton

locatie: Amsterdam

Zaaknummer en rolnummer: 1319362 \ HA EXPL 12-153

Uitspraak: 15 augustus 2012

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

nader te noemen [eiseres],

gemachtigde mr. W.D. van Doorn,

t e g e n

Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

nader te noemen BJAA,

gedaagde,

gemachtigde mr. D. van der Leij.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 10 januari 2012, met producties,

- de conclusie van antwoord van 28 februari 2012, met producties.

Ingevolge tussenvonnis van 14 maart 2012 heeft op 12 juli 2012 een bijeenkomst van partijen plaatsgevonden. Het proces-verbaal hiervan bevindt zich bij de stukken.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

1.1 [eiseres] is geboren op 26 april 1994 uit de relatie van [A] en [B]. [A] is belast geweest met het gezag over [eiseres].

1.2 Bij beschikking van 22 november 2010 (475037/10-2931) van de kinderrechter te Amsterdam is een machtiging verleend om [eiseres] in gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven met ingang van 22 november 2010 tot 15 februari 2011.

1.3 Bij beschikking van 22 november 2010 (476384/10-3096) van de kinderrechter te Amsterdam is een machtiging verleend om [eiseres] in gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven met ingang van 15 februari 2011 voor de duur van 6 maanden.

1.4 Op 8 december 2010 is [eiseres] geplaatst in “[instelling]”te [plaats], een instelling voor gesloten jeugdzorg, en door een gedragswetenschapper onderzocht.

1.5 Op 20 december 2010 heeft [eiseres] hoger beroep aangetekend tegen de beslissing van de rechtbank van 22 november 2010.

1.6 Bij beschikking van 5 april 2011 heeft het gerechtshof te Amsterdam de beschikking(476384/10-3096) vernietigd voor zover daarin een machtiging is verleend om [eiseres] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te plaatsen en heeft het inleidende verzoek van BJAA alsnog afgewezen. Het hof heeft daartoe onder meer overwogen:

“ Gelet hierop is het hof van oordeel dat de vereiste instemming van een gedragswetenschapper is te rekenen tot de waarborgen waarmee rechtmatige vrijheidsontneming in de vorm van opneming in gesloten jeugdzorg behoort te zijn omgeven. Het bepaalde in artikel 29b lid 5 Wjz (rechtbank: Wet op de jeugdzorg) dient dan ook strikt te worden toegepast. Dat brengt mee dat, indien de in die bepaling bedoelde verklaring ten tijde van de beschikking in eerste aanleg ontbreekt, dit in beginsel niet meer in een later stadium kan worden hersteld en het hoger beroep tegen die beschikking ertoe dient te leiden dat de bestreden beschikking wordt vernietigd en het inleidend verzoek van BJAA alsnog wordt afgewezen.(…) Nu de gedragswetenschapper [eiseres] evenwel niet heeft onderzocht voordat de machtiging tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg door de kinderrechter werd verleend, is niet voldaan aan de vereisten die de wet aan de toepassing van deze maatregel stelt.”

1.7 Op 6 april 2011 is de plaatsing van [eiseres] in “[instelling]” met onmiddellijke ingang beëindigd en heeft [eiseres] de instelling verlaten.

1.8 Bij brief van 3 november 2011 vordert [eiseres] van BJAA betaling van een schadevergoeding wegens onterechte c.q. onrechtmatige plaatsing. Bij brief van 17 november 2011 laat BJAA aan [eiseres] weten niet aansprakelijk te zijn en derhalve geen schadevergoeding te zullen betalen.

1.9 Op 26 april 2012 is [eiseres] meerderjarig geworden.

Vordering en verweer

2. [eiseres] vordert – kort weergegeven - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

- voor recht te verklaren dat BJAA onrechtmatig heeft gehandeld door [eiseres] in strijd met haar grondrecht van haar vrijheid te beroven door plaatsing in de accommodatie voor gesloten jeugdzorg “[instelling] “;

- BJAA te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 9.440,-, zijnde € 80,- voor iedere dag dat [eiseres] in de periode 8 december 2010 tot en met 5 april 2011 onrechtmatig van haar vrijheid was beroofd;

- BJAA te veroordelen in de proceskosten van [eiseres].

3. [eiseres] stelt kort gezegd dat ten gevolge van de vernietiging van de beschikking van de rechtbank Amsterdam er geen rechterlijke machtiging meer ten grondslag lag aan de plaatsing van [eiseres] in gesloten jeugdzorg en zij dus onrechtmatig van haar vrijheid is beroofd. BJAA is hiervoor aansprakelijk aangezien zij ten tijde van het nemen van de beschikking geen instemmingverklaring van een gedragswetenschapper had overgelegd. BJAA was op de hoogte dat de vereiste instemmingsverklaring van de gedragsdeskundige ontbrak op het moment van aanvraag van de machtiging. Aan de wel door BJAA aan de rechter overgelegde instemmingsverklaring was geen onderzoek van [eiseres] voorafgegaan. Het bepaalde in art. 29b lid 5 Wjz strekt ter waarborging van de rechten van de minderjarige en dient dan ook strikt toegepast te worden. BJAA heeft dit, blijkens de uitspraak van het hof, nagelaten. Voor de berekening van de schade knoopt [eiseres] aan bij de regeling zoals vastgelegd in art. 89 Wetboek van Strafvordering, aangezien het jeugdrecht geen eigen toepasselijke regeling kent.

4. BJAA voert verweer tegen de vordering en voert daartoe onder meer aan dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld en voor zover [eiseres] onrechtmatig van haar vrijheid is beroofd kan BJAA hiervoor niet verantwoordelijk worden gehouden.

Beoordeling

5. De dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid, is uitgebracht op verzoek van [A] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [eiseres]. Gedurende de procedure is [eiseres] meederjarig geworden. Ter zitting heeft [eiseres] mondeling een akte genomen waarin zij stelt de procedure van [A] over te nemen en voort te zetten op eigen naam. BJAA heeft zich hier niet tegen verzet.

6. BJAA stelt zich allereerst op het standpunt dat zij heeft voldaan aan de wettelijke vereisten die nodig zijn voor het afgeven van een (voorlopige) machtiging tot gesloten jeugdzorg. Het was feitelijk onmogelijk om [eiseres] voor de behandeling ter zitting te laten onderzoeken door een gedragswetenschapper. Op het moment van het onderzoek was zij onvindbaar. De gedragswetenschapper heeft toen een instemmingsverklaring afgegeven op basis van het dossier. Dit is conform art. 29c lid 4 Wjz. De kinderrechter had op basis hiervan een – zoals door BJAA ook was verzocht – voorlopige machtiging gesloten jeugdzorg voor de duur van maximaal vier weken kunnen of moeten afgeven. Dat de kinderrechter geen voorlopige maar een definitieve machtiging heeft afgegeven kan BJAA niet worden aangerekend. BJAA heeft, ondanks het feit dat de machtiging al was afgegeven, er voor gezorgd dat er op 8 november 2010 een instemmingsverklaring door een gedragswetenschapper is afgegeven waarbij [eiseres] wel is gezien. Inhoudelijk heeft BJAA dus voldaan aan alle vereisten die noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van een machtiging gesloten jeugdzorg. BJAA kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor een beslissing van de kinderrechter voor zover deze niet in overeenstemming is met de eisen die de wet stelt aan het verlenen van een machtiging gesloten jeugdzorg. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst BJAA onder meer naar de uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden van 19 juli 2011 (LJN BR2401). De door [eiseres] aangevoerde uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 8 september 2005 (LJN AU2741), waarbij Jeugdzorg wel aansprakelijk is gehouden voor een onrechtmatige plaatsing, is in deze situatie niet van toepassing, aldus BJAA.

7. Aan BJAA wordt verweten dat zij in de periode 8 december 2010 tot en met 5 april 2011 gebruik heeft gemaakt van een, achteraf vernietigde, machtiging van de kinderrechter. De door het hof vernietigde beschikking van de kinderrechter bestrijkt alleen de periode na 14 februari 2011. Indien er al sprake is van een onrechtmatig handelen door BJAA kan dit slechts betrekking hebben op deze periode, nu tegen de beschikking van de kinderrechter waarin een machtiging is verleend voor de periode 22 november 2010 tot 15 februari 2011 geen hoger beroep is ingesteld en deze beschikking niet is vernietigd. In de laatste genoemde periode was [eiseres] dus rechtmatig in “[instelling]” opgenomen.

8. Met de beslissing van het hof van 5 april 2011 staat vast dat de kinderrechter ten onrechte inhoudelijk heeft beslist op een niet deugdelijk ingediend verzoek. Dit betekent dat [eiseres], achteraf bezien, in de periode 15 februari 2011 tot en met 5 april 2011 zonder titel is geplaatst in ‘[instelling]’. De grond voor vernietiging van de beschikking van 22 november 2010 door het hof was gelegen in het feit dat, ondanks het ontbreken van een juiste verklaring van een gedragswetenschapper, de kinderrechter desalniettemin een machtiging heeft verleend. Gelet op de eisen gesteld in de wet en de waarborgen waarmee de rechtmatige vrijheidsontneming in de vorm van plaatsing in gesloten jeugdzorg behoort te zijn omgeven, betekent het ontbreken van deze verklaring dat een door de kinderrechter gegeven beslissing tot plaatsing alleen al op die grond geen stand kan houden. Van de beslissing van de kinderrechter kan BJAA geen verwijt worden gemaakt. Evenmin kan geoordeeld worden dat BJAA, door gevolg te geven aan de verstrekte machtiging, onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres]. BJAA heeft slechts uitvoering gegeven aan een op dat moment van kracht zijnde beschikking van de kinderrechter. Bij het ten uitvoer leggen van een beslissing van de kinderrechter is geen ruimte voor BJAA om een eigen afweging te maken. Daarbij dient te worden aangetekend dat het niet uitvoeren van een beslissing van de kinderrechter, met als mogelijk gevolg teloorgang van de minderjarige, voor BJAA in ieder geval grote aansprakelijkheidsrisico’s meebrengt.

9. Van enig inbreuk op een recht of een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijke verkeer betaamt door BJAA is op geen enkele wijze gebleken. Dat achteraf bezien vaststaat dat de machtiging niet verleend had mogen worden, maakt de gesloten plaatsing alsnog onrechtmatig. Dit kan, zoals hier boven overwogen, BJAA niet worden toegerekend. De door [eiseres] aangehaalde uitspraak van de rechtbank Dordrecht ziet op de situatie waarbij Jeugdzorg na het verlopen van de machtiging plaatsing gesloten jeugdzorg alsnog over ging tot plaatsing. Die situatie doet zich in dit geval niet voor.

10. Nu geen sprake is van een onrechtmatig handelen door BJAA, zullen de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen. In het licht daarvan komt de rechtbank niet toe aan de vordering van [eiseres] inzake schadevergoeding. De door BJAA in dat kader aangevoerde verweren kunnen onbesproken blijven.

11. Bij deze uitkomst van de procedure wordt [eiseres] als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van BJAA. Nu de gemachtigde van BJAA in dienst is van BJAA heeft BJAA geen extra kosten voor gerechtelijke bijstand gemaakt. De kosten voor de gemachtigde zullen derhalve op € 0,- worden gesteld. Ook is BJAA geen griffierecht verschuldigd in deze procedure. De proceskosten aan de zijde van BJAA zullen derhalve op € 0,- worden gesteld.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. Wijst af de vorderingen van [eiseres];

II. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van BJAA tot op heden begroot op € 0,- .

Aldus gewezen door mr. A.E. de Vos, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 augustus 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter