Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2012:BX5447

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-08-2012
Datum publicatie
23-08-2012
Zaaknummer
521285 / KG ZA 12-962 Pee/MRSB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Wanprestatie, onrechtmatige daad. Eiser heeft na met Heineken een overeenkomst te hebben gesloten, Heineken op de hoogte gesteld van onrechtmatig handelen van zijn ex-werkgever, brouwerij Olm. Hij spreekt thans Heineken aan tot nakoming van haar verplichting om hem en zijn gezin te beschermen tegen bedreigingen die hij van de zijde van Olm heeft ontvangen, nadat zijn identiteit door Heineken in de procedure met Olm bekend is gemaakt. Op grond van de overeenkomst heeft Heineken eiser een vergoeding betaald voor de verstrekte inlichtingen. Partijen hebben, nadat eiser zich wederom bij Heineken had gemeld vanwege de gestelde bedreigingen, een tweede overeenkomst gesloten op grond waarvan aan eiser een verhuisvergoeding betaald en is hem een tijdelijke baan op uitzendbasis aangeboden. De voorzieningenrechter overweegt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat (mondeling) deel van de eerste overeenkomst uitmaakte dat Heineken de identiteit van eiser geheim zou houden. Evenmin is voldoende aannemelijk geworden dat eiser daadwerkelijk wordt bedreigd. Daarnaast hebben partijen elkaar in de tweede overeenkomst finale kwijting verleend. Ten slotte kleeft aan het petitum van de dagvaarding een aantal gebreken. Al deze punten, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, maken dat de vorderingen van eiser worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 521285 / KG ZA 12-962 Pee/MRSB

Vonnis in kort geding van 23 augustus 2012

in de zaak van

[EISER],

wonende te [plaats],

eiser bij dagvaarding van 1 augustus 2012,

advocaat mr. J. Frissen te Den Haag,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEINEKEN NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. Ch.Y.M. Moons te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Heineken worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van13 augustus 2012 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Heineken heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. Ter zitting waren - voor zover van belang - aanwezig [eiser], de vriendin van [eiser], mr. Frissen, mr. [A], [functie] bij Heineken, en mr. Moons.

2. De feiten

2.1. [eiser] is in dienst geweest bij brouwerij Olm Bier te Weesp (hierna: Olm) in de functie van koerier/chauffeur, waar hij een salaris verdiende van circa EUR 2.000,- bruto per maand.

2.2. Olm heeft haar bier onder meer verkocht in fusten waarop de naam “Heineken” was vermeld. Volgens [eiser] leverde Olm deze fusten aan horecaondernemers, die exclusieve contracten hadden met Heineken, voor een goedkopere prijs dan zij voor hun bier aan Heineken dienden te betalen. De horecaondernemers verkochten vervolgens het Olm bier aan consumenten voor de prijs van Heineken bier.

2.3. In verband met deze gang van zaken heeft [eiser] in 2010, al dan niet via de vader van zijn vriendin, de heer [B], contact gezocht met Heineken. [eiser] heeft ten kantore van Heineken een tweetal gesprekken met Heineken gevoerd, waarvan het tweede op 13 oktober 2010, waar [eiser] de volgens hem bij Olm bestaande misstanden uit de doeken heeft gedaan. Bij de besprekingen heeft [eiser] zich laten bijstaan door [B].

2.4. Het dienstverband van [eiser] bij Olm is in november 2010 geëindigd.

2.5. Naar aanleiding van de bespreking op 13 oktober 2010 heeft Heineken [eiser] bij brief van 24 november 2010 in ruil voor verdere informatie en bewijs onder voorbehoud van de bruikbaarheid van dat bewijs een passende functie voor bepaalde tijd binnen Heineken aangeboden met mogelijkheid tot verlenging van het contract voor onbepaalde tijd, dan wel een eenmalige vergoeding van EUR 10.000,-. [eiser] heeft deze brief ondertekend.

2.6. [eiser] heeft gekozen voor de optie van een eenmalige betaling van EUR 10.000,-. Heineken heeft dit bedrag aan [eiser] uitgekeerd.

2.7. Heineken heeft mede op basis van de verklaringen van [eiser] zelfstandig onderzoek verricht naar het handelen van Olm, hetgeen na een aantal beslagleggingen en juridische procedures in 2011 heeft geresulteerd in het faillissement van Olm.

2.8. In de processtukken die Heineken in de verschillende procedures tegen Olm heeft overgelegd, zijn de personalia van [eiser] bekend gemaakt, alsmede de rol die [eiser] in het proces heeft gespeeld.

2.9. Nadat [eiser] van Heineken vernam dat zijn identiteit in de processtukken bekend was gemaakt, is hij met zijn gezin verhuisd naar de ouders van zijn vriendin, die wonen in [plaats].

2.10. Tussen partijen heeft op 12 januari 2012 een gesprek plaatsgevonden omdat [eiser] naar eigen zeggen in verband met de Olm-affaire meerdere malen is bedreigd. Heineken heeft tijdens dit gesprek een voorstel aan [eiser] gedaan, welk voorstel door Heineken op 13 januari 2012 schriftelijk is bevestigd. Heineken heeft [eiser] twee weken bedenktijd gegeven.

2.11. Bij brief van 24 januari 2012 heeft Heineken aan [eiser] - voor zover voor deze procedure van belang - het volgende geschreven:

“Hierdoor bevestigen wij u de inhoud van de bespreking van 12 januari 2012.

In de bespreking hebben wij aangegeven dat we de positie waarin u thans verkeert betreuren. Wij vinden het heel vervelend voor u en willen u “een steun in de rug” geven om de draad weer op te kunnen pakken.

Verhuizing

Vanwege het feit dat u nagenoeg naast het bedrijfspand van uw voormalige werkgever woonde, voelde u de noodzaak om te verhuizen. Thans woont u met uw vriendin en kinderen in bij uw schoonouders. Om u in staat te stellen weer zelfstandige woonruimte te betrekken, zijn wij bereid een bedrag van € 5.000,00 (netto) aan u te betalen als bijdrage voor verhuis- en herinrichtingskosten.

Werk

Om terug te kunnen keren in het arbeidsproces zijn wij bereid u (op uitzendbasis) een functie ter beschikking te stellen bij Heineken Brouwerijen Evenementen Service te Hoofddorp voor bepaalde tijd (…). De periode bedraagt 6 maanden. Bij gebleken geschiktheid (…) zijn wij bereid na het verstrijken van de overeengekomen periode in overleg te treden over een mogelijk verlenging van de dienstbetrekking (op uitzendbasis).

(…)

Voorwaarden

(…)

Met de uitbetaling van de bijdrage van € 5.000,00 wordt de kwestie afgesloten. Wij zullen dan vanzelfsprekend niets meer van elkaar te vorderen hebben en verlenen elkaar dan over en weer finale kwijting.

Ter afsluiting

Wij vinden dat Heineken niet in strijd met gemaakte afspraken heeft gehandeld, maar willen u met ons aanbod wel graag steunen om een nieuwe start te kunnen maken. Door de bijdrage in de kosten en een nieuwe dienstbetrekking stellen wij u in staat te verhuizen en weer deel te nemen aan het arbeidsproces (…)”

2.12. [eiser] heeft de brief van Heineken van 24 januari 2012 ondertekend.

2.13. Producties 1 tot en met 5 van de zijde van Heineken betreffen een aantal verklaringen van de (ex)medewerkers van Heineken die bij de onderhandelingen met [eiser] betrokken zijn geweest.

2.14. Bij brief van 19 juni 2012 heeft Heineken in een reactie op een brief van de (toenmalige) juridisch adviseur van [eiser], mr. [juridisch adviseur], geschreven dat zij iedere aansprakelijkheid van de hand wijst en geadviseerd om in verband met de gestelde bedreigingen contact op te nemen met de politie.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat het de voorzieningenrechter moge behagen bij vonnis in kort geding voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut

Primair

1) Heineken te gebieden om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis er in overleg met [eiser] en zijn gezin voor zorg te dragen dat [eiser] en zijn gezin, op kosten van Heineken, terstond een veilig heenkomen wordt verschaft naar een in overleg met [eiser] te bepalen land buiten Nederland, en [eiser] en zijn gezin aldaar met behulp en op kosten van Heineken een permanente woning aan te bieden en al die maatregelen te nemen die leiden tot een permanente vestiging van [eiser] en zijn gezin aldaar, ook in vreemdelingenrechtelijke zin, en voorts aan [eiser] en zijn gezin op maandbasis voorshands een bedrag van EUR 5.000,- ter beschikking te stellen, per iedere eerste van de maand bij vooruitbetaling te voldoen, gekoppeld aan de indexering voor levensonderhoud, nu aan [eiser] en zijn gezin in Nederland geen veilig onderkomen kan worden gegarandeerd, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 25.000,-, met een maximum van EUR 2.500.000,- voor ieder dag of gedeelte van een dag dat Heineken nalaat om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis volledig en tijdig te voldoen aan haar uit dit vonnis voortvloeiende verplichtingen jegens [eiser] en zijn gezin, althans een zodanig bedrag dat de voorzieningenrechter in goede justitie zal vernemen.

Subsidiair

2) Heineken te gebieden aan [eiser] en zijn gezin een zodanige veilige positie te verschaffen, alles op kosten van Heineken, als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, en op straffe van een zodanige dwangsom als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, to een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom.

3) Heineken te veroordelen in de proceskosten van [eiser].

3.2. [eiser] legt aan zijn vorderingen samengevat het volgende ten grondslag. Tijdens de bespreking van 13 oktober 2010 is [eiser] met Heineken (mondeling) overeengekomen dat zijn personalia door Heineken niet zouden worden bekend gemaakt. Deze afspraak is niet in de schriftelijke overeenkomst van 24 november 2010 terechtgekomen, maar maakt daarvan wel deel uit. [eiser] en [B] zijn geen juristen en zij gingen ervan uit dat Heineken zich aan haar woord zou houden. Dit was voor [eiser] een essentiële voorwaarde voor medewerking omdat hij vreesde voor represailles van de kant van [C], de [functie] van Olm. Als [eiser] had geweten dat Heineken zijn anonimiteit niet zou kunnen garanderen, had hij de overeenkomst van 24 november 2010 nimmer gesloten. Nu Heineken de naam en rol van [eiser] in de procedure met Olm in weerwil van de afspraken met [eiser] heeft bekendgemaakt, is zij dan wel tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eiser], dan wel heeft Heineken jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld. De naam en de rol van [eiser] zijn niet alleen bij [C] bekend geworden, maar ook bij een groot aantal van de horecaondernemers die het Olm bier voor een goedkopere prijs van Olm afnamen. Sedertdien heeft [eiser] meerdere malen te maken gehad met (doods)bedreigingen en intimidaties. [eiser] heeft aangifte van de bedreigingen gedaan bij de politie maar die gaf aan niets voor hem te kunnen doen. [eiser] en zijn vriendin zijn door deze bedreigingen onder ernstige stress komen te staan. Gelet op haar tekortkomingen mag van Heineken worden verlangd dat zij al datgene doet dat nodig is om de veiligheid en de rust van [eiser] en zijn gezin te waarborgen zodat de vorderingen toewijsbaar zijn. Heineken kan zich volgens [eiser] niet verschuilen achter de overeenkomst van 24 januari 2012 nu deze is gesloten onder ontoelaatbare druk en op grond daarvan nietig, althans vernietigbaar is. Heineken wilde van hem af en gelet op de bedreigingen en op het feit dat de politie niets deed, was [eiser] gedwongen elk voorstel te accepteren.

3.3. Heineken voert samengevat het volgende verweer tegen de vorderingen. Heineken betwist dat zij heeft toegezegd de anonimiteit van [eiser] te garanderen. Dit blijkt niet uit de overeenkomst van 24 november 2010 en wordt weersproken door de overgelegde verklaringen van de personen die namens Heineken bij de voorafgaande besprekingen betrokken zijn geweest. Heineken heeft desgevraagd aan [eiser] meegedeeld dat het waarschijnlijk niet mogelijk zou zijn de identiteit van [eiser] in de procedure tegen Olm verborgen te houden, maar dat zij daarvoor haar best zou doen. [eiser] heeft hiermee (en met de aangeboden EUR 10.000,-) genoegen genomen. Dat geen sprake was van een op rechtsgevolg gerichte wil, zoals [eiser] lijkt te stellen, wordt door Heineken betwist. Heineken had er in elk geval op mogen vertrouwen dat de wil van [eiser] was gericht op het tot stand komen van de overeenkomst van 24 november 2010. Heineken is nimmer tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen en heeft door de bekendmaking van de naam van [eiser] evenmin onrechtmatig gehandeld.

Bovendien heeft te gelden dat partijen op 24 januari 2012 een tweede overeenkomst hebben gesloten waarin partijen elkaar finale kwijting hebben verleend. Heineken betwist dat deze overeenkomst onder ontoelaatbare druk tot stand is gekomen.

Heineken voert voorts aan dat de door [eiser] gestelde bedreigingen op geen enkele wijze zijn onderbouwd. De politie heeft met de aangifte van [eiser] in elk geval niets gedaan, zodat Heineken niet in ziet op welke grond zij wél gehouden zou zijn [eiser] de bescherming te beiden die hij kennelijk verlangt.

Ten slotte voert Heineken aan dat aan het petitum van de dagvaarding ook een aantal gebreken kleeft, zodat de vorderingen ook om deze reden niet toewijsbaar zijn. De vorderingen dienen op grond van het voorgaande te worden afgewezen.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. [eiser] stelt dat hij bedreigd wordt en dat deze bedreigingen van dien aard zijn dat hij niet langer veilig over straat kan en permanent met zijn gezin onmiddellijk in het buitenland gevestigd dient te worden. Het spoedeisend belang bij de vorderingen is daarmee gegeven.

4.3. De vorderingen van [eiser] zijn ten eerste gebaseerd op de veronderstelling dat partijen zijn overeengekomen dat Heineken de identiteit van [eiser] geheim zou houden. Vast staat dat in de overeenkomst van 24 november 2010 niet staat opgenomen dat Heineken de identiteit van [eiser] geheim zou houden. Indien dit voor [eiser] voor het al dan niet aangaan van een overeenkomst van doorslaggevende betekenis zou zijn geweest, zou het voor de hand liggen dat hij daarover expliciet iets in de overeenkomst zou hebben laten opnemen. [eiser] heeft zich gedurende de onderhandelingen bovendien - steeds - laten bijstaan door [B]. Dat [eiser] en [B] geen juristen zijn, maakt niet dat van [eiser] niet kan worden verlangd dat hij erop let dat alle voor hem essentiële voorwaarden in de overeenkomst zijn opgenomen. Voorts verklaren de personen die namens Heineken bij deze onderhandelingen betrokken zijn geweest dat het geheimhouden van de identiteit van [eiser] geen (mondeling) onderdeel vormde van de overeenkomst van 24 november 2010. Dat deze verklaringen in strijd met de waarheid zijn afgegeven, heeft [eiser] onvoldoende aannemelijk gemaakt. [eiser] heeft van zijn kant geen verklaringen overgelegd (zoals bijvoorbeeld van [B]) die een begin van het bewijs van het tegendeel kunnen vormen, zodat de voorzieningenrechter het moet doen met alleen het woord van [eiser]. Dat is zonder nader onderzoek naar de feiten, waarvoor in dit kort geding geen plaats is, onvoldoende om ervan uit te kunnen gaan dat Heineken heeft toegezegd de identiteit van [eiser] geheim te zullen houden.

4.4. Het gevolg hiervan is dat in deze procedure ervan moet worden uitgegaan, zoals Heineken heeft aangevoerd, dat [eiser] in ruil voor de aangeboden financiële vergoeding ermee genoegen heeft genomen dat er een kans zou bestaan dat zijn identiteit door Heineken zou worden bekend gemaakt. Nu deze kans zich heeft verwezenlijkt, is voorshands onvoldoende aannemelijk dat Heineken is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eiser]. Voor zover de stelling van [eiser] dat hij de overeenkomst van 24 november 2010 niet zou hebben gesloten als hij zou hebben geweten dat Heineken zijn anonimiteit niet zou kunnen waarborgen moet worden begrepen als een beroep op de vernietigbaarheid van die overeenkomst wegens dwaling, faalt dit beroep om dezelfde reden. Hierbij wordt nog daargelaten of de juridische consequenties van vernietiging van de overeenkomst van 24 november 2010 wegens dwaling, althans het ontbreken bij [eiser] van een op rechtsgevolg gerichte wil, grond zouden bieden voor toewijzing van de vorderingen.

4.5. Voorshands is evenmin aannemelijk geworden dat Heineken onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door zijn naam en rol in de procedures met Olm te openbaren. [eiser] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Heineken naar aanleiding van de gesprekken met [eiser] had moeten beseffen dat hij en zijn gezin gevaar zouden lopen indien bij Olm, althans haar [functie], bekend zou worden dat hij de gang van zaken bij Olm bij Heineken had aangekaart. Voorts kunnen, zoals Heineken terecht heeft aangevoerd, als al zou worden uitgegaan van onrechtmatig handelen aan de zijde van Heineken, vraagtekens geplaatst worden bij het causaal verband tussen dit onrechtmatig handelen en de door [eiser] geleden schade. Het is immers niet Heineken die de vermeende bedreigingen aan het adres van [eiser] heeft gedaan.

4.6. De vorderingen van [eiser] zijn ten tweede gebaseerd op de veronderstelling dat [eiser] en zijn gezin worden bedreigd. Als vaststaand kan worden aangenomen dat [eiser] (en zijn vriendin) zich bedreigd voelen. Zij zijn nadat zij ervan op de hoogte raakten dat de naam en de rol van [eiser] in de procedure tussen Heineken en Olm was genoemd, verhuisd naar de ouders van de vriendin van [eiser], die wonen in [plaats]. Zij verblijven thans naar eigen zeggen doorgaans op een onderduikadres. Indien [eiser] aan de bedreigingen juridische gevolgtrekkingen wil verbinden, moet hij deze bedreigingen echter tenminste voldoende aannemelijk maken. [eiser] kan daartoe in het licht van de betwisting van zijn stelling door Heineken, niet volstaan met het opsommen van de verschillende - in zijn ogen - verdachte incidenten die zich in de afgelopen periode hebben voorgedaan. [eiser] dient met objectieve gegevens, zoals verklaringen van derden, foto’s of (politie)rapporten, aannemelijk te maken dat hij wordt bedreigd. Hierin is [eiser] in deze procedure niet geslaagd. [eiser] heeft geen enkel stuk overgelegd waaruit de voorzieningenrechter kan afleiden dat zijn stelling dat zijn gezin bedreigd wordt gegrond is. Ook de politie heeft [eiser] naar eigen zeggen te kennen gegeven niets voor hem te kunnen betekenen, bij gebreke aan feitelijke onderbouwing van de door hem gestelde bedreigingen. Het voorgaande leidt niet tot de conclusie dat de bedreigingen zich niet hebben voorgedaan, daarvoor is nader onderzoek naar de feiten vereist, maar wel dat van het bestaan van die bedreigingen in het kader van deze procedure niet kan worden uitgegaan. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] op dit punt de voor toewijzing noodzakelijke feitelijke grondslag missen.

4.7. Ten slotte baseert [eiser] zijn vorderingen op de veronderstelling dat Heineken hem niet kan houden aan de door hem in de overeenkomst van 24 januari 2012 aan Heineken verleende finale kwijting, omdat deze overeenkomst tot stand zou zijn gekomen onder ontoelaatbare druk. Partijen zijn naar aanleiding van de bedreigingen die [eiser] naar eigen zeggen heeft ontvangen, eind 2011 opnieuw in gesprek geraakt. Hieruit is de overeenkomst van 24 januari 2012 voortgevloeid. In deze overeenkomst heeft Heineken zich verplicht om, zonder aansprakelijkheid of verantwoordelijkheid te erkennen en tegen finale kwijting, aan [eiser] een verhuiskostenvergoeding te betalen en hem een tijdelijke baan (op uitzendbasis) aan te bieden. [eiser] heeft zich tijdens de besprekingen met Heineken steeds laten bijstaan door [B]. Voorts heeft hij twee weken de tijd gekregen om de voor- en nadelen van het voorstel van Heineken in overweging te nemen, waarna hij de brief van 24 januari 2012 heeft ondertekend. Begrijpelijk is dat [eiser] zich onder druk voelde staan omdat hij van mening was dat hij werd bedreigd. Nu [eiser] de bedreigingen in deze procedure onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, hij bij de besprekingen met Heineken werd bijgestaan door anderen en daarnaast twee weken bedenktijd heeft gekregen, is voorshands van ontoelaatbare druk van de zijde van Heineken geen sprake geweest. Het gevolg hiervan is dat [eiser] is overeengekomen dat hij niets meer van Heineken te vorderen heeft.

4.8. Ten slotte overweegt de voorzieningenrechter dat aan de formulering van de primaire vordering een aantal gebreken kleeft. [eiser] heeft gevorderd - op straffe van verbeurte van dwangsommen - dat Heineken binnen vijf dagen na de betekening zorg draagt voor een adequate huisvesting van [eiser] en zijn gezin in een land naar keuze, daar een permanente woonruimte te verstrekken, alsmede zo nodig een verblijfsvergunning. Dit is, daargelaten of Heineken gehouden kan worden tot hetgeen [eiser] van haar vordert, een dermate korte termijn dat nakoming daarvan van Heineken in redelijkheid niet kan worden gevergd. Voorts is de vordering om Heineken te veroordelen in vreemdelingrechtelijke zin alles in het werk te stellen om [eiser] en zijn gezin permanent in het buitenland te vestigen te vaag om te worden toegewezen. Indien [eiser] daarmee bedoelt dat Heineken voor [eiser] en zijn gezin verblijfsvergunningen moet verkrijgen, is zeer de vraag of dit in de macht van Heineken ligt. Voorts heeft [eiser] de door hem gevorderde uitkering tot zijn levensonderhoud van EUR 5.000,- , welke EUR 3.000,- boven het door hem bij Olm verdiende (bruto)salaris ligt, niet, althans onvoldoende onderbouwd, laat staan dat hij heeft onderbouwd op welke grond van Heineken zou mogen worden verlangd dat zij hiertoe ‘tot in lengte der dagen’ gehouden zou zijn. Weliswaar heeft [eiser] gesteld dat zijn vriendin vanwege de stress ook haar baan is kwijtgeraakt en dat de gevraagde vergoeding een compensatie voor haar inkomensverlies behelst, maar dat verklaart niet waarom [eiser] en zijn vriendin in een ander land niet in staat zouden zijn (op den duur) werk te vinden. Evenmin is nagelaten aannemelijk te maken dat de gevorderde uitkering in verhouding staat tot de kosten van verblijf in het beoogde land van bestemming. De vordering van [eiser] roept daarmee ook teveel vraagtekens op om voor toewijzing - in kort geding - vatbaar te kunnen zijn.

4.9. De (voorlopige) conclusie is dat de vordering van [eiser] strandt op alle bovenstaande punten, zowel afzonderlijk als in samenhang bezien.

4.10. Met betrekking tot het subsidiair gevorderde overweegt de voorzieningenrechter ten slotte dat het is niet aan hem is om zijn eigen persoonlijke oordeel over deze zaak te geven. Indien de voorzieningenrechter een beslissing geeft die hem geraden voorkomt, dient deze beslissing te zijn gestoeld op de voorhanden feiten en omstandigheden. Het is - in dit geval - aan [eiser] om de voorzieningenrechter de handvatten te bieden die hem in staat stellen een beslissing in goede justitie te geven. Nu [eiser] deze handvatten in het onderhavige geval echter niet heeft geboden, kan de voorzieningenrechter in goede justitie geen beslissing geven, zodat ook deze vordering zal worden afgewezen.

4.11. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Heineken worden begroot op:

- griffierecht EUR 267,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.083,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Heineken tot op heden begroot op EUR 1.083,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.J. Peeters, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.R.S. Bacon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2012.?