Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX6323

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
03-09-2012
Zaaknummer
1334914 \ HA EXPL 12-458
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 236 Rv. Partijen zijn ex-echtelieden. Bij beschikking van 2 septemer 2009 is de echtscheiding uitgesproken en bepaalt dat de regeling, zoals tussen partijen is overeengekomen in het aan deze beschikking gehechte convenant, als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd en deel uitmaakt van deze beschikking. Tegen deze beschikking is geen hoger beroep ingesteld. De vrouw wil thans wijziging van dit convenant wegens een rekenfout. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet mogelijk is aangezien het convenant, in ieder geval voor het deel betreffende de afspraken in het kader van de huwelijkse gemeenschap, gezag van gewijsde heeft verkregen aangezien het, door de bepaling dat het als herhaald en ingelast wordt beschouwd, een beslissing is geworden die vervat is in een beschikking die in kracht van gewijsde is gegaan. Het feit dat de rechter geen of een beperkt inhoudelijk oordeel heeft gegeven over deze beslissing kan niet op voorhand het karakter van gezag van gewijsde aan de beslissing ontzeggen. De term 'beslissing' veronderstelt niet dat er een debat voor de rechter aan voorafgegaan moet zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/437
RFR 2012/135

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector kanton

locatie: Amsterdam

Zaaknummer en rolnummer: 1334914 \ HA EXPL 12-458

Uitspraak: 8 augustus 2012

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

[A],

wonende te [plaats],

eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde mr. M. Dickhoff,

t e g e n

[B],

wonende te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

Partijen zullen hierna [A] en [B] worden genoemd.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 20 september 2011, met producties,

- conclusie tot vermindering van eis, met producties,

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens voorwaardelijke eis in reconventie, met producties,

- conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie, met producties

Ingevolge het tussenvonnis van 11 april 2012 heeft een bijeenkomst van partijen plaatsgevonden. Het proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden in conventie en in reconventie

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

1.1 Partijen zijn op [1978] te [plaats] gehuwd.

1.2 Op 3 augustus 2009 hebben partijen een echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant) getekend waarbij zij de gevolgen van hun echtscheiding hebben geregeld.

1.3 In de considerans van het convenant is onder meer het volgende bepaald:

“Partijen wensen met ingang van september 2009 de gevolgen van hun huwelijksgoederenregime in hun onderlinge verhouding voor zover mogelijk ongedaan te maken;

Zij hebben de gevolgen van hun echtscheiding geregeld:

(…)

Artikel 5 :

De omvang van de huwelijksgemeenschap per 1 september 2009 bedraagt € 10.000,- en zal gelijkelijk worden verdeeld in onderling overleg. (Zie financieel overzicht). Van oververdeling is geen sprake.

(…)

Artikel 8.2 :

“Partijen verklaren terzake van de verdeling na uitvoering van boevenstaande niets meer van elkaar te vorderen te hebben en verlenen elkaar over en weer te dier zake finale kwijting.”

1.4 Bij beschikking van 2 september 2009 heeft de rechtbank Amsterdam tussen partijen de echtscheiding uitgesproken.

“De beoordeling:

(…)

Partijen hebben onderling een regeling getroffen als vermeld in het aan deze beschikking gehechte convenant, welke regeling als na te melden deel zal uitmaken van deze beschikking.

De beslissing:

De rechtbank:

“- spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [1978];

- bepaalt dat de regeling, zoals tussen partijen is overeengekomen in het aan deze beschikking gehechte convenant, als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd en deel uitmaakt van deze beschikking;

- verklaart de inhoud van het convenant voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.”

1.5 Het huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de Burgerlijk Stand van de gemeente [gemeente] op [2009].

1.6 Partijen hebben geen rechtsmiddelen aangewend tegen de echtscheidingsbeschikking.

Vordering en verweer in conventie

2. [A] vordert, na vermindering van eis, dat [B] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal worden veroordeeld tot betaling van:

a. € 12.500,- aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 september 2011

b. de proceskosten van [A] en de door haar gemaakte beslagkosten.

3. [A] stelt - kort gezegd - dat het door partijen gesloten convenant fouten bevat en dat [B], anders dan in artikel 5 van het convenant als uitgangspunt is opgenomen, overbedeeld is. Uit het financiële overzicht, dat aan het convenant is gehecht, blijkt dat de man is overbedeeld met een bedrag van €12.500,00 en dat de vrouw met een gelijk bedrag is onderbedeeld. Tevens blijkt uit het overzicht dat bepaalde bestanddelen van de gemeenschap niet zijn opgenomen in het overzicht, waaronder een hypotheek van € 68.607,00.

4. [B] voert verweer.

5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Vordering en verweer in voorwaardelijke reconventie

6. [B] vordert dat [A] – indien de conventionele vordering van [A] wordt toegewezen - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal worden veroordeeld tot betaling van:

a. primair € 23.726,84 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2012;

b. subsidiair € 11.367,72 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2012;

c. en compensatie van de proceskosten.

7. [B] stelt kort gezegd dat het saldo van de aan de vrouw toebedeelde internetspaarrekening bij de ABNAMRO bank voor een foutief bedrag in het overzicht is opgenomen en dat dit een voor herstel vatbare omissie is en dat deze betrokken dient te worden bij een nieuw te maken berekening.

8. [A] voert verweer.

9. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Beoordeling in conventie

10. [B] voert als het meest vergaande verweer dat [A] niet ontvankelijk is in haar vordering nu de beschikking, waarvan de inhoud van het convenant onderdeel uitmaakt, in kracht van gewijsde is gegaan en dus in gevolge artikel 236 Rv gezag van gewijsde heeft verkregen tussen partijen. [B] verwijst hiervoor naar de uitspraken van de rechtbank Haarlem van 28 januari 2005 (LJN AS4148) en van de rechtbank Roermond van 16 februari 2011 (LJN BQ3503) en 11 mei 2011 (LJN BQ3504).

11. In artikel 236, lid 1 Rv is bepaald dat beslissingen die de rechtsbetrekking in het geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Daarmee wordt bedoeld dat onaantastbare rechterlijke beslissingen die in het kader van de rechtsstrijd tussen partijen zijn genomen in een nieuw geschil tussen partijen niet meer ter discussie kunnen worden gesteld. Het gezag van gewijsde hangt dan ook samen met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Hoewel dit artikel is geschreven voor vonnissen leent het zich voor analogische toepassing op beschikkingen, waarin beslissingen zijn gegeven over rechtsbetrekkingen in geschil tenzij de aard van de rekestprocedure zich hiertegen verzet. (HR 30 oktober 1998, NJ 1999,83).

12. De vraag die thans beantwoord dient te worden is of het feit dat het convenant tussen partijen als herhaald en ingelast wordt beschouwd en deel uitmaakt van de beschikking van 2 september 2009, betekent dat dit te beschouwen is als een beslissing betreffende de rechtsbetrekking in geschil en dus gezag van gewijsde kan verkregen.

13. De door [B] aangehaalde uitspraken van de rechtbank Roermond van 16 februari 2011 en 11 mei 2011 zijn door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 19 juni 2012 (LJN: BW 9156) vernietigd. Het hof heeft geoordeeld, onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 19 november 1982 (NJ 1983, 494), dat, indien de rechter in een (echtscheidings)beschikking bepaalt dat de onderlinge vermogensrechtelijke regeling die partijen in een convenant hebben vastgelegd als in de beschikking opgenomen wordt beschouwd, in beginsel moet worden aangenomen dat die veroordeling geen verdergaande strekking heeft dan om partijen een executoriale titel te verschaffen. Dit brengt mee dat de overeenkomst tussen partijen door de rechterlijke uitspraak onverlet wordt gelaten.

14. In haar uitspraak van 19 november 1982 heeft de Hoge Raad bepaald dat, indien de rechter zich bij de veroordeling van de ene partij tot betaling aan de andere partij van een uitkering tot levensonderhoud conformeert aan hetgeen partijen te dien aanzien waren overeengekomen (in casu vastgelegd in een convenant), in beginsel moet worden aangenomen dat die veroordeling geen verdere strekking heeft dan om de partij ten behoeve van wie de veroordeling is uitgesproken een executoriale titel te verschaffen teneinde zonodig de nakoming in zoverre van de overeenkomst in rechte af te dwingen.

15. Anders dan het arrest van het hof beperkt de uitspraak van de Hoge Raad zich tot een afspraak tussen partijen over de te betalen alimentatie. Deze afspraak heeft, ondanks het feit dat zij is vastgelegd in een convenant en opgenomen in een beschikking, naar het oordeel van de Hoge Raad, tussen partijen geen gezag van gewijsde. Het aanhechten van het convenant heeft, volgens de Hoge Raad, in deze slechts het effect van het verschaffen van een executoriale titel. Met deze uitspraak sluit de Hoge Raad aan bij het systeem van de wet. In artikel 1:401 BW is bepaald dat een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen, dan wel indien de uitspraak van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord of indien de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. De wetgever heeft uitdrukkelijk gekozen voor de mogelijkheid om onder omstandigheden een partij afspraak of rechterlijke uitspraak inzake alimentatie te kunnen herzien, ondanks het feit dat de beschikking of vonnis waarin dit is vastgelegd kracht van gewijsde heeft gekregen. Doet een van de gronden van artikel 1:401 BW zich voor dan heeft het bepaalde ten aanzien van de alimentatie geen gezag van gewijsde gekregen. Op basis van deze uitspraak kan niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat (afspraken in) een convenant dat, ongeacht de inhoud, wordt beschouwd te zijn herhaald en ingelast in een echtscheidingsbeschikking nimmer gezag van gewijsde kan verkrijgen.

16. Het onderhavige geschil betreft de afspraken in het convenant die zien op de verdeling van de huwelijksgemeenschap vanwege de echtscheiding. De uitspraak van de Hoge Raad zegt daar niets over.

17. Met het opstellen van het convenant en de daarin vastgelegde verdeling van de gemeenschap hebben partijen, gelet op het bepaalde in artikel 8.2 van het convenant, beoogd een einde te maken aan het geschil met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en onzekerheid te voorkomen omtrent hetgeen rechtens tussen hen geldt. Door te verzoeken in het dictum te bepalen dat de regeling in het convenant als herhaald en ingelast in de beschikking wordt beschouwd, hebben partijen er voor gekozen een extra - juridische - stap te zetten. Het is de keuze van partijen om het convenant het zuiver verbintenisrechtelijke karakter te laten verliezen, en daarmee de deur voor een beroep op artikel 3:196 BW te sluiten. Het is daarmee een beslissing van de rechter geworden in de zin van artikel 236, lid 1 Rv. Een beslissing waarmee beoogd wordt een einde aan het geschil te maken, namelijk de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Het feit dat de rechter geen of een beperkt inhoudelijk oordeel heeft gegeven over deze beslissing kan ook niet op voorhand het karakter van gezag van gewijsde aan de beslissing ontzeggen. Immers ook verstekvonnissen of vonnissen waarbij door de wel verschenen gedaagde geen verweer wordt gevoerd verkrijgen, indien er geen rechtsmiddel tegen wordt aangewend, gezag van gewijsde tussen partijen. Hieruit valt af te leiden dat de term ‘beslissing’ niet veronderstelt dat er een debat voor de rechter aan voorafgegaan moet zijn. In dat licht valt niet in te zien waarom een rechterlijke beslissing op gemeenschappelijk verzoek van partijen, en zonder voorafgaand debat, om de gezamenlijke afspraken over de verdeling van de gemeenschap letterlijk op te nemen in dictum wel gezag van gewijsde kan verkrijgen, voor zover dit door het systeem van de wet niet is uitgesloten, en een rechterlijke beslissing op gemeenschappelijk verzoek om dezelfde afspraken vastgelegd in een convenant en aangehecht aan de beschikking als herhaald en ingelast in de beschikking te beschouwen geen gezag van gewijsde kan verkrijgen.

18. Nu de kantonrechter van oordeel is dat de in het convenant vastgelegde afspraak tussen partijen in het kader van de verdeling van de huwelijkse gemeenschap, zoals opgenomen in de beschikking van 2 september 2009, gezag van gewijsde heeft verkregen, dient thans beoordeeld te worden of dat een beoordeling door de rechter van het onderhavige geschil in de weg staat. Nu tussen partijen niet ter discussie staat dat dezelfde rechtsbetrekking ten grondslag ligt aan het geschil, betekent dit dat het gezag van gewijsde in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling. [A] zal dus niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

19. Nu [A] niet ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering kunnen de overige verweren van [B] onbesproken blijven en zal ook de voorwaardelijke reconventionele vordering onbesproken blijven.

20. De proceskosten zullen op grond van art. 237 Rv worden gecompenseerd als na te melden, aangezien partijen ex-echtgenoten zijn.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. verklaart [A] niet ontvankelijk in haar vordering;

II. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mr. A.E. de Vos, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 augustus 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

type: EV

coll: