Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX6313

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
03-09-2012
Zaaknummer
1311326 - HA EXPL 11-824
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

(i) is een overeenkomst tot stand gekomen?; (ii) bevoegdheid daartoe van de handelend persoon?; (iii) is sprake van schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid (artikel 3:61 lid 2 BW)? Bij de beantwoording van de laatste vraag (in positieve zin) wordt aansluiting gezocht bij HR 3 februari 2012, LJN BU4909 en HR 19 februari 2010, LJN BK7671: er is ook plaats voor toerekening aan de achterman in geval feiten en omstandigheden zich voordoen die voor risico van de achterman komen en waaruit naar verkeersopvattingen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. Toedoen van de achterman is daarvoor niet noodzakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/449
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector kanton

locatie: Amsterdam

Zaaknummer en rolnummer: 1311326 \ HA EXPL 11-824

Uitspraak: 20 juni 2012

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

[X B.V.],

gevestigd te Leiden,

eiseres,

nader te noemen [X B.V.],

gemachtigde mr. D. Poot,

t e g e n

[Y B.V.],

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

nader te noemen [Y B.V.],

gemachtigde mr. J. Witvoet.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 12 december 2011 inhoudende de vordering van [X B.V.], met producties,

- de conclusie van antwoord van 18 januari 2012, met een productie.

Ingevolge tussenvonnis van 1 februari 2012 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het proces-verbaal hiervan en de daarin genoemde andere stukken bevinden zich bij de stukken. Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden tussen partijen vast:

1.1 [X B.V.] houdt zich bezig met het ontwikkelen, produceren en uitgeven van onder meer standaardsoftware die wordt ingezet voor onder meer zogenaamde test automation, performance testing en user acceptance testing.

1.2 [Y B.V.] ondersteunt financiële instellingen bij het bedienen van klanten met behulp van internettechnieken. [Y B.V.] produceert en ontwikkelt maatwerksoftware. [Y B.V.] heeft (onder meer) een kantoor in Amsterdam. Volgens een uittreksel van de Kamer van Koophandel is de heer [A] (hierna: [A]) enig bestuurder/directeur van [Y B.V.] en zelfstandig bevoegd [Y B.V.] te vertegenwoordigen.

1.3 In maart 2011 is [X B.V.] benaderd door de heer [B] (hierna: [B]), een toenmalig werknemer van [Y B.V.], in verband met een mogelijk door [Y B.V.] aan [X B.V.] te verstrekken opdracht terzake het uitvoeren van testwerkzaamheden aan software van [Y B.V.].

1.4 Nadien hebben meerdere besprekingen plaatsgevonden, onder meer op het kantoor van [Y B.V.] in Amsterdam. Hierbij waren van de zijde van [X B.V.] de heer [C] en de heer [D] (hierna: [D]) aanwezig en van de zijde van [Y B.V.] [B], de heer [E] (hierna: [E]) en de heer [F] (hierna: [F]). [E] is director of product management binnen [Y B.V.] en daarmee verantwoordelijk voor onder meer de software. [F] is een van de oprichters van [Y B.V.] en hij houdt zich tegenwoordig – kort gezegd – bezig met de techniek binnen [Y B.V.].

1.5 In de daarop volgende maanden heeft [X B.V.] in enkele stappen een ‘Proposal for Services’ ten behoeve van [Y B.V.] opgesteld. Hierin bood [X B.V.] tegen een opdrachtsom van € 13.600,00 exclusief BTW de volgende in paragraaf 3.2. van de proposal for services weergegeven werkzaamheden aan:

“The activity phases can be summarised as follows:

• Initial assessment of the website and website components.

• Gather information on the [Y B.V.] infrastructure architecture.

• Gather information on 3rd party software vendors, and licenses that are used.

• Gather information on the server side components and their working configurations.

• Gather the [Y B.V.] requirements for test environments (how many and purpose).

• Build the testing infrastructure on either the Amazon Elastic Cloud platform or on dedicated hosting servers in our own [X B.V.] server farm.

• Install operating systems / 3rd party software / component software.

• Configure overall environment to [Y B.V.]’s specification.

• Deploy [Y B.V.] application.

• Post deployment shakedown and configuration.

At this point we would expect to have a running environment.”

1.6 Nadien heeft [D] met medewerking en instemming van medewerkers van [Y B.V.] in juli, augustus en september 2011 op het kantoor van [Y B.V.] in Amsterdam werkzaamheden verricht. [D] heeft daartoe toegang gekregen tot een deel van de software van [Y B.V.].

1.7 Bij factuur van 22 augustus 2011 heeft [X B.V.] een bedrag van € 13.600,00 inclusief BTW bij [Y B.V.] in rekening gebracht. De factuur vermeldt een betalingstermijn van 14 dagen.

1.8 [Y B.V.] heeft het factuurbedrag van € 13.600,00, ondanks sommaties, niet voldaan.

1.9 Op 1 oktober 2011 heeft de zogenaamde ‘release’ van de software plaatsgevonden.

1.10 [X B.V.] heeft een door [B] ondertekende, schriftelijke verklaring van 11 april 2012 in het geding gebracht, waarin [B] onder andere het volgende schrijft:

“(…) I am familiar with the fact that [X B.V.] B.V. from Leiden has started legal proceedings against my former employer [Y B.V.] B.V. in Amsterdam regarding an invoice of [X B.V.] in the amount of € 13.600,- including VAT dated August 22nd 2011. The invoice concerns performance testing by [X B.V.] of the web-app application of [Y B.V.]. I organized the engagement with [X B.V.] on behalf of [Y B.V.] to do the job. It was part of my job responsibility to organize internal and external resources to get our product developed and tested. My director superior, VP of Products [G], was fully aware of the engagement with [X B.V.], as were the other Product Board members, including the CEO and VPs of [Y B.V.]. I can explain and substantiate this as follows.

(…) It was established [Y B.V.] needed a performance assessment for a certain product, preferably to start somewhere in the second quarter of 2011. (…) Since I was familiar with [C] and his colleagues at [X B.V.] (and their reputation), I organized an introduction meeting in March together with the Director of Product Management ([E]), the CTO (Chief Technical Officer) and co-founder of [Y B.V.] Mr [F]. [C] and [D] of [X B.V.] came over [Y B.V.] and presented what [X B.V.] could do. Feedback from [Y B.V.] was positive and I started planning the details of the engagement of [X B.V.]. After several meetings (also with the technical team) the engagement was defined and I agreed verbally on the amount of € 13.600,- including VAT. [G] was routinely informed of the status of the [X B.V.] efforts.

(…) I was allowed to bring contractors in; it was part of my responsibility as senior leader. Payment for these contractors was not my concern, that was handled by finance.

Most of the work of [X B.V.] was done by [D], who did the job in the offices of [Y B.V.] in Amsterdam for about two months. While most management of [Y B.V.] is on the 5th floor, the developers work on the 6th floor. The office on the 6th floor is totally open without a single wall or cube. Everybody sees everybody, we even all eat lunch together on 5th floor. [D]’s assigned workspace was with us on the 6th floor, his chair was less than 2 meters from [G] while he conducted the performance assessment for us on site. Our entire dev team on the 6th floor knew that [D] worked for [X B.V.] and was doing the performance assessment.

A week before the start of the job beginning July 2011, [D] was brought in for a meeting with the system administrator [H]. It was necessary that [D] should get access to the systems of [Y B.V.] and therefore he needed privileges on a certain (pretty high!) level.

Sometime close to the midpoint of the job (in my recollection on August 25th 2011), I delivered a PowerPoint-presentation of the interim results of the performance assessment by [X B.V.] (as attached to this statement) to the 2 vice presidents: [I] VP of Professional Services and [G] VP of Products.

(…) The product of [X B.V.] consisted not only of executing the assessment, but also to provide [Y B.V.] with a “positive write-up” that would be fit to present to customers/the marketplace.

[X B.V.] conducted the performance assessment according to the agreement. Since however the results of the tests showed disappointing performance of the [Y B.V.] product, it became clear upfront that a report of [X B.V.] on the results of the tests was not going to benefit [Y B.V.]. I relieved them of the responsibilities of the write-up, positioning us for perhaps picking it up later after we tuned the performance. I concluded [X B.V.] had fulfilled the contract and the engagement was brought to a conclusion. I informed [X B.V.] of such, as well as my development team and manager [G]. (…)”

Vordering en verweer

2. [X B.V.] vordert dat [Y B.V.] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal worden veroordeeld tot betaling van € 15.184,05 (bestaande uit € 13.600,00 aan hoofdsom, € 230,55 aan rente tot en met 18 november 2011 en € 1.353,50 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a Burgerlijk Wetboek (BW) over € 13.600,00 vanaf 19 november 2011 tot aan de dag van algehele voldoening en te vermeerderen met de proceskosten.

3. [X B.V.] legt hieraan – kort gezegd – het volgende ten grondslag. In juni 2011 heeft [Y B.V.], in de persoon van [B], [X B.V.] mondeling de opdracht verstrekt tot het verrichten van de werkzaamheden zoals omschreven in paragraaf 3.2 van de proposal for services. Een opdrachtsom van € 13.600,00 inclusief BTW werd hierbij uiteindelijk overeengekomen. De overeengekomen werkzaamheden heeft [X B.V.] in juli, augustus en september 2011 uitgevoerd. Dit gebeurde grotendeels door [D] op het kantoor van [Y B.V.] in Amsterdam, waarbij [D] nauw samenwerkte met het ontwikkelteam en de systeembeheerder van [Y B.V.]. [D] kreeg hiertoe hoge privileges om op het systeem van [Y B.V.] te werken. Primair was [B] bevoegd de overeenkomst met [X B.V.] namens [Y B.V.] te sluiten. Subsidiair is sprake van schijn van vertegenwoordigingbevoegdheid in de zin van artikel 3:61 lid 2 BW. [Y B.V.] is derhalve gebonden aan de door [B] namens haar gesloten overeenkomst en [Y B.V.] dient dan ook het bij factuur van 22 augustus 2011 in rekening gebrachte bedrag van € 13.600,00 aan [X B.V.] te voldoen. Nu [Y B.V.] ondanks diverse aanmaningen heeft nagelaten dit bedrag aan [X B.V.] te betalen, maakt [X B.V.] tevens aanspraak op de gevorderde rente en buitengerechtelijke kosten.

4. [Y B.V.] voert – samengevat – het volgende verweer. Primair wordt betwist dat een overeenkomst is gesloten. Voor zover wel sprake mocht zijn van een overeenkomst, voert [Y B.V.] subsidiair aan dat [B] daartoe niet bevoegd was en dat van schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid in de zin van artikel 3:61 lid 2 BW geen sprake is. Ten slotte voert [Y B.V.] nog aan dat de werkzaamheden zoals door [X B.V.] gesteld niet aan [X B.V.] zijn opgedragen, althans dat [X B.V.] die werkzaamheden niet conform de overeenkomst heeft uitgevoerd.

Beoordeling

5. [X B.V.] stelt dat [Y B.V.] de gevorderde hoofdsom van € 13.600,00 aan haar is verschuldigd op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst.

Overeenkomst tot stand gekomen?

6. Als meest verstrekkende verweer voert [Y B.V.] aan dat geen overeenkomst is gesloten. Dit verweer wordt verworpen. [X B.V.] heeft, aan de hand van onder meer de schriftelijke verklaring van [B] waarin [B] onder andere schrijft dat hij mondeling de overeenkomst met [X B.V.] is aangegaan, gemotiveerd en concreet gesteld hoe de contacten tussen partijen vanaf maart 2011 zijn verlopen en dat dit uiteindelijk eind juni 2011 heeft geleid tot de mondelinge totstandkoming van de overeenkomst. Het had op de weg van [Y B.V.] gelegen om voldoende concreet verweer hiertegen te voeren, bijvoorbeeld door aan te geven welke door [X B.V.] gestelde feiten en omstandigheden volgens haar niet juist (kunnen) zijn en waarom niet. [Y B.V.] heeft dit evenwel nagelaten. Als onvoldoende gemotiveerd betwist, wordt er daarom vanuit gegaan dat de overeenkomst eind juni 2011 is gesloten. Hierbij is van belang dat – anders dan [Y B.V.] (kennelijk) meent – voor de totstandkoming van een overeenkomst in zijn algemeenheid niet is vereist dat hetgeen mondeling is overeengekomen op schrift wordt vastgelegd en door de daartoe bevoegde personen wordt ondertekend.

Bevoegdheid van [B] tot sluiten van de overeenkomst?

7. Tussen partijen is voorts in geschil of [B] bevoegd was de mondeling tot stand gekomen overeenkomst met [X B.V.] namens [Y B.V.] te sluiten.

8. [X B.V.] stelt dat dit het geval is en zij verwijst daartoe naar de schriftelijke verklaring van [B] waarin staat: “I was allowed to bring contractors in; it was part of my responsibility as senior leader.”

9. [Y B.V.] betwist dat [B] bevoegd was de overeenkomst met [X B.V.] namens haar te sluiten. [Y B.V.] wijst hiertoe op het uittreksel van de Kamer van Koophandel (zie 1.2) waaruit volgens haar blijkt dat enkel [A] bevoegd was en is om overeenkomsten namens haar aan te gaan. Volgens [Y B.V.] had [B] uitsluitend de bevoegdheid om potentiële contractanten binnen te brengen, waarna het aan [A] was om te beslissen om al dan geen overeenkomst met hen te sluiten. Volgens [Y B.V.] wordt dit ook bedoeld met de hiervoor aangehaalde zin uit de schriftelijke verklaring van [B].

10. Deze tegengestelde stellingen van partijen kunnen (verder) in het midden worden gelaten. Immers, zelfs als [Y B.V.] gevolgd zou moeten worden in haar stelling dat [B] niet de bevoegdheid had om de overeenkomst met [X B.V.] namens haar te sluiten, is de vordering van [X B.V.] desondanks wel toewijsbaar. Ter toelichting hiervan geldt het volgende.

Schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid?

11. Voor het geval ervan moet worden uitgegaan dat [B] onbevoegd was de overeenkomst met [X B.V.] namens [Y B.V.] te sluiten, beroept [X B.V.] zich op artikel 3:61 lid 2 BW. Volgens [X B.V.] is de schijn gewekt dat [B] bij het sluiten van de overeenkomst bevoegd was [Y B.V.] te vertegenwoordigen.

12. [Y B.V.] betwist dat sprake is van rechtens relevante schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Zij voert hiertoe aan dat geen handeling of toedoen van haar zijde is verricht waaruit de gestelde schijn kan worden afgeleid.

13. De kantonrechter verwerpt dit betoog van [Y B.V.]. Anders dan [Y B.V.] meent, kan voor toerekening aan de achterman (in dit geval [Y B.V.]) ook plaats zijn ingeval feiten en omstandigheden zich voordoen die voor risico van de achterman komen en waaruit naar verkeersopvattingen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. Toedoen van de achterman is daarvoor niet noodzakelijk (zie HR 3 februari 2012, LJN BU4909 en HR 19 februari 2010, LJN BK7671).

14. Naar het oordeel van de kantonrechter doen zich in deze zaak feiten en omstandigheden voor die voor risico van [Y B.V.] komen en waaruit naar verkeersopvattingen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. Hierbij zijn met name de volgende feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, van belang. [B] heeft als werknemer van [Y B.V.] [X B.V.] benaderd voor een mogelijke opdracht in verband met testwerkzaamheden aan de software van [Y B.V.]. Nadien hebben meerdere contacten tussen [X B.V.] en medewerkers van [Y B.V.] plaatsgevonden. Tijdens diverse besprekingen, waarvan er in ieder geval één op het kantoor van [Y B.V.] in Amsterdam heeft plaatsgevonden, waren namens [Y B.V.] naast [B] tevens de director of product management van [Y B.V.] en één van haar oprichters aanwezig. Het was binnen [Y B.V.] breed bekend dat [X B.V.] door [Y B.V.] was benaderd voor een mogelijke opdracht en dat zij in dat kader een proposal for services had opgesteld. Uiteindelijk heeft [B] de opdracht waarop de proposal for services zag, mondeling aan [X B.V.] verstrekt. Hierbij heeft [B], in afwijking van het door [X B.V.] in de proposal for services aangeboden bedrag van € 13.600,00 exclusief BTW, een bedrag van € 13.600,00 inclusief BTW als opdrachtsom bedongen. Daarna is [D], als uitvoerend persoon van [X B.V.], in contact gebracht met de systeembeheerder van [Y B.V.]. [D] heeft toen de voor de uitvoering van de werkzaamheden benodigde toegang tot een deel van de software van [Y B.V.] gekregen. Vervolgens heeft [D] gedurende enkele maanden op het kantoor van [Y B.V.] in Amsterdam werkzaamheden uitgevoerd, in samenwerking met het development team en de systeembeheerder van [Y B.V.]. Hij had daarbij een werkplek op één van de twee door [Y B.V.] in gebruik zijnde verdiepingen, tussen de mensen van het development team van [Y B.V.] en twee meter verwijderd van de werkplek van [G], de directe leidinggevende van [B]. [D] is nimmer door iemand van [Y B.V.] tijdens die maanden aangesproken over wat hij bij hen op kantoor deed en in welk kader.

15. Het vorenstaande leidt ertoe dat, zelfs als [D] niet bevoegd was de overeenkomst met [X B.V.] namens [Y B.V.] te sluiten, [Y B.V.] op grond van artikel 3:61 lid 2 BW wel aan die overeenkomst is gebonden.

Werkzaamheden

16. [X B.V.] stelt dat de mondeling tot stand gekomen overeenkomst zag op de werkzaamheden zoals genoemd in artikel 3.2 van de proposal for services (zie 1.5). Volgens [X B.V.] kwam dit werk – kort gezegd – neer op het opzetten van een testomgeving en het uitvoeren van tests, waaronder performance testing, aan bepaalde software van [Y B.V.] voordat de release daarvan zou plaatsvinden.

17. De stelling van [X B.V.] dat de opgedragen werkzaamheden (onder meer) het opzetten van een testomgeving en performance testing inhielden, vindt steun in onder andere de inhoud van de proposal for services, de schriftelijke verklaring van [B] en de door [X B.V.] overgelegde sheets van een power point presentatie met de titel ‘Performance Testing’, waarover [B] in zijn schriftelijke verklaring vermeldt dat hij die sheets heeft gebruikt tijdens een door hem in augustus 2011 aan onder meer [G] gegeven presentatie terzake de tussentijdse resultaten van de door [X B.V.] tot dat moment uitgevoerde performance testing werkzaamheden.

18. De betwisting van [Y B.V.] hiertegenover dat het overeengekomen werk niet onder meer performance testing inhield, maar enkel zag op het uitvoeren van tests na de release van de software op grond waarvan [X B.V.] een rapport moest opstellen waarmee [Y B.V.] de kwaliteit van de software richting klanten kon aantonen, wordt verworpen. [Y B.V.] heeft deze stelling, tegenover de gemotiveerde stellingen van [X B.V.], onvoldoende onderbouwd. Weliswaar blijkt uit de verklaring van [B] dat het opgedragen werk ook het testen van de software van [Y B.V.] na de release daarvan inhield, doch [B] schrijft hierover in zijn schriftelijke verklaring: “[X B.V.] conducted the performance assessment according to the agreement. Since however the results of the tests showed disappointing performance of the [Y B.V.] product, it became clear upfront that a report of [X B.V.] on the results of the tests was not going to benefit [Y B.V.]. I relieved them of the responsibilities of the write-up, positioning us for perhaps picking it up later after we tuned the performance. I concluded [X B.V.] had fulfilled the contract and the engagement was brought to a conclusion.”

19. Ten slotte heeft [Y B.V.] haar verweer dat [X B.V.] de overeengekomen testwerkzaamheden niet, althans niet conform de proposal for services zou hebben verricht – mede in het licht van de omstandigheden dat de overeenkomst reeds in juni 2011 door [B] (al dan niet bevoegd) aan [X B.V.] is verstrekt en [D] in de maanden juli, augustus en september 2011 op het kantoor van [Y B.V.] in Amsterdam werkzaamheden heeft uitgevoerd – niet voldoende onderbouwd, zodat ook dat verweer wordt verworpen.

Gevorderde hoofdsom en rente

20. Nu hetgeen [Y B.V.] tegen de door [X B.V.] gevorderde hoofdsom van € 13.600,00 heeft aangevoerd wordt verworpen, is die vordering toewijsbaar.

21. De gevorderde rente tot en met 18 november 2011 van € 230,55 over het bedrag van € 13.600,00, is als niet weersproken toewijsbaar.

22. De gevorderde wettelijke handelsrente over het bedrag van € 13.600,00 vanaf 19 november 2011 zal als onbetwist eveneens worden toegewezen.

Buitengerechtelijke kosten

23. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten is slechts toewijsbaar, indien deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt en de omvang daarvan eveneens redelijk is. De vordering van [X B.V.] van € 1.353,50 gaat het in de staffel buitengerechtelijke incassokosten sector kanton gehanteerde tarief, dat in zijn algemeenheid redelijk wordt geacht, in ruime mate te boven. Uit de stellingen van [X B.V.] kan niet worden afgeleid dat zij duidelijk meer buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt dan in dit tarief is besloten. De door [X B.V.] gemaakte kosten moeten daarom als onredelijk worden aangemerkt, voor zover zij het in de staffel buitengerechtelijke incassokosten vermelde forfaitaire tarief overschrijden. De vordering zal derhalve, met inachtneming van de staffel buitengerechtelijke incassokosten, worden toegewezen tot een bedrag van € 952,00.

Proceskosten

24. [Y B.V.] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [X B.V.] tot op heden begroot op:

griffierecht € 851,00

explootkosten € 83,41

salaris gemachtigde € 600,00 (2,0 punten × tarief EUR 300,00)

totaal € 1.534,41

inclusief eventueel verschuldigde btw.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. veroordeelt [Y B.V.] tot betaling aan [X B.V.] van € 14.782,55 (veertienduizend zevenhonderdtweeëntachtig euro en vijfenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 13.600,00 (dertienduizend zeshonderd euro) vanaf 19 november 2011 tot aan de dag van algehele voldoening;

II. veroordeelt [Y B.V.] in de proceskosten, aan de zijde van [X B.V.] tot op heden begroot op € 1.534,41 (eenduizend vijfhonderdvierendertig euro en eenenveertig eurocent);

III. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

IV. wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. L.R. Wisse, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juni 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter